Drie recorders

Een maand nadat Gerard Reve de bandjes van Boudewijn Büch had volgepraat, publiceerde Büch in het weekblad De Tijd zijn ‘Afscheid van Gerard Reve’. Daarin beschrijft hij zijn eerste kennismaking met Reve en reconstrueert hij de totstandkoming van het beruchte interview. Wie Büchs artikel na al die jaren integraal leest, blijft wat vertwijfeld achter. Büch, terugblikkend:

Reve is het eerste uur onrustig. Het geklungel met drie recorders (het gesprek werd opgenomen op twee professionele recorders en één pocketrecorder; dit vanwege eventuele rampen en het vermijden van gemiste passages bij het verwisselen van de banden) duurt een tijdje.

Eén gesprek, twee microfoons, drie recorders. De bandopnamen voor het KRO-radioprogramma Spektakel overhandigde Büch aan Ernst Braches – in plaats van ze terug te geven aan regisseur Louis Houët. De cassettebandjes hield hij een tijdje zelf, om ze vervolgens aan een antiquaar te schenken. Waar is dan de derde set opnamen?

De [KRO-]banden en het integrale typoscript van het interview – zo heb ik besloten – schenk ik aan de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Ze mogen voor het eerst één uur na Reve’s overlijden worden geraadpleegd. Misschien dat geleerden deze affaire dàn kunnen ontraadselen.

In de loop van 8 april 2006, verordonneerde Büch in 1983, had het rode zegel op het blauwe pak al gebroken mogen worden. Bij de overhandiging van de inmiddels verzegelde KRO-banden aan Braches in 1984 werd, herinnert Klaas Koppe zich, gesproken over een termijn van dertig jaar. Maar in 1985 schreef iemand op de verpakking van de opnamen:

Niet te openen zonder toestemming Büch.

Ik zoek nog een paar geleerden om deze affaire te ontraadselen.

Twee microfoons

Eén gesprek, twee interviews. Voor Het Parool zou Boudewijn Büch Gerard Reve op 5 januari 1983 over politiek bevragen en voor de Katholieke Radio Omroep zou hij de schrijver over literatuur en religie aan de tand voelen. Daar kwam gedoe van.

In de inleiding van de gisteren uitgezonden radiodocumentaire ‘Schrijft U dat maar gerust in Uw krant’ is sprake van ‘de verzegelde banden [cursivering van mij]’ waarop Büch zijn ontmoeting met Reve vastlegde. Eerder, elders ging het vaak over ‘de Reve-tapes’ – alsof het hier geheime opnamen betrof.

In de heisa over de uit de kluis van Bijzondere Collecties geviste opnamen, na vierendertig jaar vrijgegeven, is geen ruimte voor het droge feit dat er naast de verzegelde bandopnamen ook andere opnamen van het gesprek bestaan. Ik wist het, het staat allemaal in Boud (2016), maar ik liet me meeslepen.

Bij deze foto van Büchs lijffotograaf Klaas Koppe, die de ontmoeting tussen Büch en Reve vastlegde, begon het me weer te dagen. Er staan twee microfoons op tafel. Büch had, aldus Koppe in het bijschrift (mirror), naar Schiedam zowel zijn Nagra als zijn gewone cassetterecorder meegenomen. De verzegelde banden schonk Büch, getuige deze foto, op 13 juni 1984 aan bibliothecaris Ernst Braches. De andere bandjes nam hij mee naar huis.

Administratie

Een kwart eeuw na de verschijning van Alice in Wonderland (1865) wilde Lewis Carroll er een nieuw boek van maken: geschikt voor en geadresseerd aan kinderen tot 5 jaar, met een ingekorte en vereenvoudigde tekst, met extra grote illustraties. Nog voordat The Nursery “Alice” (1889) naar de drukker ging, begon Carroll op 21 juni 1889 met het noteren van de namen van vrienden en familieleden die een presentexemplaar moesten ontvangen. Dit bruine schriftje, dat inzichtelijk maakt wie tot Carrolls inner circle behoorde, komt vanmiddag onder de hamer bij Sotheby’s (mirror).

Hoewel het document ook al in 1946 werd beschreven en per opbod verkocht, is het nooit beschikbaar geweest voor onderzoek. Het veilinghuis zet nu vooral in op de waarde van het schriftje als biografisch document (‘a fascinating snapshot into Carroll’s private life‘). Maar Carrolls schriftje is natuurlijk ook de natte droom van boekwetenschappers en Alice-verzamelaars. Niets is zo mooi als de handel en wandel van een exemplaar reconstrueren, laat staan van een halve oplage. (En wie weet vind je aan het eind van de rit een exemplaar voor jezelf, te koop of te geef.)

Voordat mijn zoektocht naar het debuut van Remco Campert mijn leven begon te domineren, had ik al een lijstje gemaakt van bekende exemplaren van Hermans’ Dinky Toys (1976) – voor het laatst geüpdatet in 2014. Kees Lekkerkerker stelde zich als jonge Slauerhoff-specialist ten doel om de 15 ‘in sirenenhaar’ genaaide exemplaren van Soleares (1933) te vinden. Hij kwam niet verder dan nummer 7 (in het bezit van zijn penvriend, de Arnhemse ambtenaar Pleun van Toledo) en nummer 10 (op naam van Emile van der Borch van Verwolde). Ik ken iemand die niet zal rusten voor hij alle 250 genummerde exemplaren van De Ode (1919) van Louis Couperus heeft getraceerd. Die census is pas echt een uitdaging.

Nooit is in beeld gebracht waar zich de enkele niet-vernietigde exemplaren van de eerste druk van Pijpelijntjes (1904) bevinden, terwijl zo’n staatje op de achterkant van een bierviltje past. Zelfs van de personen die op 1 november 1947 een eerste druk van De Avonden (1947) van de auteur kregen bestaat geen index. Binnenkort breng ik daar verandering in.

Van mijn eigen drukwerk bestaan al geheime distributielijsten met nummers en namen. Er is een waterdichte administratie. De Koninklijke Bibliotheek te Den Haag ontving van de laatste twee Artistiek Bureau-uitgaven nummer 13 van de oplage, omdat particuliere verzamelaars in het ongeluksgetal geloven. De zelfbenoemde bibliograaf kreeg vaak nummer 7 of 8. In de derde kolom van dit overzicht hield ik bij wanneer welk exemplaar aan de eerste eigenaar werd overhandigd of verzonden – net als Lewis Carroll deed.

De allerbeste aller tijden

Onderscheid tussen hoge en lage cultuur, zoals dat in de boekjes staat, heeft Nanne Tepper nooit gemaakt. Hij bekommerde zich niet om etiquette en etiketten. Soapseries, opera, ballet, voetbal, hiphop, klassiek – hij nam het met dezelfde ernst. Van de term ‘guilty pleasure’ had hij gegruweld, want die bestaat bij de gratie van andermans maatstaven, van een norm. Iets of iemand was goed of niet, meer categorieën had hij niet.

Wanneer Tepper in 1993, op een vraag in een brief van Marc Kregting, opsomt wie zijn helden zijn, noemt hij Faulkner, Pynchon, Joyce en de Russen in één lange adem met

Paul Verhoeven. En Floris. En Cruijff.

Op 24 mei van dat jaar meldt Tepper dat de Grote Drie eindelijk boven zijn werktafel hangen: een handgeschreven brief van Gerard Reve, een portret van Vladimir Nabokov en een portret van Johan Cruijff. Maar nog geen zeven maanden later wordt Tepper ‘moordlustig’ van het feit dat Cruijff ‘een oplichter’ is. Aan zijn redacteur in Arnhem schrijft hij:

De foto van Cruijff haal ik boven mijn werktafel weg, dat spreekt. Een diepe liefde van vijfentwintig jaren abrupt verbroken.

Het grote nieuws van 19 december 1993 was het bericht dat Johan Cruijff, na vergevorderde onderhandelingen met de KNVB, niet de nieuwe bondscoach van het Nederlands elftal zou worden. Cruijff zou de in het vooruitzicht gestelde salariëring onvoldoende hebben gevonden. Hij stelde zijn eigen belangen boven het landsbelang.

Nanne Tepper ziet en hoort Cruijff vanuit Barcelona zijn kant van het verhaal vertellen in een interview met Frits Barend en Henk van Dorp. Als Cruijff over ‘meeverdienen’ begint, schiet dat Marco van Basten in de studio in Hilversum in het verkeerde keelgat. De voetballer is ernstig teleurgesteld en vraagt zich openlijk af of het Cruijff nu alleen maar om de centen te doen is. Aan Kregting, 31 december 1993:

dat hij [= Van Basten] Cruijff de mantel uitveegde bij Barend en Van Dorp is voor mij aanleiding om hem mijn eeuwige liefde te verklaren.

In 1995, wanneer zijn vriendin Sonja ziek wordt, verzucht Tepper dat hij tegenwoordig meer vergevingsgezind is dan vroeger. Maar de Schepper heeft hem teleurgesteld, het schilderij van Christus aan het kruis wordt van de wand gehaald, want

Ik kan veel verdragen en heb oude vetes met nog oudere goden achter mij gelaten (behalve die met Cruijff), maar Jezus heeft geen recht van hangen in mijn huis.

Zo verdwenen J.C. en J.C. uit het werkpaleis van Nanne Tepper. De voetballer Johan Cruijff bleef ‘de allerbeste aller tijden’, maar als mens had hij voorgoed afgedaan.

Verhaal halen

In mei 1980 verscheen bij De Bezige Bij de bloemlezing Verhaal halen, met bijdragen van Jan Arends, C. Buddingh’, Remco Campert, Jan Cremer, Hugo Claus, Kees van Kooten, Harry Mulisch en vele anderen. Van Willem Frederik Hermans werd in dit boek het korte verhaal ‘Paramaribo’ opgenomen. Hermans’ presentexemplaar ging vergezeld van een honorariumberekening. Dat Hermans zelf een andere calculatie voor ogen stond, blijkt uit twee boze brieven van Hermans aan De Bezige Bij.

W.F. Hermans rekent in een brief van 11 juni 1980 de nieuwe Bij-medewerker Johannes Witteman voor dat zijn honorarium vreselijk laag is:

Er is f 60 per pagina betaald, d.w.z. in totaal 427 pagina’s tekst f 25620, dat is per exemplaar f 2,281 wat neerkomt op een royalty van slechts 4%… Schandelijk! Een honorarium van f 3,20 zou evenwel, zie bovenstaande berekening redelijk geweest zijn, ja zelfs heel matig. f 3,20 is 2,498 maal zoveel als wat jullie gedacht hadden te moeten betalen.

Wittemans antwoord bevalt Hermans allerminst. Op 26 juni 1980 komt de in zijn uitgever teleurgestelde schrijver met een oplossing:

Om een en ander te vergemakkelijken, wil ik er genoegen mee nemen dat het door mij nagevorde bedrag (f 1119,05 – f 480) = f 639,04 pas na het uitverkocht zijn van de eerste druk op mijn tegoedrekening wordt bijgeschreven. Van de volgende druk wil ik echter een honorarium hebben dat gebaseerd is op 10% van de verkoopsprijs.

Deze brieven worden samen te koop aangeboden door een antiquaar in Loosdrecht, die de hand heeft weten te leggen op enkele archiefstukken van De Bezige Bij. Daarbij zijn ook drie brieven van Gerard Reve en dummy’s van Lucebert en Marten Toonder. In andere, zakelijke brieven van Hermans aan zijn uitgever gaat het over een subsidieaanvraag, filmrechten en de Noorse vertaling van Nooit meer slapen:

Ik hoop dat die [uitgeverij] Guldendal inderdaad wat verkoopt van Nooit meer slapen en ben al blij dat zij, na van “Damokles’ Morkerom” niet veel verkocht te hebben, indertijd, niet bij zichzelf gezegd hebben “Nooit meer Hermans”.

De verkoop van brieven, opdrachtexemplaren en foto’s uit het archief van een literaire uitgeverij is niet nieuw, maar ook niet onomstreden.

Voormalig De Arbeiderspers-directeur Theo Sontrop is al jaren een lichtend voorbeeld. De via Sontrop in de handel gekomen typoscripten van F.B. Hotz zien sommigen liever in het depot van een openbare instelling verdwijnen. Ben Hosman, oud-uitgever bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, deed ook afstand van aan hem opgedragen boeken en unieke luxe-exemplaren van fondsuitgaven. In mei 2014 kwam een grote partij boeken, sommige met begeleidende schrijversbrieven en van intieme inscripties voorzien, uit het bezit van Bert Bakker jr. onder de hamer.