Intimi

In het mooie vriendenboek LHW70. Een liber voor een libertijn (2015) beschrijft Arjan Peters zijn eerste ontmoeting met L.H. Wiener in oktober 1990. Peters, jongste bediende bij het weekblad Vrij Nederland, moest de schrijver interviewen naar aanleiding van zijn nieuwe verhalenbundel Misantropenjaren (1990). Het werd een memorabele avond met zware sigaren en dito wijn. ‘Het leven is mooi, maar men moet leren hoe het te vergallen’ kwam er boven het gepubliceerde vraaggesprek te staan.

Vijfentwintig jaar later koestert Arjan Peters niet alleen warme herinneringen aan de kennismaking, maar ook een tastbare. Per post ontving Peters Misantropenjaren ‘in een speciale gebonden editie’ en voorzien van een opdracht.

Misantropenjaren, de eerste bundel verzamelde verhalen van L.H. Wiener, verscheen half of eind oktober 1990 bij uitgeverij Bert Bakker. De paperback van bijna 400 bladzijden lag voor f 39,90 in de boekhandel. Van een ‘gebonden editie’ was, ook in recensies van en advertenties voor het boek, geen sprake.

De verantwoording op bladzijde 393 van Misantropenjaren maakt niet melding van luxe-exemplaren of een gedeelte van de oplage dat speciaal voor de auteur en medewerkers van de uitgeverij werd gebonden. Nu biedt de achterin LHW70 opgenomen bibliografie evenmin uitkomst, omdat de bibliograaf van L.H. Wiener geen oog heeft voor band en bindwijze.

De schrijver zelf is wel gevoelig voor mooie boekbanden. In het hoofdstuk ‘Bert Bakker 1982-1994’ in Herinneringen aan mijn uitgevers (2008) schrijft Wiener:

Misantropenjaren wordt een prachtig boek, waardoor ik plotseling weer volledig besta. Als extra geste laat Bert Bakker tien exemplaren inbinden om weg te geven aan intimi.

Het betreft hier dus een officiële, niet in de handel gebrachte luxe oplage.

Arjan Peters was in 1990 een van de tien uitverkorenen. Bert Bakker zelf ook, bleek in mei 2014 bij de openbare verkoop van zijn eigen boeken. Bakkers exemplaar van Misantropenjaren is garenloos in zwart linnen gebonden. In dezelfde strakke letters als die op het oorspronkelijke omslag staan auteursnaam en titel verguld op rug en voorplat van de band.

Op de voortitel staat deze fraaie opdracht van auteur aan uitgever:

Amsterdam, 26-10-’90
Beste Bert,
Hier een mooie
hard-cover voor je verzameling.
Bedankt voor het verzorgen
ervan.
Als ik je er een plezier mee
kan doen zal ik graag
beroemd worden.
Lodewijk

Bibliocide

Ruim zeven jaar voordat Gerrit Komrij zijn ongeneeslijke kwaal beschreef en drie decennia voordat Boudewijn Büch op televisie zijn witte handschoentjes toonde als symptoom van die besmettelijke ziekte, waarschuwde Lodewijk Henri Wiener al voor bibliofilie. In het korte verhaal ‘Boekenmeppers’, opgenomen in de bundel Man met ervaring (1973), doet de ik-figuur een poging om op een veiling een eerste druk van Charles Dickens te bemachtigen. Tevergeefs: er zit een bibliofiel in de zaal. Deze gewelddadige gedachten schieten vervolgens door het hoofd van de onderbieder:

Zo begon ik me te verlustigen aan een beeld waarbij ik hem langdurig neersloeg tot hij helemaal beduimeld was, daarna naaide ik hem in in een dwangbuis en sleurde ik hem aan zijn ezelsoren naar de top van een ivoren toren om hem er vervolgens af te drukken, zodat hij beneden in pastei viel.

De rest van het verhaal (over ‘het menselijk tekort’, aldus Wiener op de achterflap) is een pleidooi tegen boekenliefde. Bibliofielen zijn

zeer zielige personen die weliswaar voortkomen uit de gelederen der ware literatuurliefhebbers, maar zichzelf op een dood spoor hebben gerangeerd. Zij zijn afgedwaald van het rechte pad, hoofdzakelijk ten gevolge van een verzamelmanie waaraan het merendeel van hen lijdt en die ze bij voortduring influistert dat latere drukken van hetzelfde boek hetzelfde boek niet meer zijn en dat ze dus die eerste uitgave moeten zien te bemachtigen.

Wiener onderscheidt drie stadia van steeds verregaander boekenliefde: bibliofilie, bibliofobie en bibliocide. In het eerste stadium sluit de bibliofiel zich op met zijn aanwinst, in het tweede stadium bevangt de angst hem het boek door lezing te beschadigen, in het derde en finale stadium pleegt hij een boekenmoord.

Hij brengt het boek om door eenvoudig een glazen wand weg te schuiven en het daarachter voor immer een plaats te geven, zodat niemand anders er meer bij kan. Bibliofielen hebben blauwe baarden.

Als dit verhaal enigszins op waarheid berust, vinden de ik-figuur en de auteur elkaar hier in hun afkeer van bibliofielen. Het roodaangelopen gezicht van de onderbieder heeft dezelfde gelaatstrekken als de schrijver met zijn fietsstuursnor op het omslag.

Was hij vroeger de bestrijder, tegenwoordig is Wiener de verspreider van het leed dat bibliofilie heet. Want de schrijver omringt zich met verzamelaars van zijn werk. Hun boekenhonger wordt gestild door drukkers als René Hesselink, Theo Rabou, Boris Rousseeuw en Wolfram Swets. Zo raken zijn fans helemaal van het padje af. En Wiener is zo vriendelijk om belangeloos teksten af te staan voor dit marginale drukwerk. Belangeloos? Wiener kan zijn drie fasen van bibliofilie eindelijk aan de dagelijkse praktijk toetsen. Het is een biblioseksueel complot.

Toen ik vorig jaar, na vlotte bemiddeling van de schrijver, een archiefexemplaar van Wieners in een oplage van zeven stuks gedrukte boekje Wapenbroeders. Een feestrede voor A.L. Snijders (2013) kon bemachtigen, wilde Wiener mij prompt promoveren tot bibliofoob. Hij schreef mij:

Als ik nog eens een signatuur moet zetten onder jouw unieke exemplaar van Wapenbroeders, om de exclusiviteit nog wat op te waarderen, dan zeg je het maar. Ik doe het graag.

En toen ik daarna de glazen wand voor de boekenkast opzij schoof om Wapenbroeders een plekje te geven, zag ik mijn reflectie in het glas. Een rilling. Mijn baard was blauw geworden.

Dit stukje verscheen in LHW70. Een liber voor een libertijn (2015), het vriendenboek voor L.H. Wiener met bijdragen van o.a. Roos Custers, Nico Keuning, Nop Maas, Geerten Meijsing, Joubert Pignon, A.L. Snijders en P.F. Thomése.

Wij kraaien koning

‘Ali Baba had veertig rovers en L.H. Wiener heeft blijkbaar veertig vrienden.’ Zo begon een licht bommelende L.H. Wiener afgelopen zondag zijn dankwoord, nadat hem een schitterend vriendenboek was uitgereikt. De schrijver zei ontroerd te zijn en zich vereerd te voelen. In het met talloze foto’s en vignetten geïllustreerde LHW70. Een liber voor een libertijn (2015) worden veertig vriendschappen beschreven, intelligent en beknopt, ludiek en omfloerst.

Wieners ‘huidige vriendin voor het leven’ Annalisa Hemmes vult in haar eentje het volgende hoofdstuk in het vriendenboek: zij beschrijft een fietstocht (13,5 km) door Haarlem en omstreken, langs plekken die in Wieners leven en werk een rol spelen. Volgen nog ‘een biografisch mozaïek’ van Flip Hammann, dertien Tzum-columns van Wiener, de bij elkaar geharkte mededelingen van het L.H. Wienergenootschap plus een primaire en secundaire bibliografie van de hand van Rob Huizinga.

Voor de liefhebbende verzamelaar heeft vormgever Theo Rabou op de binnenzijde van het stofomslag van LHW70 de reguliere en bibliofiele uitgaven van L.H. Wiener afgebeeld. Alles op schaal en in kleur. Ik hoorde al dat een paar bibliofielen sinds zondag koortsachtig speuren naar Rare vogels (2012), Wapenbroeders (2013) en Tante Loes (2014). Die boekjes gaf Rabou in eigen beheer uit in oplagen van 9, 7 en 12 genummerde exemplaren.

Deze aantallen haal ik uit de respectieve colofons en niet uit de in LHW70 opgenomen bibliografie. Die ontbeert enkele basale onderdelen, zoals het aantal pagina’s, de bindwijze en (indien bekend) de oplage van een boek. Misschien is het beroepsdeformatie, maar ik wil in een titellijst graag onderscheid kunnen maken tussen een paperback van uitgeverij G.A. van Oorschot en een bibliofiele uitgave van De Carbolineum Pers. Je hebt een blauwe baard of niet.

Evengoed verdient de bibliograaf lof voor het opsporen van die ene jaargang van Janus. Orgaan van de C.L.V. 1e Christelijk Lyceum te Haarlem. In 1963 en 1964 stuurde Lodewijk Wiener elf gedichten in voor de schoolkrant. Vier van deze poëtische taalpuzzels zijn in LHW70 in facsimile afgedrukt. Dit is ‘Wij kraaien koning’:

in ons ijverig konijnendomein
kraaien wij kraaien koning
enen
het bloeddoorlopendroodblozen
kleurt fleurig konijnenkonen

Ruimschoots

Een dezer dagen verschijnt In zee gaat niets verloren, het nieuwe boek van L.H. Wiener, waarvan de proloog werd voorgepubliceerd. Daarin drijft de schrijver als driejarige jongen op de buik van zijn vader. ‘We waren met z’n tweeën, in de hele zee’ is een van de mooie zinnen uit deze prelude.

In Wieners wereld is de zee van groot belang. Zonder zee kan niet gevaren worden. In de bibliofiele uitgave Body and soul (2014) beschrijft Wiener hoe hij op 4 mei 1958, tijdens een zeiltocht voor de kust van Zandvoort, bijna verdronk. Wieners alter ego Victor van Gigch mag dan slechts op papier bestaan, zijn zeiljacht Archimedes (‘een stalen knikspant van achtentwintig voet’) is echt. In het verhaal ‘Wegens mensenkennis gesloten’ is de Archimedes ‘the good ship’, aan boord waarvan Wiener ook zijn verhalen schrijft.

Beroepshalve herlas ik Wieners Herinneringen aan mijn uitgevers (2008). Geen fictie, geen zee. Voor het eerst viel me nu op dat ook Wieners taalgebruik en woordkeus nogal nautisch zijn. In het voorwoord is sprake van de ‘barre tocht’ langs onwelwillende uitgevers, over een ‘oceaan van weifelmoedigheid, arglist en onwil’. Een bevriende tijdschriftredacteur bemiddelt: ‘Ik vaar op Peter Verstegens koers.’ Koel antwoord op een afwijzing: ‘Geen man overboord.’

Je gaat het pas zien als je het doorhebt. In De verering van Quirina T. (2006) is Quirina Taselaar een ‘boegbeeld van schoonheid’ en wil Van Gigch ‘schoon schip maken’.

De achttiende paragraaf in het boek Shanghai Massage (2011) bestaat uit fragmenten van de afscheidsrede van leraar Ezra Berger op het Lourens Coster Gymnasium, afgewisseld met commentaar erop. Na een behoorlijk cynische opmerking van Berger ‘kabbelt er wat vrolijkheid door de rijen’. De nieuwe rector van het gymnasium is ‘kapitein op dit schip, nadat de vorige is gekielhaald’. Dat het terloops gebruikte ‘ruimschoots’ eveneens een ‘nautiese term’ is, legt de schrijver vervolgens zelf uit. De schrijver, wiens leven zich dan ‘in een soort droogdok bevindt, om de averij vast te stellen opgelopen in een onafwendbare stranding’. Op de spiegel van zijn schip staat intussen de naam Argos.

De afgelopen weken mocht ik – onder werktijd – bladeren en lezen in originele typoscripten en oorspronkelijke handschriften van L.H. Wiener. Over de schouder van de schrijver meekijken in zijn ordner ‘oude verhalen’ en zijn eigen werkcahiers, bij elkaar net geen duizend vel beklad papier: een literair-historische sensatie. Vandaag, des schrijvers zeventigste verjaardag, wordt dit uitzonderlijk privilege voor een beschaafd bedrag ter overname aangeboden.

In ‘Wegens mensenkennis gesloten’ maakt Wiener gewag van het cahier dat hij in 1984 in gebruik nam:

mijn kolossale Schrijfboek op folioformaat. De Atlanta a 1044-17 200 bl, gekocht bij de firma Muys aan de Gedempte Oude Gracht te Haarlem (u weet wel, die zaak die altijd dicht is) voor het luttele bedrag van zegge tweeënnegentig gulden.

Mijn beschrijving van het volgeschreven cahier is iets technischer. Ik kon de neiging om Wieners schrijftrant te imiteren goed onderdrukken. Het nautisch woordenboek heb ik bewust gemeden. Wel leek me, bij dit Schrijfboek dat soms ook een dagboek is, het woord logboek precies op zijn plaats.

Wolfram

Sinds de verschijning, op 19 augustus jongstleden, van het derde en afsluitende deel van de bibliografie van Sub Signo Libelli kan iedereen van het fonds van deze private press genieten. Althans, van de beschrijving van elke afzonderlijke SSL-uitgave, tot en met dat onvindbare curiosum met een oplage van vijf exemplaren.

Maar van sommige private presses is de bibliografie al even marginaal als de uitgaven die erin beschreven worden. Van de Utrechtse pers Hugin & Munin verscheen in 2010 een bibliografie in niet meer dan 45 exemplaren. De checklist van uitgeverij 69 (in 2010 omgedoopt in Tungsten) bestaat niet eens op papier. Wolfram Swets zond zijn vaste afnemers onlangs gewoon een Word-bestand.

Is dit dan het einde van Tungsten, vroeg ik me af. Wel, niet echt. Van 2005 tot en met 2013 rolden er 65 exclusieve uitgaven van de pers van Swets. Vooral de poëzie van Amerikaanse auteurs als Joseph Massey en Robert Pinsky raakte vrijwel meteen uitverkocht. Maar het afgelopen jaar had de drukker nogal eens pech. In juli werd er asbest aangetroffen in zijn atelier, zodat zijn degel stil kwam te staan. De zomermaanden verstreken zonder nieuwe uitgaven, zonder verkopen. In september dreigde Swets de stekker uit de Nederlandse tak van Tungsten te moeten trekken.

Het was K. Schippers die Swets overhaalde tot het maken van een poecard. Dat is een soort ansichtkaart met een gedicht voorop (poem-card). Ingmar Heytze en Ellen Deckwitz komen volgend jaar met de gezamenlijke dichtbundel Conserven bij Tungsten. En van L.H. Wiener verschijnt binnenkort een speciale plano. De laatste exemplaren van Ippon, de meest recente samenwerking tussen Swets en Wiener, worden bij deze door de uitgever aangeboden. Wolfram Swets lust 2014 rauw.