Nummers van Grunberg

Het ligt voor de hand om het bibliofiele avontuur van Arnon Grunberg te laten beginnen in New York, wanneer de schrijver kennismaakt met de kunsthandelaar en uitgever Pablo van Dijk. Van Dijk is weliswaar de motor van een steeds hoger opgevoerde productie bibliofiele uitgaven geweest, maar het nummeren en signeren bij Grunberg nam eerder een aanvang. Thuis in Amsterdam.

In juni 1990 stuurde Stichting Casimir een persbericht rond waarin De Machiavellist (1990) werd aangekondigd, te verschijnen ‘in een beperkte oplage van genummerde exemplaren’. Dat was Grunbergs debuut als auteur en als uitgever. De 500 exemplaren kregen echter geen nummer. Een jaar later, in de zomer van 1991, verscheen bij Kasimir uitgeverij Het boek Johanna, in een oplage van 27 daadwerkelijk door Grunberg genummerde exemplaren.

Hij ging verder. Op 1 februari 1993 deelde Grunberg in Felix Meritis 49 genummerde exemplaren uit van Stilte s.v.p. Justine leest mij (1993), dat hij zelf had uitgetikt en gefotokopieerd.

Op 22 februari van dat jaar maakte Grunberg op het kopieerapparaat van International Theatre and Film Books een bloemlezing voor Hanne Lijesen in een oplage van één uniek exemplaar. Hij was jarig en mocht trakteren. Grunberg bond Bloemlezing voor Hanne L. met een schoenveter. Büchiaanse praktijken zijn het.

Tussen het bibliofiele boek Ushi en Septembrius (1994) en het relatiegeschenk Kisselgoff (1995) – 65 respectievelijk 250 genummerde exemplaren – zit nog een genummerde en gesigneerde uitgave, al is daarover in de gedetailleerde Bibliografie van het werk van Arnon Grunberg tot 2008 (2008) niets te vinden. Het is nu geen tiksel of druksel in eigen beheer, maar de eerste luxe-editie van een handelsuitgave van Arnon Grunberg.

Van de 1000 exemplaren van een door boekhandel Lankamp & Brinkman uitgegeven verhaal werden er namelijk 50 door de auteur genummerd en gesigneerd. De advocaat, de leerlooier en de forellen (1994) mist een colofon, maar in mijn exemplaar zit een los kaartje. De oplage wordt hierop verantwoord. Achter in mijn exemplaar staat in groene inkt ‘nummer 32’ en op de Franse titel zette Grunberg zijn handtekening.

(In Andelst, Leeuwarden en Den Haag sprinten drie mannen nu naar hun boekenkast.)

‘Een slaaf van mijn verzameling?’

Sinds 1998 verzamelt hij alles van Arnon Grunberg. De omvang van zijn verzameling laat zich nu even niet uitdrukken in strekkende meter: alles is ingepakt omdat de verzamelaar in between houses is. De kartonnen dozen blijven gesloten. Met een laptop en een USB-stick binnen handbereik vertelt Arie Oexman (Katwijk 1952) over zijn collectie.

‘In dit Excelbestand heb ik heel minimaal mijn collectie beschreven: omschrijving, jaar van verschijnen, eventueel ISB-nummer. Item per item. Ik maak geen onderscheid tussen een roman en een ingezonden brief: elke publicatie maakt deel uit van een oeuvre. Dus ook De Nieuwe Bijbelvertaling met een buikbandje waarop een citaat van Grunberg staat. Intussen zit ik op ruim 6700 items. Mijn laatste aanwinsten vond ik op de boekenmarkt in Deventer. Ik kocht er drie vertalingen: een Italiaanse Huid en Haar, een Russische De geschiedenis van mijn kaalheid en een Hongaarse De man zonder ziekte.’

‘De kracht van mijn verzameling is misschien wel de hoeveelheid knipsels uit kranten, weekbladen en tijdschriften. Dat zijn er ongeveer 4000. Ik knip niet alleen recensies en interviews uit, ik bewaar ook advertenties voor Grunbergs boeken en artikelen waarin hij wordt genoemd. Den Haag is wat dat betreft rampzalig. Literaire tijdschriften kun je hier bijna nergens kopen. Voor een exemplaar van Die Welt, waarin Grunberg een halve pagina had geschreven, ben ik langs de Bruna geweest, langs Paagman, de kiosk op Scheveningen en het centraal station. Uiteindelijk vond ik de krant in een klein tijdschriftenzaakje in het centrum. Bestaat intussen ook al niet meer.’

‘Nee, ik heb niet op een dag het licht gezien. Het was Gerrit Jan de Rook, kunstcriticus en deskundige op het gebied van kunstenaarsboeken, die mij in de Boekenweek van 1998 tipte. Ik moest But you are also very attractive when you don’t drink kopen, Grunbergs eerste uitgave bij Kunst Editions in New York. Het Leidse antiquariaat AioloZ had daar het alleenrecht van verkoop op. Ik had toen weleens van Grunberg gehoord, maar nog niets van hem gelezen. Ik was in de eerste, tweede en derde plaats met W.F. Hermans bezig en nogal terughoudend in het aanschaffen van boeken van nieuwe schrijvers. Ik ken mezelf en weet dat het dan snel een verzameling wordt. Maar ik was toch onder de indruk van die uitgave en kocht voortaan alle nieuwe bibliofiele Grunbergen rechtstreeks bij Kunst Editions. En er verschenen er in 1998 en 1999 nogal veel. Soms ontving ik de nieuwe uitgave per post, maar meestal werden de uitgaven meegebracht door Henk Hofland of Hans Liberg, die regelmatig in New York kwamen. De oplagen zijn klein, die gingen zo mee met de handbagage.’

‘Toen ik eenmaal een paar Kunst Editions-uitgaven had, wilde ik ook wel eens een reguliere uitgave van Grunberg lezen. Dat werden Blauwe maandagen en Figuranten. Zijn schrijfstijl en mensbeeld spraken me erg aan en dus was de verzameling echt geboren. Misschien is mijn interesse in Grunberg ook zo sterk omdat ik op een bepaalde manier iets van mezelf in hem herken.’

‘Ik tel zo 23 Figuranten. Ik wil in elk geval alle tekstueel verschillende drukken hebben – wat bij Grunberg nog niet makkelijk is. Hij vermeldt niet, zoals W.F. Hermans voorin zijn romans deed, wanneer een druk gewijzigd is. En ik streef er ook naar om alle uiterlijk verschillende drukken te kopen. Een nieuw omslag, een midprice-editie, zelfs een identieke druk met een nieuwe sticker (“100.000 exemplaren verkocht”) koop ik. Dit geldt voor oorspronkelijke en vertaalde uitgaven.’

‘Toen de uitgever van Kunst Editions, Pablo van Dijk, in 2001 naar Amsterdam kwam heb ik met hem een prachtige ruil gepleegd. Ik zou hem in zijn hotel opzoeken, want hij had een grote koffer vol Grunbergpaperassen meegenomen. Pablo wilde dat wel ruilen tegen het boek Horsemeat van Bukowski, zo’n nogal gewilde uitgave van de Black Sparrow Press, en wat andere bibliofilia. Onderweg naar zijn hotel wist ik zeker dat de ruil niet zou plaatsvinden, daarvoor was Horsemeat me te dierbaar. Maar toen ging die enorme koffer open, barstensvol spullen. Ook het typoscript van Fantoompijn was erbij, een vroege versie met verschillende handmatige correcties van Grunberg en met talloze passages die niet in het boek terechtgekomen zijn. En privéfoto’s van Grunberg, vertalingen, paspoortkopieën, allerlei briefjes die hij met klasgenoten had uitgewisseld, een ontroerende post-it van zijn moeder, meters faxverkeer tussen Grunberg en Van Dijk. Achteraf is mij gebleken dat Van Dijk deze spullen van Grunberg in bewaring had gekregen. Scrupules kende hij niet. Ik heb overigens wel met Grunberg afgesproken dat ik niets ongepubliceerds uit de koffer openbaar zonder overleg met hem.’

‘Je moet bij Grunberg een beetje uitkijken wat je koopt. Hij is tien jaar geleden al begonnen met het ridiculiseren van de cultuur van de handgeschreven opdracht. Een inscriptie aan Wolkers in een boek betekent niet dat het boek ooit aan Wolkers is geschonken of dat het bij hem in de kast heeft gestaan. Er bestaan opdrachtexemplaren aan Erasmus, Willem-Alexander, Mulisch, Kundera. De mooiste opdracht die ik bezit is gericht aan Hugo Brandt Corstius in de eerste druk van Fantoompijn. En helemaal authentiek, dat weet ik zeker.’

‘De constante kwaliteit van Grunbergs werk is natuurlijk verbluffend. Een mindere roman zit er gewoon niet tussen. Maar minstens zo knap is zijn enorme productie. Ik ben niet de enige die wel eens heeft gedacht dat hij een ghost writer had, dat hij dit onmogelijk allemaal in zijn eentje bij elkaar kan schrijven. Voor de gein heb ik berekend dat hij gemiddeld per jaar 230 bijdragen aan kranten en tijdschriften levert. Niet alles daarvan verschijnt in boekvorm.’

‘Een slaaf van mijn verzameling? Ik denk dat ik dat in zekere zin wel ben, ja. Omdat ik in 2006 ben begonnen met het beschrijven van mijn aankopen en het downloaden en opslaan van Grunbergs teksten op internet, waaronder zijn blog, ben ik ertoe veroordeeld om dat dagelijks bij te houden. Als ik daar nu mee zou stoppen, zou al mijn werk met terugwerkende kracht waardeloos worden. Dan is dit hier een dood document. Ik besteed heel veel tijd aan mijn collectie.’

‘Sjoerd van Faassen, oud-conservator van het Letterkundig Museum, heeft mij jaren geleden tijdens een veiling wakker geschud om een brief van Hermans aan Reve te kopen. Hij wist dat ik Hermans verzamelde en stootte me aan. Waarom deed je dat eigenlijk, vroeg ik hem later. Zijn antwoord was het credo van veel conservatoren: vroeg of laat komt het toch wel bij ons terecht. Ik vind het een mooi idee dat al mijn Grunbergen, ooit, na mijn dood, weer op de markt komen. Ik laat alles na aan mijn zoon Koen, die zelf zo dyslectisch is als een deurknop en daardoor weinig heeft met boeken, maar wel weet dat de verzameling waarde heeft. Hij weet intussen natuurlijk ook wel wat de goede antiquariaten zijn.’

Dit interview met Arie Oexman verscheen in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 3 (oktober 2014).

Blauwe maandagen

De ene blauwe maandag is de andere niet. De titel van de debuutroman van Arnon Grunberg is door de meeste vertalers letterlijk overgezet. In Zweden lezen ze Blåmåndagar, in Spanje Lunes azules en in Tsjechië Modré pondělky.

De letterlijke vertalers blijven trouw aan de oorspronkelijke titel, maar moffelen tegelijk een van de belangrijkste betekenissen, die van de typisch Nederlandse uitdrukking, onder het tapijt. Een Duitser denkt bij een Blauer Montag verheugd aan een snipperdag.

In Brazilië is de titel meer naar de geest van de roman vertaald. Blauwe maandagen heet daar Amsterdã blues – een mooie vondst. De vertaler in Budapest gebruikte voor de titel een andere uitdrukking: Uborkaszezon is in Hongarije de term voor komkommertijd.

(De buitenlandse uitgevers van Grunberg zijn wel unaniem in de keuze van het omslagbeeld voor hun vertalingen van Blauwe maandagen: allemaal lichtekooien en verwijzingen naar De Wallen. In de roman komt hoofdpersoon Arnon daar vaak en graag.)

Arnold en Erica Pomerans hielden het in hun Engelse vertaling strikt bij Blue Mondays. De eerste druk verscheen in december 1996 bij Farrar, Straus and Giroux in New York, een jaar later gevolgd door een titeluitgave voor lezers in het Verenigd Koninkrijk. Op de copyrightpagina van de Amerikaanse Blue Mondays staat: ‘Published simultaneously in Canada by Harper Collins Canada Ltd’. Maar de Canadese Harper Collins-editie schijnt niet te bestaan; Jos Wuijts maakt er in zijn eerste en tweede Grunberg-bibliografie geen melding van.

Toen Arnon Grunberg in 1997 naar Canada ging, kon hij dus niet anders dan de Amerikaanse Blue Mondays meenemen. Misschien had hij het boek wel bij zich, in de schrijversbus op weg naar de Niagara Falls, of (ter plaatse) in de binnenzak van zijn gele regenjas.

In elk geval signeerde de schrijver, na afloop van zijn optreden op het International Festival of Authors in Toronto, voor Greg Gatenby, de oprichter van het schrijversfestival, de Amerikaanse editie. Dat was op 26 oktober 1997 – geen maandag, maar een zondag.

Kracht Door Carmiggelt

Jeroen Aarten is lezer, verzamelaar en evangelist. Hij leest boeken, hij koopt boeken en hij verkondigt het woord. Over Simon Carmiggelt. Onder het mysterieuze imprint KDC zagen in september 2013 een Voetnoot en een Voetnoot bij een Voetnoot van Arnon Grunberg het licht bij De Carbolineum Pers, getiteld Simon Carmiggelt en mijn moeder. Nu verschijnt op Aartens initiatief bij dezelfde pers Kwijt in de tram van A.F.Th. van der Heijden, over een pijnlijke ontmoeting met Carmiggelt. Wat bezielt Jeroen Aarten?

Het initiatief is vorig jaar min of meer toevallig ontstaan. Ik wilde graag een tekst van Arnon Grunberg laten drukken in een kleine oplage, maar wilde niet wijd en zijd bekend laten worden dat ik de initiatiefnemer was. Daarom is gekozen voor de naam KDC, oftewel Klein Dozijn Carmiggeltliefhebbers of Kracht Door Carmiggelt, een beetje naar analogie van de namen die sportverenigingen vroeger hadden. Het is geen echte uitgeverij, hoor. Dat staat er, geloof ik, ook niet bij.

Ik doe het puur voor mijn eigen plezier. Als er al een hoger doel is, dan is dat een esthetisch doel: de schoonheid van een met de hand gezet en gedrukt boekje delen met anderen.

Arnon Grunberg ging meteen akkoord, toen Jeroen Aarten hem benaderde.

Ik denk ook omdat Boris Rousseeuw van De Carbolineum Pers een zeer gerenommeerde margedrukker is. Hij drukte in 1994 al Ushi en Septembrius van Grunberg. Een schitterende uitgave! De Carbolineum Pers drukt echter alleen teksten die niet elders in boekvorm verschenen zijn. Om die reden heeft Grunberg voor Simon Carmiggelt en mijn moeder exclusief een Voetnoot bij een Voetnoot geschreven.

En toen Aarten onlangs Van der Heijden polste, bood de schrijver hem spontaan de tekst ‘Kwijt in de tram’ aan, die tot dusver alleen in Het Parool van 4 april 2008 heeft gestaan. Ook Van der Heijdens eerste Parool-column ‘Death row’, van een dag later, verschijnt nu voor het eerst in boekvorm. Dit laatste op verzoek van Van der Heijden zelf, ‘ter illustratie van de meester-leerling-verhouding’.

Carmiggelt was de eerste auteur die ik na mijn middelbare school ging lezen. Ik werkte destijds als uitzendkracht bij een kleine boekendistributeur. Mijn beide mannelijke collega’s gedroegen zich als oude wijven. De pauze ging voorbij aan het kletsen over kwalen en het roddelen over van alles en nog wat. Op een doos lag de Salamander-pocket van Vroeger kon je lachen. Die ben ik tijdens de pauzes gaan lezen. Daarna las ik Kinderen, ook als Salamander. Ik besloot om alles van Carmiggelt te kopen wat ik te pakken kon krijgen, en op mijn studentenkamer zette ik alvast een provisorisch boekenkastje in elkaar. Kort daarna verloor ik mijn uitzendbaantje omdat ik ‘te weinig communicatief’ zou zijn.

Via Carmiggelt leerde ik het werk van Bomans, Nescio en Elsschot kennen. En van het een kwam het ander: ik ging Lévi Weemoedt lezen, Bob den Uyl en Belcampo. Later ging ik ook Van der Heijden lezen; mijn eerste boek van zijn hand was De sandwich, en van dat boek heb ik genoten. Maar dat ik weer literatuur ben gaan lezen, is de postume verdienste van Carmiggelt geweest. Zo bezien is de cirkel mooi rond, nu A.F.Th. van der Heijden toestemming heeft gegeven om een mooi stuk over Carmiggelt te laten verschijnen.

Jeroen Aarten is alweer plannen aan het maken voor een nieuw boekje. Op zijn wenslijstje staan Jeroen Brouwers, Remco Campert, Saskia de Coster, Maarten ’t Hart, Tom Lanoye, Geert Mak en Erwin Mortier.

Maar het hoeft het niet per se over Carmiggelt te gaan. Ik zou het wel mooi vinden als Geert Mak iets zou willen schrijven over de humor in de literatuur van na de Tweede Wereldoorlog, of als Remco Campert en Kees van Kooten (liefst beiden tegelijk in één uitgave) herinneringen aan Gerrit Komrij ophalen.

Wikipediaf

De bibliofiele bibliograaf op Wikipedia heeft weer toegeslagen. Het lemma over Arnon Grunberg is de afgelopen dagen uitgebreid met een waslijst aan bibliofiele uitgaven. Deze bibliografie van gelimiteerde uitgaven begint met de dichtbundel De Machiavellist (1990) en houdt vooralsnog op bij Simon Carmiggelt en mijn moeder (2013), een inmiddels gezocht kleinood. Het gros van de genummerde boeken en gesigneerde bierviltjes in de lijst is uitgegeven door Kunst Editions in New York.

De eerste afzonderlijke bibliografie van bibliofiele uitgaven, ruim drie jaar geleden, werd door de encyclopedische gemeenschap met vraagtekens en uitroeptekens begroet. Iets nieuws is op Wikipedia per definitie slecht. Een vers lemma is onkruid, dat meteen moet worden uitgeroeid, voor het de kans krijgt te groeien. Maar zodra er overeenstemming is bereikt over het nut van het lemma, verlaten de Wikipedianen de overlegpagina’s, om andere lemmata in twijfel te trekken en nieuwe Wiki-gebruikers te bekritiseren.

Het lemma blijft verweesd achter. Niemand kijkt er naar om; lacunes ontstaan. In de bibliofiele bibliografie van Komrij ontbreekt bijvoorbeeld de meest recente uitgave Een kerkhoflied. Nu had ik hier zelf kunnen ingrijpen, maar ik ben sinds 2011 definitief Wikipediaf.

Wordt de nieuwe bibliografie binnenkort weer afgekraakt? Op de overlegpagina van het lemma Grunberg is het tot op heden rustig gebleven.