Opdracht van Gerrit Komrij

Ivan Wadiemovitch Sitniakowsky schreef een paar duizend boekbesprekingen, nam honderden schrijversinterviews af en publiceerde één boek. In het 32 bladzijden tellende Opdracht van W.F. Hermans (1999) verzamelde hij anekdotes over zijn ontmoetingen met de schrijver en somde hij op welke boeken hij van Hermans cadeau kreeg, al dan niet van opdrachten voorzien.

Behalve van het werk van Hermans was Sitniakowsky een liefhebber van dat van Gerrit Komrij, met name van diens poëzie en essayistiek. Op 6 januari 1973 besprak de 28-jarige recensent, freelancer nog voor De Telegraaf, de vierde dichtbundel van de 28-jarige dichter:

Ik heb aan die bundel een plezierig uurtje beleefd, niet in het minst omdat alles er anders verloopt dan in de hooggestemde “officiële” wereld der Nederlandse dichtkunst. Er zitten in deze bundel naar mijn smaak geen clichés, niet in de manier waarop hij regels laat rijmen of bijna net niet rijmen, noch in de beelden en gedachten zelf.

Niet door Sitniakowsky ondertekend maar ongetwijfeld ook door hem geschreven was het bericht van 26 januari 1974 dat er de laatste tijd een ‘kleine opleving’ in de belangstelling voor ‘bibliofiele boeken’ te bespeuren viel. Als enig voorbeeld werd genoemd de door C.J. Aarts uitgegeven bundel Op de planken (1973) van Komrij. Toen later dat jaar Daar is het gat van de deur (1974) verscheen, stelde Sitniakowsky Komrij’s kritieken en essays op het niveau van Mandarijnen op zwavelzuur.

En hij bleef Komrij loven en prijzen. In Fabeldieren (1975) stonden, volgens Sitniakowsky, ‘geen mislukte gedichten’. Horen, Zien en Zwijgen (1977) was ‘weergaloos’ en moest verplichte lectuur worden voor iedereen in Hilversum, ‘van omroepbons tot programmamaker’. Dood aan de grutters (1978) noemde hij een charmant pamflet. De vette kop boven de door ‘I.S.’ geschreven recensie van Papieren tijgers (1978) luidde ‘Vorstelijke essays van Komrij’. De gelukkige schizo (1985): ‘een schitterend boek vol venijnige uitvallen’. Intimiteiten (1993): ‘uitzonderlijk’ (‘zoals het gehele oeuvre van Komrij’). In zijn boekbesprekingen wees Sitniakowsky de lezers van De Telegraaf bovendien op het bestaan van genummerde en gesigneerde luxe-edities.

Op 19 januari 1979 vroeg Sitniakowsky zich op de pagina ‘Uit de kunst’ hardop af waarom Komrij, na ‘een waanzinnig produktief jaar’, nog steeds geen literaire prijs had gewonnen. Aan het slot van zijn betoog signaleerde hij een verzamelwoede bij Komrij-lezers:

Zijn nog maar kort geleden in beperkte oplage verschenen dichtbundels zijn al gezochte verzamelobjecten geworden, die voor gepeperde bedragen van de hand gaan.

En als het niet zo was, dan was het nu wel zo. Het stond immers zwart op wit in De Telegraaf.

Uit zoveel waardering moet haast wel een vriendschap ontstaan. Dat gebeurde. Sindsdien werd Sitniakowsky’s eigen verzameldrift bevredigd door de schrijver zelf. Als een van de weinigen hoefde de recensent niet te betalen voor Capriccio (1979), de zo fraai door Sub Signo Libelli gedrukte homo-erotische gedichtencyclus. Hij kreeg een luxe-exemplaar hors commerce, waarvan er slechts vijf waren gedrukt.

Het neusje van de zalm van de laaglandse boekdrukkunst en de krant van wakker Nederland was overigens een wonderlijke combinatie. De enige keer dat meesterdrukker Ger Kleis tot het herdrukken van een SSL-uitgave besloot was nadat daarover op 27 februari 1981 in De Telegraaf had gestaan: ‘fraai uitgegeven voor weinig geld’. Het betrof twee gelegenheidssonnetten van Willem Kloos, voor wie geen enkele reguliere uitgever op dat moment belangstelling had. Sitniakowsky zou nog een paar keer over Sub Signo Libelli-uitgaven schrijven, altijd enthousiasmerend.

In een zojuist verschenen Komrij-catalogus staan twaalf titels met een handgeschreven opdracht van Gerrit Komrij aan Ivan Sitniakowsky. De inscripties variëren van het beknopte ‘Voor I.’ tot ‘voor Ivan,/ als herinnering aan een/ paar heerlijke/ februari-dagen!’. Deze laatste opdracht staat in De pagode (1990), een souvenir dat Sitniakowsky overhield aan een verblijf in Vila Bouca da Beira. Op 2 maart 1990 vulde Sitniakowsky de pagina ‘Uit de kunst’ met een groot interview met Komrij, waarbij ‘exclusieve foto’s’ werden afgedrukt, en een voorpublicatie van Komrij’s nog te verschijnen roman Over de bergen (1990).

Van een enkel boek kreeg Sitniakowsky, blijkens de opdracht, zelfs het allereerste exemplaar.

In deze verkoopcatalogus zit een boek verstopt. Het tweede boek van Ivan Sitniakowsky, dat ongeschreven bleef.

Maatpak

De werkwijze van de man achter de private press Sub Signo Libelli is door niemand beter geobserveerd en beschreven dan Gerrit Komrij:

Wat me vooral opviel was dat hij zich bij elk boek [van zijn eigen pers] gedroeg alsof het zijn eerste was, alsof hij daarvoor nooit iets gepresteerd had. Altijd dat zoeken naar nieuwe oplossingen, die ontevredenheid over gevonden oplossingen, die verbazingen over een mogelijkheid, die onzekerheid over een toepassing, dat voornemen om nu eens iets écht moois te gaan maken – hij leek daarin nog het meest op een dichter. Dichters beginnen ook steeds bij elk gedicht opnieuw met hun hele dichterscarrière. Van voren af aan, als het eerste boekje.

Nu de trapdegel en de zetbokken zijn verkocht, het archief van Sub Signo Libelli is ondergebracht bij Museum Meermanno en de laatste SSL-bibliografie is verschenen, is het tijd om de man zelf aan het woord te laten. In het gisteren bij de abonnees bezorgde decembernummer van De Boekenwereld staat een groot interview met Gerrit Kleis. Ik reed op 18 oktober jongstleden naar het Drentse dorp Geesbrug om met Kleis te praten. Onder heel veel meer vertelde hij:

Ik heb geprobeerd om van elke uitgave een individu te maken. Dus bij SSL zul je zelden een uitgave tegenkomen die gelijk is aan een vorige. Het is allemaal verschillend, omdat ik gezocht heb naar een nieuw jasje voor elke tekst. Het is uiteraard veel meer dan een jasje. Het is een maatpak. Met vormgeving in kleur, formaat, papier en typografie heb ik getracht een tekst toegankelijker te maken.

In wezen zeggen Komrij en Kleis hetzelfde. Dat een nieuw vel papier altijd blanco is.

Overigens leek Kleis niet alleen op een dichter, hij was het ook. Tijdens het gesprek in de houten schuur pakte Kleis de bloemlezing Vermoeden van tijd. Poëzie van jongeren (1962) uit de kast. Als Pieter Nagel staat hij erin met negen gedichten.

Wikipediaf

De bibliofiele bibliograaf op Wikipedia heeft weer toegeslagen. Het lemma over Arnon Grunberg is de afgelopen dagen uitgebreid met een waslijst aan bibliofiele uitgaven. Deze bibliografie van gelimiteerde uitgaven begint met de dichtbundel De Machiavellist (1990) en houdt vooralsnog op bij Simon Carmiggelt en mijn moeder (2013), een inmiddels gezocht kleinood. Het gros van de genummerde boeken en gesigneerde bierviltjes in de lijst is uitgegeven door Kunst Editions in New York.

De eerste afzonderlijke bibliografie van bibliofiele uitgaven, ruim drie jaar geleden, werd door de encyclopedische gemeenschap met vraagtekens en uitroeptekens begroet. Iets nieuws is op Wikipedia per definitie slecht. Een vers lemma is onkruid, dat meteen moet worden uitgeroeid, voor het de kans krijgt te groeien. Maar zodra er overeenstemming is bereikt over het nut van het lemma, verlaten de Wikipedianen de overlegpagina’s, om andere lemmata in twijfel te trekken en nieuwe Wiki-gebruikers te bekritiseren.

Het lemma blijft verweesd achter. Niemand kijkt er naar om; lacunes ontstaan. In de bibliofiele bibliografie van Komrij ontbreekt bijvoorbeeld de meest recente uitgave Een kerkhoflied. Nu had ik hier zelf kunnen ingrijpen, maar ik ben sinds 2011 definitief Wikipediaf.

Wordt de nieuwe bibliografie binnenkort weer afgekraakt? Op de overlegpagina van het lemma Grunberg is het tot op heden rustig gebleven.

Papieren zoekmachine

Begin 2012 verscheen de derde editie van deze vraagbaak voor boekengebruikers en bibliofielen: ten opzichte van de vorige uitgave uit 1996 aangevuld met lemmata, gemoderniseerd en voor het eerst rijkelijk geïllustreerd met boeken en prenten uit de collectie van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Maar een woordenboek lees je niet, al is het uniek in zijn soort, een woordenboek gebruik je. En hoe recenseer je een lexicon? Daarom: de bevindingen van iemand die dagelijks met boeken werkt en die de neiging om alles te googlen een jaar lang moest onderdrukken.

De papieren zoekmachine van Brongers omvat trefwoorden binnen de onderwerpen schrift, tekst, illustratie, drukken, binden, boekhandel, bibliotheek en biografie. De lemmata zijn meestal kort (zelden langer dan een kolom) en al te technisch taalgebruik wordt vermeden (een boekband ‘zorgt er voor dat het boekblok in de kast niet onderuitzakt’). Wanneer binnen een lemma een ander lemma wordt genoemd, dan wordt dit voorafgegaan door een asterisk. In de praktijk beland je, op zoek naar het ene, algauw bij het andere.

Het lemma ‘Antiquaar’ verwijst, na de eenregelige omschrijving, niet alleen naar ‘Antiquariaat’, maar ook naar ‘84 Charing Cross Road’, het ontroerende boek van Helene Hanff. De belangrijkste lemmata geven nuttige referenties naar standaardwerken en (soms wat obscure) tijdschriftartikelen – iets wat Google niet kan.

Maar je grijpt ook een paar keer mis, vooral waar het personen betreft. Typografisch ontwerper Piet Zwart heeft het Boekwoorden woordenboek gehaald, Paul Schuitema niet. Bibliomaan Boudewijn Büch komt uitgebreid aan bod, maar over de bibliofiel Gerrit Komrij geen woord. Wel Fré Cohen, niet M.C. Escher. Niet André Swertz, wel Max Schumacher (sic).

In de voor deze editie geschreven inleiding gaat Brongers in op nut en plezier van het boek en geeft hij praktische bezwaren tegen e-books, zonder meteen in de bekende bibliofiele stuip te schieten dat alle elektronische en technologische vooruitgang een bedreiging vormt voor het papieren boek. ‘Printing on demand’ en ‘Bookcrossing’ (een recente rage die alweer op zijn retour is) zijn evengoed lemmata.

Als je het boek vaker ter hand neemt, valt je pas op dat Brongers plezier moet hebben gehad in het samenstellen van deze leidraad. Een boekverkopende naamgenoot uit de achttiende eeuw wordt, hoewel van gering belang, om begrijpelijke redenen opgenomen. De boekwoordenwoordenboekenmaker permitteert zich hier en daar een opvoedkundige of kritische noot: bij het lemma ‘Boekenzoekdienst’ merkt hij op dat deze online zoekservice ‘natuurlijk niets meer met geduldig speuren of sneupen’ te maken heeft. Voor de veganisten (onder ‘Stencil’) die vanwege het gebruik van dierlijke gelatine bezwaar maken tegen offset heeft Brongers een scherpe vraag: ‘hoe zit dat met de bijen, die de was voor het stencil leveren en waardoor hun nest vernietigd wordt’?

Een grapje mag ook: ‘Asterisk Lett sterretje: * . Niet Asterix; dit is een populaire gallische *Stripheld’.

Deze bespreking van J. Ayolt Brongers, Boekwoorden woordenboek. Handleiding voor boekensneupers (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 4 (juli 2013).

Herbonden

Telkens wanneer ik Gerrit Komrij sprak, nodigde hij me uit om eens naar Vila Pouca da Beira te komen. Boeken kijken. En telkens nam ik aan dat het een beleefdheidsfrase was. Nu is hij alweer een jaar dood.

De bibliotheek van Komrij heb ik voor een deel aanschouwd, eind november 2012, in Haarlem, in het kapitale pand van het veilinghuis. Met een scheef hoofd ben ik langs alle planken gegaan. Boeken kijken, maar ook de kunst van het verzamelen afkijken. Niet zozeer Komrij’s kennis van het boek was jaloersmakend, want kennis kun je eenvoudig kweken, maar zijn smaak.

En toch bracht de (eerste) veiling van Komrij’s boeken minder op dan verwacht. Of dat eenvoudigweg komt, zoals Arjen Fortuin toen schreef, doordat ‘de markt voor antiquarische boeken verzadigd is’? Gut, hier of daar staat misschien een overvolle boekenkast, maar verzadiging? Zolang ik wekelijks boekenjagers en -verzamelaars tegen het lijf loop, gaat die constatering er bij mij niet in. Een andere reden dan?

Misschien lag het aan de boeken zelf, dat zij geen nieuwe eigenaar vonden. Bij mijn inspectie in Haarlem ging mijn hoofd bij enkele exemplaren iets schever staan. Deze boeken waren herbonden. Het oorspronkelijke omslag, of de originele band, was verloren gegaan of verwijderd. Een boekbinder had de overgebleven katernen weer vakkundig bij elkaar gestoken. En zo was een kwetsbaar of kapot boek weerbaar gemaakt.

Soms leek het of de Pie Schmitz van Portugal aan de gang was geweest. (Pie Schmitz is de dyslectische boekbinder die de volledige boekerij van lesmethodemiljonair H.J.M.F. Lodewick van nieuwe linnen banden voorzag.) Boekbinderij Invicta Livro in Porto vergaloppeerde zich weleens door een sober boek in een knalrode halflederen band met platten van fluorescerend marmerpapier te steken.

Tja. Hoe streng in de leer ook, elke hooggestemde bibliofiel heeft een kast met lelijke boeken. Nieuwe paperbacks, herbonden zeldzaamheden, beduimelde deeltjes Nimmer Dralend. Er is niet alleen maar buitenkant. Je moet af en toe ook een boek lézen.

Roos Custers, vorige maand op pelgrimage naar Vila Pouca, noteert vandaag in een fijn bericht: ‘de boekenkasten worden weer mooi uitgevuld’. Zou dat betekenen dat de volgende veiling van Komrij’s boeken, toch al ‘uitgesteld voor onbepaalde tijd’, helemaal van de baan is?