Zoetjes klinkende studentenleut

Zij deed de levende schrijvers en ik de dode. We werkten allebei onze lijstjes af. Zij vond een geschikt gedicht van Tonnus Oosterhoff bij de Carolieweg, ik koppelde het juiste briefcitaat van W.F. Hermans aan de Ossenmarkt. Zo eenvoudig verdeelden Roos Custers en ik in 2011 de taken bij het samenstellen van de Literaire wandeling Groningen. Dus de passage over Nanne Tepper, voorafgegaan door twee zinnen over het Belcampo Stipendium, moest uit de pen van Roos vloeien.

In 1997 was de beurt aan Nanne Tepper, die enkele jaren daarvoor indruk had gemaakt met zijn debuutroman De eeuwige jachtvelden. Zijn stipendiumopdracht mondde uit in de novelle De avonturen van Hillebillie Veen.
Tepper woont nog steeds in de stad Groningen maar mengt zich zelden tot nooit in het literaire leven. Uitgeverij Contact meldt op haar website dat hij werkt aan een nieuwe roman; wij wachten met spanning op dat levensteken.

Onze wandelgids verscheen in mei 2012. In november 2012 pleegde Nanne Tepper zelfmoord. In de voorbereiding van de tweede, herziene druk van de Literaire wandeling Groningen wisselde Tepper van lijstje. Het levensteken werd geschrapt. Maar zijn vermelding bleef staan op pagina 36, waar de literaire wandelaar langs het Provinciehuis komt, de locatie van de tweejaarlijkse uitreiking van het Belcampo Stipendium.

Geen van de vijf wandelingen in de gids leidt naar de wijk Oosterpoort. Daar, op Nieuwstraat 54, in een rijtjeshuis uit 1915, stond het schrijfbureau van Nanne Tepper. Boven elke brief die hij hier tikte stond de huisnaam: Ardis Hall, genoemd naar het huis in de hevig door hem bewonderde familiekroniek Ada (1969) van Vladimir Nabokov.

(In Nabokovs Ardis Hall slaat de vonk over tussen Ivan en Ada, broer en zus – maar dat weten zij dan nog niet. Tepper verwijst in zijn werk geregeld naar Nabokov; op pagina 260 van De eeuwige jachtvelden (1995) wordt Ardis letterlijk genoemd, in een brief van hoofdpersoon Victor aan zijn zus Lisa. Ook zij zijn gedoemd elkaars geliefde te zijn.)

Het zal niet moeilijk zijn om Nanne Tepper in de derde, ooit te verschijnen druk van de gids meer recht te doen. In de eerste wandeling, een rondje door het centrum van Groningen, past het volgende citaat uit De eeuwige jachtvelden, ter hoogte van de Peperstraat en de Grote Markt. De sombere voorspelling is van Hille Veen, aangehaald door Lisa.

Volgens Veen lieten de junkies zich niet meer naar de buitenwijken jagen en kropen ze ’s nachts door het centrum. En volgens een vriendin van hem, die bij de krant werkte, was de Peperstraat – het hart van het centrum – in handen van een bende die, als in een televisieserie, bescherming en portiers leverde, portiers die elke week slachtoffers maakten. Al dat rumoer leek nog aangelengd met zoetjes klinkende studentenleut. Maar, zei Hille, het wachten is op de dag dat de Grote Markt de status van OK Corral verdient en we niet meer staan te lachen bij een schietpartij.

En de volgende zin uit Teppers roman De vaders van de gedachte (1998) zou als motto boven elke wandeling kunnen staan, omdat de openbare bibliotheek aan de Oude Boteringestraat het begin- en eindpunt van elke literaire wandeling is. Aan het woord is de Groningse conferencier Co Starring:

Juist de stijlvolle pogingen van bouwmeesters mislukken: in de nieuwe bibliotheek is geen ruimte meer voor boeken; men moet er in de rij kunnen staan.

Leather bindings

Buzzy Bellew is een gelikte vent. Hij heeft een charmante manier gevonden om zijn energie te beteugelen. Hij zingt, hij danst. Hij bespot zijn meisjes, zonder ze te beledigen. Hij bestelt in het Frans de beste fles wijn van de kaart. En hij heeft een hyperidentieke tweelingbroer.

In de cabareteske film Wonder Man (1945) vertolkt Danny Kaye de rol van de entertainer Buzzy Bellew. Die haalt het eind van de film niet. Als kroongetuige in een rechtszaak tegen een maffioso wordt hij ’s avonds doodgeschoten en in een riviertje gedumpt.

Zijn tweelingbroer Edwin Dingle, volmaakte tegenpool, zit op dat moment nog te studeren in de openbare bibliotheek. Hij werkt aan zijn boek The Outline of Human Knowledge. Om tijd te besparen schrijft hij met zijn linker- en rechterhand tegelijk. In anderhalve minuut zet Danny Kaye een prachtige boekenwurm neer. Het bescheiden genie dat in elke openbare bibliotheek te vinden is.

De bibliothecaresse geeft de wending aan het verhaal. Ze knoopt een praatje aan met Dingle, wiens zwijgen interesse heeft gewekt. Voor het eerst kijkt hij op van zijn boeken, recht in haar blauwe ogen. Haar blonde krullen zijn eigenlijk ook niet mis. Tot ongenoegen van de andere bibliotheekbezoekers ontstaat er een gesprek. Zij al verliefd, hij bijna en nog iets schuchter. De bibliothecaresse hoopt hem morgen weer te zien.

‘Do you think you’ll be coming back tomorrow?’
‘By all means. I enjoy it here very much. I love the smell of leather bindings.’

Na zijn biblioseksuele opmerking druipt zij af, maar voordat zij buiten het bereik van de camera is vraagt de stotterende Dingle haar uit eten.

Er zitten zo nog een paar briljante scènes in Wonder Man, met gevaarlijke persoonsverwisselingen, maar de film heeft een teleurstellend slot. Het huwelijk tussen de bibliothecaresse en het genie heeft desastreuze gevolgen. Hij gaat zijn monomane studietijd relativeren. Een boek is ook maar een muf ding. Edwin Dingle is van de bibliofilie genezen. Hij houdt nu van zijn vrouw. Au.

Heimwee

In de romantische sciencefictionfilm Oblivion (2013) beschermen een technicus, gespeeld door Tom Cruise, en zijn vriendin onze planeet tegen plunderende marsmannetjes. Het eenzame stel woont hoog boven de wolken, in een zwevende villa met een zwembad.

Alles is er van onbreekbaar glas gemaakt. De bewoners zien de wereld, maar altijd door een ruit. Licht en leegte geven je als kijker een beklemmend gevoel.

Het is het gedoemde jaar 2077. Onze planeet is grotendeels verwoest, grote gebieden zijn radio-actief besmet. Elke dag – en elke dag iets ongelukkiger – stapt Cruise in zijn transparante ruimtevaartuig om dreiging af te wenden, op de virtuele voet gevolgd door zijn vriendin, die als een Big Sister elke beweging van haar man volgt. Maar er is een plek waar zij hem niet kan zien.

In het laatste stuk ouderwetse natuur op aarde heeft Cruise een houten huisje gebouwd. Een hut die hij met heimwee vult. Van zijn zwerftochten over braakland neemt hij vondsten uit de oude wereld mee. In zijn hut staan een schemerlamp, een platenspeler, een fauteuil.

Dat Cruise hier een thuis probeert te reconstrueren weet je als kijker zeker als de boeken in beeld komen. Eerst een vroegtwintigste-eeuwse uitgave van Dickens’ A Tale of Two Cities, die nonchalant op een plank ligt. Ernaast staat een rij linnen banden, zonder omslagen, waarvan alleen een los deel van The Complete Letters of Vincent van Gogh (1958) duidelijk te herkennen is.

Tom Cruise staart twee, hooguit drie seconden naar zijn boekenplank. Hij pakt er geen boek uit. De suggestie is genoeg. Je weet dat hij hier gelukkig is, waar hij de oude wereld onder handbereik heeft. De zin die Cruise vervolgens van het script oplepelt is volstrekt overbodig: ‘I want to spend the rest of my life here.’

Herbonden

Telkens wanneer ik Gerrit Komrij sprak, nodigde hij me uit om eens naar Vila Pouca da Beira te komen. Boeken kijken. En telkens nam ik aan dat het een beleefdheidsfrase was. Nu is hij alweer een jaar dood.

De bibliotheek van Komrij heb ik voor een deel aanschouwd, eind november 2012, in Haarlem, in het kapitale pand van het veilinghuis. Met een scheef hoofd ben ik langs alle planken gegaan. Boeken kijken, maar ook de kunst van het verzamelen afkijken. Niet zozeer Komrij’s kennis van het boek was jaloersmakend, want kennis kun je eenvoudig kweken, maar zijn smaak.

En toch bracht de (eerste) veiling van Komrij’s boeken minder op dan verwacht. Of dat eenvoudigweg komt, zoals Arjen Fortuin toen schreef, doordat ‘de markt voor antiquarische boeken verzadigd is’? Gut, hier of daar staat misschien een overvolle boekenkast, maar verzadiging? Zolang ik wekelijks boekenjagers en -verzamelaars tegen het lijf loop, gaat die constatering er bij mij niet in. Een andere reden dan?

Misschien lag het aan de boeken zelf, dat zij geen nieuwe eigenaar vonden. Bij mijn inspectie in Haarlem ging mijn hoofd bij enkele exemplaren iets schever staan. Deze boeken waren herbonden. Het oorspronkelijke omslag, of de originele band, was verloren gegaan of verwijderd. Een boekbinder had de overgebleven katernen weer vakkundig bij elkaar gestoken. En zo was een kwetsbaar of kapot boek weerbaar gemaakt.

Soms leek het of de Pie Schmitz van Portugal aan de gang was geweest. (Pie Schmitz is de dyslectische boekbinder die de volledige boekerij van lesmethodemiljonair H.J.M.F. Lodewick van nieuwe linnen banden voorzag.) Boekbinderij Invicta Livro in Porto vergaloppeerde zich weleens door een sober boek in een knalrode halflederen band met platten van fluorescerend marmerpapier te steken.

Tja. Hoe streng in de leer ook, elke hooggestemde bibliofiel heeft een kast met lelijke boeken. Nieuwe paperbacks, herbonden zeldzaamheden, beduimelde deeltjes Nimmer Dralend. Er is niet alleen maar buitenkant. Je moet af en toe ook een boek lézen.

Roos Custers, vorige maand op pelgrimage naar Vila Pouca, noteert vandaag in een fijn bericht: ‘de boekenkasten worden weer mooi uitgevuld’. Zou dat betekenen dat de volgende veiling van Komrij’s boeken, toch al ‘uitgesteld voor onbepaalde tijd’, helemaal van de baan is?

Behoudzucht

Over de verkoop van boeken door bibliotheken en instellingen. Het gebeurt. In de jaren negentig kocht ik bij de jaarlijkse uitverkoop van de openbare bibliotheek in het dorp tassen vol met afgeschreven exemplaren. Zo ongeveer de volledige B belandde bij mij op de plank. Barnard, Biesheuvel, Bordewijk, Brouwers, Büch: schitterende verhalen in degelijk geplastificeerde banden. En dan had ik nog 24 letters van het alfabet te gaan.

De laatste tijd doen de faculteitsbibliotheken van de Rijksuniversiteit Groningen steeds makkelijker afstand van hun duplicaten. Als een boek of tijdschrift in de Universiteitsbibliotheek aanwezig is, kan het dubbele exemplaar worden afgestoten. Het gebeurt en het is geen schande. Drie jaar geleden trof ik op de koopjesplank van een antiquariaat alle jaargangen van Maatstaf en De Revisor. Een enkele aflevering had ik kort ervoor nog geleend uit de Bibliotheek Letteren om de bijdrage van M. Februari te kopiëren. Nu kon ik – voor minder dan de fotokopie mij had gekost – het originele nummer kopen.

Op een feestje rond de jaarwisseling – roddel borrel en achterklap – vertelde een student Godsdienstwetenschap mij dat de Bibliotheek Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap opgedoekt moet worden. De Rijksuniversiteit Groningen zou het te duur vinden om deze bibliotheek, op haar locatie aan de Oude Boteringestraat, in stand te houden. Ik neem aan dat de collectie Wijchers, hoe dan ook, intact blijft.

De mogelijke veiling van het Bay Psalm Book, het eerste in Amerika gedrukte boek, door een kerkgemeenschap in Boston: da’s andere koek. Van dit papieren icoon zijn wereldwijd slechts elf exemplaren bekend. Wie over de verkoop leest, schiet automatisch in een cultuurpessimistische modus, mompelt woorden als ‘barbaren’ en ‘kapitalisme’, vreest dat alles van waarde weer eens loos is en dat historisch besef niet meer bestaat. Verbijstering alom: This Bay Psalm Book for central air-conditioning?

Een bibliothecaris moet progressief zijn, behalve als het om het afstoten van belangrijke en zeldzame boeken gaat. Dan is conservatisme verstandig, voorzichtigheid geboden, de zucht om te behouden loffelijk. Dacht ik.

De christenen in Boston streven eigenlijk hetzelfde na als de bibliotheekmedewerkers in Groningen: ruimte winnen (financieel of in strekkende meters). Van Maatstaf en De Revisor is in het depot van de UB een set aanwezig, de bibliotheek in Boston houdt een beter exemplaar van het Bay Psalm Book achter de hand. Zo anders is de koek dus niet.

(Het is overigens een vreselijk saai ding, dit boekje met hymnen. Beroerde hymnen ook nog, als ik deze spirituele blogger moet geloven.)