Illegale drukken

In de bundel Bezweringen (2013) van Willem van Toorn staat het gedicht ‘In memoriam Adriaan Roland Holst’, geschreven toen Van Toorn verbleef in het A. Roland Holsthuis, welk onderkomen dichters en vertalers (vooralsnog) met een beetje subsidie voor een maand kunnen huren. Het is het enige gedicht dat ik ken, waarin een illegale uitgave centraal staat: In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak (1940) van A. Roland Holst.

Het indrukwekkende in memoriam van Roland Holst slingert van levenskracht langs treurnis naar verslagenheid – en terug. Het roept ook verzet op tegen de bezetter, vaderlandslievend verwijzend naar het Nederlandse volkslied: ‘zij houden zoo – hun lot, hun eer -/ stand, zonder schild, maar met betrouwen’. Van Toorns gedicht begint met een aanklacht en eindigt met een waarschuwing: ‘[uw gedichten] leesbaar/ misschien pas weer als straks het water/ echt tot de lippen stijgt in Europa’. Deze laatste regels sluiten prachtig aan bij ‘de springvloed’ en de wensdroom van een ontmoeting bij ‘een ronde waterplek’ in het gedicht van Roland Holst.

Willem van Toorn had een slechter gedicht kunnen kiezen. In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak heeft een ingewikkelde drukgeschiedenis. Bibliograaf Dirk de Jong geeft in zijn naslagwerk over illegale en clandestiene letterkunde vier drukken van dit gedicht. De eerste druk liet Roland Holst in 1940 in een kleine oplage drukken door de firma Zwaan & Zn. te Alkmaar. De dichter verdeelde zijn exemplaren onder goede vrienden; er duiken vaak exemplaren met opdracht op. De oplage van de tweede druk, een jaar later bij Stols, is mogelijk nog kleiner: ‘vijf-en-twintig door den auteur gesigneerde exemplaren’.

In 2005 kwam Wilma Schuhmacher, die het vergelijken van veel exemplaren van hetzelfde boek tot kunst verheven heeft, tot de conclusie dat er binnen de eerste druk twee drukken bestaan. Roland Holst zou in 1941, vóór de tweede druk van Stols, zelf opnieuw in beperkte oplage het gedicht hebben laten drukken. Waar De Jong het dus heeft over tweede druk en derde druk, lees ik voortaan: derde druk en vierde druk.

De derde druk van In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak bereikte een groter publiek. Blommestein en Lubberhuizen, drijvende krachten achter de nieuwe uitgeverij De Bezige Bij, brachten in 1944 het gedicht in de reeks Quousque tandem (vrij vertaald: ‘Hoe lang duurt die verrekte oorlog nog?!’) uit in 525 genummerde exemplaren.

Buiten de drukken plaatst bibliograaf De Jong de roofdruk van In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak uit 1942. Een illegale druk van een illegale uitgave, veel bonter kun je het niet maken. Eddy van der Veen en Jacques Frenkel, als ‘Anonymus fecit’, maakten zonder toestemming van Adriaan Roland Holst een herdruk in 50 genummerde exemplaren. Het doel van hun onderneming is mij onbekend. Roland Holst was woedend over deze uitgave. Toen een bevriende kunstenaar hem in 1944 om een exemplaar vroeg, weigerde de dichter ‘noch mijn naam, noch een opdracht’ in het boek te zetten. Hij hekelde ook de zetfouten en de ‘slordige binding’.

Wereldbeeld

Terwijl handelaren en bibliothecarissen zich vanmiddag in de handen wreven over hun aanwinsten uit de bibliotheek van Gerrit Komrij, werden er in Haarlem meer boeken geveild, nog meer boeken, afkomstig van verschillende inzenders, uit verschillende inboedels en nalatenschappen.

Uit het bezit van de ooit gevreesde essayist, de eertijds gerespecteerde criticus Hans Gomperts kwamen boeken met opdrachten van Ter Braak onder de hamer. Ze bleven onverkocht op de nieuwe planken van het veilinghuis staan. Zelfs voor vijf tientjes wilde niemand zich melden voor een handdruk van Ter Braak in De nieuwe elite (1939).

Ik zal wel van de oude stempel zijn, maar ik vond dat stuitend.

Uit het bezit van de artistieke apotheker Oey Tjeng Sit werd een trits opdrachtexemplaren van W.F. Hermans aangeboden. De richtprijzen waren zo laag, dat ik niet eens heb overwogen om te bieden op de door de auteur aangeraakte eerste drukken van De God Denkbaar, Denkbaar De God (1956) en De donkere kamer van Damocles (1958). Een lokkertje van de veilinghouder, daar komen dus veel mensen op af, die samen de prijzen opdrijven. Ik heb het mechanisme vaak van nabij mogen aanschouwen.

En nu heb ik last van een kantelend wereldbeeld.

Hermans is uit. Er zaten exact twee verzamelaars in de veilingzaal, die om en om de leukste opdrachtexemplaren van Hermans kochten, meestal voor de laagste schatting. De God Denkbaar ging weg voor € 150 exclusief 24,2% veilingkosten. De donkere kamer was vandaag € 200 waard. De met een uitvoerige opdracht verrijkte Drie melodrama’s (1957) haalde met € 300 de laagste schatting. Het razend zeldzame erratumvel, achterin dit exemplaar geplakt, liet Hermans zelf drukken. Met een beetje goede wil kan een bibliograaf het velletje beschouwen als een zelfstandige uitgave in eigen beheer.

Potloodstreepje

Gij zult niet in boeken schrijven. Het is een van de tien geboden voor de bibliofiel. De stenen tafelen, waarin de woorden gebeiteld staan, worden al sinds jaar en dag geconserveerd in de klimaatkast van het Meermanno. Intussen komen er mooie voorbeelden langs van lezers die het gebod hebben overtreden. Zij schreven tijdens het lezen.

In zijn artikel over ‘H. Marsman, D.A.M. Binnendijk en de polemiek rond de bloemlezing Prisma (1930)’, in de bundel Schrift en signatuur. Case studies over moderne handschriften uit de Koninklijke Bibliotheek (2012), gebruikt Sjoerd van Faassen niet alleen briefcitaten om te laten zien hoe Menno ter Braak op het epigonisme van Binnendijk reageerde, maar hij bestudeert ook Ter Braaks exemplaar van Prisma. Vanaf de eerste bladzijde zet Ter Braak – letterlijk – vraagtekens bij Binnendijks inleiding. Zijn marginale krabbels kondigen het betoog aan dat in januari 1931 onder de titel ‘Prisma of dogma?’ in De Vrije Bladen verscheen.

In het fascinerende, boekige gedicht ‘Ik wil paardrijden en in God geloven’ vangt Delphine Lecompte de lading die een enkel potloodstreepje in een boek kan hebben. De onderstreping is van haar overleden grootvader.

Practise what you preach. Het gebod zal ik niet schenden, maar ik kan heimelijk genieten van lezers die dat wel deden, zeker wanneer die lezers schrijvers zijn. De honderden woorden die de eerste vertaler van The Blood of the Lamb (1961), een van de aangrijpendste boeken die ik las, in de marge van zijn exemplaar noteerde… De tientallen paginagrote tekeningen die een verveelde dichter, ’s avonds op zijn hotelkamer, na afloop van een PEN-congres in Wenen, in een bloemlezing maakte…

Reeks

Niemand wil zijn geld terug, na het nieuws van gisteren, maar ik word wel fijntjes herinnerd aan de belofte in het colofon van Geen mooij-schrijverij voor u en mij. ‘Dit eerste deeltje in de reeks OPDRACHTEN’… De volgende deeltjes, wanneer komen die? En van welke auteurs worden handgeschreven opdrachten onder de loep genomen?

Menno ter Braak staat vooraan in de rij, met zijn ongeduldige lorgnet, Jan Hanlo wil ook niet langer wachten, zijn rode sik gaat op en neer. Van Ter Braak heb ik zo’n 25 opdrachten paraat, waaronder alle aan Vestdijk, een aan Greshoff, een aan een Rotterdamse scholier en een aan Ter Braaks schoonvader, dominee J.L. Faber. Van Hanlo niet meer dan 8 – maar alle 8 heel kleurrijk en leuk.

Albert Verwey ligt voor de hand, want opdrachtexemplaren van hem zijn zeer courant. Momenteel zijn er zeker 10 te koop, in prijs variërend van 15 tot 395 euro. Helaas zijn de opdrachtteksten doorgaans obligaat, kort en saai. Het nieuwe licht dat ze op Verwey kunnen werpen is zo zwak als een peertje. Het is wel idioot dat er nu net twee exemplaren van Verwey’s treurspel Johan van Oldenbarnevelt (1895) worden aangeboden: eentje met opdracht aan de broer van de schrijver, eentje met opdracht aan zijn schoonmoeder. Eerstedagsexemplaren: beide gedateerd ‘Noordwijk aan Zee, 29 Sept. ’95’.