Meer enthousiasme dan vakkennis

Wat de afgelopen eeuw in de Angelsaksische wereld tot een volwaardig genre uitgroeide, is in de Lage Landen maar amper van de grond gekomen: de memoires van de anti­quaar. Aan De Carbolineum Pers, de private press van Boris Rousseeuw, zal het niet liggen. Op de fondslijst staan verschillende uitgaven over Antwerpse boekbinders en lettergieterijen, en in september verschenen de herinneringen van de Antwerpse antiquaar Hugo Boelaert. Vanwege de omvang van de memoires besloot Rousseeuw de tekst niet met de hand te zetten en te drukken, zoals hij gewoon is te doen, maar koos hij voor hoogwaardige prints op gevergeerd papier. De concessie is begrijpelijk.

Vanuit een maandenlange, met alcohol besprenkelde depressie start Boelaert in 1986 met zijn loopbaan als boekverkoper. Hij verkoopt zijn privécollectie antiek en koopt een grote voorraad boeken bij een veilinghuis in Lier, die hij vervolgens uitpakt in een net verworven winkelpand op de Lange Leemstraat 144b. Hij noemt zijn zaak Joyce Royce, naar zijn lievelingsschrijver en, naar hij had gehoord, de beste automobiel. Boelaert stapt zonder studie of gedegen voorbereiding in een avontuur, zo vertelt hij, maar hij ontwikkelt alras een visie voor zijn zaak. Hij wil zich specialiseren, eigenlijk alleen maar zeldzaamheden aanbieden, en geen ‘peperkoeken middelmaat’. Daarvan moet hij later terugkomen, want een tweedehandsboekwinkel kan nu eenmaal niet zonder gewonere, middelmatige boeken als omzet­ makers.

Voor zijn inkoop verkiest de nieuwkomer de particulieren en de veilingen boven de rommelmarkten, turnzalen en parochie­huizen met hun wel heel brede aanbod. Dat besluit heeft Boelaert veel goeds gebracht. Aspirant­antiquaren zullen verder niet veel tips en trucs in deze Winkelanekdotes vinden. Boelaert geeft weliswaar een welkom lesje ‘Hoe Te Bieden Op De Veiling’, maar meestal laat hij zijn hoogstpersoonlijke opvatting gelden over het voeren van een winkelanti­quariaat. Hij legt bijvoorbeeld wel een boek in de etalage als de verfilming ervan op tv is geweest, maar niet als de auteur ervan net is overleden (‘lijkenpikkerij’). De praktische kant dus, geen boekhistorische terzijdes. Verbijsterend is evenwel te lezen dat Boelaert het hem te koop aangeboden notitie­boekje van Alfons De Ridder (alias Willem Elsschot) afslaat (‘gênante materie met een veel te hoog irrelevant voyeursgehalte’).

Door de jaren heen komt Hugo Boelaert in aanraking met allerlei collega’s in het vak. Zo geeft dit boek ook een schets van de antiquarische wereld van Antwerpen aan het eind van de twintigste eeuw. Leon Sternberg, de joodse antiquaar die in recht gespecialiseerd was, komt een paar keer voorbij, evenals Rob Talboom, en de veilinghuizen Amberes en Bernaerts. Het mooiste van de korte hoofdstukjes in Winkelanekdotes is het roerende en liefdevolle portret van de beste klant van Joyce Royce. In andere hoofdstuk­ken figureren andere klanten: overspannen personen, Kamagurka en Herr Seele, een sadomasochistisch homostel, de filosoof Jaap Kruithof, een nationaal­socialistische jood. Een enkele keer noteert Boelaert de herinnering aan een ontmoeting in zijn winkel zo schitterend dat het wel fictie lijkt. Dat zijn klanten hem bij gelegenheid ook wel raad­plegen als relatieconsulent en rouwverwerkingsbegeleider, gaat hem aan het hart. Sommige personen worden om voor de hand liggende redenen met een initiaal of een X. aangeduid, zoals ook de Utrechtse antiquaren Engberts en Hesselink deden in hun twee gepubliceerde winkeldagboeken.

Boelaerts terzijdes zijn vermakelijk en prikkelend. Vrijmetselarij, schrijft de anti­quaar, is ‘een eigenaardige variant van eso­terie’ en vrijmetselaren kwamen enkel in zijn winkel om te pochen over ‘hoe goedkoop de single malt whiskey in de bar van hun loge was, en hoe het toch beter was dat vrouwen er gemeden werden omdat dat toch maar afleidde’.

Over zichzelf is Boelaert eerlijk, niets­ ontziend. Zo schrijft hij dat hij zelden het bordje ‘Gesloten’ op zijn winkeldeur heeft gehangen, zelfs al had hij ‘tot zes uur ’s och­tends aan één of andere toog liggen wallebakken als een wrattenzwijn’ om aan het begin van de middag ‘half bewusteloos’ in zijn zaak aan te spoelen. Achteraf realiseert hij zich zijn antiquariaat ‘met meer enthousiasme en belezenheid dan vakkennis’ te zijn begon­nen. Hij prijst zich gelukkig ook ‘tekstdokter’ te zijn voor Vlaamse bands die in het Engels willen zingen. Met de opbrengsten van de door hem vertaalde liedteksten van de band Clouseau betaalt hij in 1992 de hypotheek op zijn winkelpand af.

In het Waalse boekendorp Redu wil de Antwerpse boekverkoper op een gegeven moment een filiaal openen. Boelaert en zijn goede vriend zullen dan om en om de winkel in Antwerpen en die in Redu bemannen.

Ik vergat wel even dat Redu gedurende de winter gesloten bleef en dat de amanuensis indien mogelijk nog minder zakelijk inzicht en savoir­faire had dan ik.

Passages als deze (en die over de mislukte galerie) geven de terugblik iets tragikomisch. Op een van de vijf in het boek afgedrukte kleurenfoto’s staat Boelaert, vanaf de stoep gefotografeerd, in zijn winkel met het boek Reflets de la bibliophile en Belgique in zijn hand. Het bord achter zijn winkelruit meldt ‘Totale uitverkoop’.

Amerikaanse antiquaren vullen hun memoires vaak met success stories die de lezer op den duur vermoeien, de ene fantas­ tische vondst na de andere lucratieve ver­ koop. Hugo Boelaert eindigt zijn terugblik in mineur. Na de uitverkoop sluit hij in 2012, door ziekte gedwongen, Joyce Royce. Zijn leven is er niet leuker op geworden. Toch is hij erin geslaagd de herinnering aan zijn zaak niet te laten kleuren door latere tegenspoed. Hij hield van zijn vak. En uit deze anekdotes komt naar voren dat Boelaert mensen belangrijker vindt dan boeken.

Deze bespreking van Hugo Boelaert, Winkelanekdotes. Herinneringen aan antiquariaat Joyce Royce (1986-2012) (2016) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 32, afl. 4 (december 2016).

Gewoon in de kast

Boudewijn Büch was dus geen slechte journalist. Al die opmerkelijke uitspraken in het meest spraakmakende interview uit zijn carrière, hoofdredactionele commentaren en ingezonden brieven uitlokkend, bleken gewoon te kloppen. Aan het eind van het negende hoofdstuk van Boud (2016) schrijft Eva Rovers, na de originele gespreksopnamen met de gepubliceerde tekst vergeleken te hebben, dat Büch geen van Reves uitlatingen had verdraaid. Tien dagen na de verschijning van de Büch-biografie werd dit voor de bühne bevestigd.

Krap twee jaar na het beruchte Reve-interview arrangeerde Büch een tweegesprek met Augusta (‘Guusje’) Buwalda-Slauerhoff. Gewapend met een bandrecorder bezocht Büch eind 1984 Slauerhoffs jongste zus, een toen 84-jarige dame in Haarlem. Büch was de eerste journalist met wie zij de herinneringen aan haar beroemde broer deelde. Op 8 januari 1985 zond VPRO Boeken het interview van een uur uit. Naar beproefd recept wist de journalist het verhaal tweemaal te verkopen: Vrij Nederland publiceerde op 9 februari 1985 ‘In gesprek met de zuster van Slauerhoff’, aan welk stuk Wim Hazeu in zijn biografie van J. Slauerhoff bepaalde details ontleent.

Het is niet moeilijk voor te stellen waar Büchs belangstelling voor Slauerhoff vandaan kwam. Ze waren allebei verslingerd aan eilanden. Slau en Boud hadden beiden een romantische inborst en een rusteloze natuur.

Tijdens het interview met Slauerhoffs zus werkt Büch geen vragenlijst af, maar zit hij gewoon gezellig bij Zusje Slau aan tafel. Terwijl de band loopt nuttigen de oude dame en de jonge journalist een broodje ham – ‘Mag ik ook kauwen?’, vraagt zij op een gegeven moment. Levensbeschrijvingen en poëtica boeien Büch niet. Hij zoekt naar het persoonlijke verhaal, vist naar intimiteiten en curiositeiten. En spreekt daar dan af en toe zijn verbazing over uit.

Twee van de grootste dichters [A. Roland Holst en Slauerhoff] van hun tijd blijken ’s middags een dutje te doen! […] U gelooft dat hij naar de hoeren is geweest?

Aldus informeert mevrouw Buwalda-Slauerhoff Büch over de stoeipartijen met haar broer, de stijve en strakke Hendrik de Vries, de dansschool van Darja Collin, het slappe handje van Constant van Wessem en over de boze brief van Du Perron die ze na de dood van broer Jan vond en verscheurde. Een rommelig interview dat barst van de human interest.

Slauerhoffs lievelingszus vertelt ook, ietwat getergd, dat zij zich over het boekenbezit van haar dichtende broer moest ontfermen. De boeken die uit Tanger waren meegekomen bleken nogal ‘verwaterd’ te zijn. Zij regelde wel dat alles netjes op de planken kwam te staan.  Ze verzorgde ook Slauerhoffs post, of hij nu in Nederland was of over de zeeën zwierf.

Waar ik niet altijd pakjes naartoe moest sturen. En als hij weer ergens anders woonde, vroeg hij me sokken [te sturen] of weet ik wat.

Nieuwsgierig is Büch naar een tastbare herinnering aan J. Slauerhoff. Helaas, deelt de zus mee, het was hun oudste broer Feije die van elke nieuwe publicatie van Slauerhoff een exemplaar kreeg. En dan stelt Büch de vraag die elke waerachtige bibliophiel zou stellen.

– U heeft dus geen boek met opdracht van uw broer?
– Ik wel. Twee, maar niet [in boeken] die hij geschreven heeft. Maar die ik van hem gekregen heb.
– Ja, maar geen eigen boeken dus.
– Nee. Ik heb wel boeken, van IJslandsche Visscher, en van Annie Salomons, dat hij dan schreef “met zestien jaar, huwbare leeftijd” en dat hij naar Amsterdam ging.
– En die staan hier gewoon ergens in de kast?
– Ja, die staan hier gewoon in de kast. Wat moet ik ermee? In een lijstje zetten?

Beide boeken hebben nog lang in de kast gestaan, in elk geval tot 1995, het jaar waarin Slauerhoffs zuster overleed. Het boekje Langs het geluk (1913) van Annie Salomons, dat Slauerhoff zijn jongste zus schonk op haar zestiende verjaardag, is nu boven water gekomen. Gewoon te koop. Het is niet uitgesloten dat de volgende eigenaar het inlijsten zal.

In de sterren geschreven als opgegeven

In het verhaal ‘Een mooie jonge vriendin’ haalt Remco Campert herinneringen op aan liefde en poëzie in het begin van de jaren vijftig.

Omdat ik voelde dat ik een jonge dichter was – mijn dichterschap bestond toen nog voornamelijk uit het voelen dat ik dichter was – voelde ik ook dat ik een jonge vriendin moest hebben en die moest bij voorkeur mooi zijn.

Maar het waren jaren van schaarste en armoede. Wanneer een mooie jonge vriendin een cadeautje verlangde, moest de dichter zich van zijn vindingrijke kant laten zien.

Je schreef een gedicht op een wc-papiertje en zette eronder: Oplage 1 exemplaar.1

Deze passage in een vermakelijk verhaal is wel meer dan een voorbeeld van Camperts lichtvoetigheid en milde ironie. Het is ook een knipoog naar het gemak waarmee een groep dichters, aan het begin van het decennium waaraan zij hun naam ontleenden, in kleine oplagen uitgaven in eigen beheer vervaardigden. Soms met zeer beperkte middelen, maar altijd met enorme geestdrift. Zo gaven Hans Andreus en Hugo Claus beiden een dichtbundel met illustraties van Karel Appel uit, en liet Simon Vinkenoog als nieuwjaarswens een gedicht met handgekleurde tekeningen van Corneille drukken.2 Campert zelf deed ook een dichtbundel het licht zien, maar in tegenstelling tot de fraai geïllustreerde, bijna bibliofiele bundels van zijn vrienden is Camperts uitgave sindsdien zelden gesignaleerd. Dit is het verslag van mijn zoektocht naar de overgeleverde exemplaren van het zelfgemaakte debuut van Remco Campert: Ten Lessons with Timothy.3 Een dichtbundel, zo vluchtig als een wc-papiertje.

Experimentelen in Parijs

Oktober 1950. Zonder duidelijk doel of aanlokkelijk vooruitzicht stapt Rudy Kousbroek in de nachttrein naar Parijs. In 1949 heeft hij de zomervakantie in de Franse hoofdstad doorgebracht, samen met Remco Campert, die hij kent van de schoolkrant Het Amsterdams Lyceïsten Orgaan, kortweg Halo. Dat bezoek heeft een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. Hoewel Campert en hij net vier nummers van hun tijdschrift Braak hebben uitgegeven en hij een verstandige studie wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam is begonnen, vertrekt Kousbroek toch naar Parijs. De aantrekkingskracht van de lichtstad werkt ook op andere jonge kunstenaars en aanstormende schrijvers: Hugo Claus en Elly Overzier hebben net hun intrek genomen in een hotel, Karel Appel en Corneille delen hun eerste Parijse atelier.4 Experimentelen en atonalen voelen zich er thuis. De Cobra-beweging is al op haar hoogtepunt.

Na enkele korte verblijven in Parijs besluit Remco Campert zijn goede vriend op 22 november 1950 achterna te reizen. Hij neemt een dichter, die zich Lucebert noemt, met zich mee. Hun bestemming is Boulevard Jean-Jaurès 21, waar Simon Vinkenoog, sinds twee jaar Parijzenaar, op de vierde verdieping een ruime woning huurt.

Kom hier in het rode buisje en neem Lucebert mee5

had Vinkenoog geschreven. De arme dichters uit Amsterdam mogen voorlopig bij Vinkenoog logeren, al moeten ze voor de maaltijden een vergoeding aan de gastheer betalen.6 Aanvankelijk verdiende Vinkenoog zijn geld als naaktmodel in de ateliers van Léger en Zadkine, nu is hij in vaste dienst bij Unesco. Als Special Requests Documents Officer houdt hij zich binnen de idealistische organisatie bezig met archivering en reproductie. Op elk ander uur van de dag wijdt hij zich aan poëzie en zijn eenmanstijdschrift Blurb.

Na een logeerpartij van een week, waarin Vinkenoog voor het eerst Lucebert hoort voordragen, nemen Campert en Lucebert hun intrek in een goedkoop hotel.7 Lucebert is bij vlagen echter zeer ongelukkig en keert begin december terug naar Amsterdam. Remco Campert trekt op dat moment in bij Kousbroek, die een armzalige kamer huurt in Hôtel Beauséjour.8 Het vriest overdag flink: de Amsterdamse jongens zoeken verwarmde cafés op om er hun gedichten te schrijven. Als Vinkenoog een paar dagen voor Kerst met Juc Cohen op huwelijksreis naar Londen gaat, mogen Campert en Kousbroek op zijn woning passen. Zo zitten de redacties van Braak en Blurb korte tijd onder één dak.

Ik zal het prettig vinden als jullie terug zijn, tot die tijd dan maar Lodeizen en Pound. De ondergang van de familie B. wordt mij uit Holland opgestuurd, zodat ik van trieste literatuur niet verstoken zal zijn.9

schrijft Campert aan het echtpaar.

In Een zachte vernieling, een sleutelroman over deze jaren, geeft Hugo Claus mooie omschrijvingen van Remco Campert, alias ‘Emile’, en van Simon Vinkenoog, hier ‘Floris’. Het is Campert die

zwijgzaam, hoogrood en hortend als je onverwacht iets tegen hem zei, behoedzaam door het appartement schuifelde op zijn sokken, alles dronk wat hij zag; het liefst jazztrompettist wilde worden, maar er was iets mis met zijn longen.

En dan Vinkenoog

die een absurd uitgroeiende documentatie aanlegde van wat er over de geschiedenis, de zeden en gewoonten van die lugubere Parijse tijd gepubliceerd werd; knipte en plakte en ordende en catalogiseerde.10

In dit klimaat van schrijven, lezen en drinken besluiten Campert en Kousbroek, omstreeks de jaarwisseling 1950-1951, allebei een bundel van tien gedichten te drukken. Dankzij bemiddeling van Vinkenoogs echtgenote heeft Kousbroek intussen een baantje bij het International Theatre Institute, twee jaar eerder door Unesco opgericht. Daar maken de jonge dichters heimelijk gebruik van de reproductiemogelijkheden. Campert bewaart er een warme herinnering aan.

In het gebouw van die organisatie vermenigvuldigden Rudy Kousbroek en ik meer dan zestig jaar geleden op een stencilmachine onze poëzie, die we vervolgens trachtten uit te venten op de Parijse boulevards. Daar was die stencilmachine niet voor bedoeld. Eerder voor dikke rapporten, maar de mazen in het Unesco-net waren groot. Rudy had er een nederig baantje. Met de beveiliging van nu zou ik het gebouw nooit zijn ingekomen. Het was een koude winter, maar in ons hart brandde het heilig vuur.11

Kousbroek geeft zijn uitgave de titel 10 variaties op het bestiale mee, terwijl Campert zijn cyclus Ten Lessons with Timothy doopt. De oplagen bestaan uit 25 genummerde en gesigneerde exemplaren, aldus de colofons.

Nu, vijfenzestig jaar later, zijn beide bundels praktisch onvindbaar. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is in het bezit van Kousbroeks uitgave, maar die van Campert is in geen enkele bibliotheek of kunstinstelling in Nederland te vinden. In de bibliografie van Campert voor de Mededelingen van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum komt de bundel niet voor. In Brinkman’s Cumulatieve Catalogus is de uitgave ook niet te vinden. Bibliografen hebben de dichtbundel nooit te pakken gekregen. Tot op heden was het enige bekende exemplaar van Ten Lessons with Timothy dat van Simon Vinkenoog.

Gehad noch gezien

Vinkenoog ontvangt het allereerste nummer van de oplage op 5 januari 1951, op de dag dat hij van zijn huwelijksreis uit Engeland terugkeert.12 De datum is bekend vanwege een korte handgeschreven opdracht van Campert, en omdat Vinkenoog zijn exemplaar altijd heeft bewaard – gekoesterd past hier misschien beter: Vinkenoog verwijderde de nietjes in de linkermarge en zette de bundel vast in een halflinnen map, zodat de veertien kwetsbare vellen niet zouden kreuken. Het was ook zijn exemplaar dat werd gefotografeerd voor en afgebeeld in het schrijversprentenboek De beweging van vijftig.13 Terugblikkend op zijn Parijse jaren kon Vinkenoog zich later eigenlijk niet voorstellen dat er meer exemplaren waren overgeleverd:

de exemplaren in mijn bezit van Camperts 10 lessons with Timothy (naar een gelijknamige grammofoonplaat van Dizzy Gillespie) en Kousbroeks 10 variaties op het bestiale dragen ieder nr. 1. En waarom ook niet: ik vraag mij af of er meer dan 1 exemplaar – buiten het mijne – nog ergens te vinden is.14

Zouden Campert en Kousbroek inderdaad, als dank voor de huisvesting, hun vriend als enige een exemplaar hebben gegeven?

In de loop der jaren schonk en verkocht Vinkenoog af en toe schrijverscorrespondentie, boeken uit zijn bibliotheek en schilderijen aan handelaren, instellingen en verzamelaars. Zo kon het Amsterdamse antiquariaat Schuhmacher Vinkenoogs exemplaar van Ten Lessons with Timothy in 2000 beschrijven en te koop aanbieden in een aan opdrachtexemplaren gewijde catalogus. In oktober 2011 vond dit exemplaar, na te zijn aangeboden in een Vlugschrift, in één dag tijd een nieuwe eigenaar.15 Wilma Schuhmacher, de grande dame van het Nederlandse antiquariaat, kent geen tweede exemplaar.16 Andere in Nederlandse literatuur gespecialiseerde antiquariaten hebben de uitgave nooit gehad.17 Bij het grootste boekenveilinghuis van Nederland is nimmer een exemplaar onder de hamer gekomen.18

Zeldzame boeken zijn, voor een verzamelaar die zelf in het antiquariaat werkzaam is, een uitnodiging; zogenaamd onvindbare uitgaven vormen een uitdaging. Maar op de lange lijst van mogelijke eigenaren van Ten Lessons with Timothy moest ik keer op keer een naam doorstrepen. Karel N.L. Grazell, die in Amsterdam in 1950 en 1951 vaak achter Camperts schrijfmachine te vinden was, heeft de bundel gehad noch gezien.19 Letterkundige Braak-abonnees als Jan Hanlo, Ferdinand Langen en Nico Lijsen hebben geen exemplaar gekregen of gekocht.20 Rondvragen en zoeken in de omgeving van de Vijftigers leverde ook niets op. In de boekenkasten van Hans Andreus en Hugo Claus is de bundel niet te vinden.21 In de bibliotheek van Jan G. Elburg werd het door zijn biograaf niet aangetroffen.22 Zelfs Kousbroeks exemplaar is spoorloos.23 En de Keizer der Vijftigers? De inventaris van de boekenkast van Lucebert geeft niet thuis.24

Simon Vinkenoog was al sinds eind 1946 bevriend met Kees Lekkerkerker. Ze kenden elkaar uit kringen rond het Cultuur- en Ontspannings Centrum (COC) in Amsterdam. Ook na Vinkenoogs vertrek naar Parijs blijft Lekkerkerker een van zijn literaire raadgevers. Hoewel Lekkerkerker zich in deze jaren volledig stort op de moeizame tekstbezorging van Slauerhoff en De Haan, volgt hij de jongste literaire ontwikkelingen op de voet. Zo is hij geabonneerd op eendagstijdschriften als De dualist en Spleen, en probeert hij obscure uitgaven in eigen beheer te pakken te krijgen. Wanneer Vinkenoog hem begin 1951 iets over een bundel van de onbekende Remco Campert schrijft, is zijn nieuwsgierigheid gewekt. Maar Lekkerkerker vist vermoedelijk achter het net.

Dat bundeltje van Remco Campert: Ten lessons with Timothy komt in zijn geheel in het volgende nummer van Podium25

deelt Vinkenoog hem tot troost mee.

Weggedaan, verdwenen

Particuliere verzamelaars treden niet graag met hun collectie uit de schaduw. De bibliofielen die ik benaderde verleenden wel hun medewerking, maar bleken zelden erg mededeelzaam. Tientallen brieven, telefoontjes, e-mails: het spoor liep telkens dood. Alleen Gert Jan Hemmink, collectionneur par excellence, komt met goed nieuws: hij heeft in de loop der tijd ‘diverse exemplaren’ van Camperts uitgave gezien.

Mijn exemplaar kocht ik bij Geerts’ Boekhuis in Arnhem, eind jaren ’60, een tweedehandsboekwinkel tegenover Gysbers & van Loon. Bij Geerts, een heer op leeftijd, kocht ik ook Braak, Blurb, enzovoorts. Hij was al jaren zijn voorraad aan het inventariseren, maar is nooit verder dan de letter D gekomen. Op een bepaald moment heb ik het werk van Remco Campert weggedaan, toen is ook Ten Lessons verdwenen.26

Waar dit exemplaar is gebleven, herinnert Hemmink zich niet. Wel weet hij zeker dat hij bij de uitgever en bibliofiel Johan Polak, die immers ook op Het Amsterdams Lyceum had gezeten, ooit een exemplaar in handen heeft gehad.27 In de veilingcatalogus van diens imposante bibliotheek is evenwel geen Ten Lessons with Timothy beschreven.28 Polaks biograaf stelt mijn verwachtingen bij:

Over het archief en de bibliotheek van Johan Polak zijn al veel verhalen verteld, vooral door (anonieme) mensen die zeggen bevriend met hem te zijn geweest. Iedereen heeft van alles gezien, maar ik moet het allemaal nog maar zien.29

De regel ‘in alle huizen waar ik kom liggen van mij boeken’, uit Camperts gedicht ‘ik, ik, ik’, geldt tegenwoordig allerminst voor zijn zelfgemaakte debuut.30

Dat de in 2009 gemaakte beschrijving van Luceberts bibliotheek geen melding maakt van Ten Lessons with Timothy, wil niet zeggen dat de dichter-kunstenaar nooit een exemplaar heeft gehad. De Amsterdamse tandarts C.A. (Kees) Groenendijk kocht vanaf de jaren ’50 tekeningen en soms boeken rechtstreeks van Lucebert; zijn Lucebert-verzameling ging in 1986 over naar het Stedelijk Museum.31 Toen Lucebert, Bert Schierbeek en hun beider geliefde Frieda Koch nog hun domicilie hadden in Van Eeghenstraat 152, heeft Groenendijk vermoedelijk een Ten Lessons with Timothy bemachtigd.32 Antiquaar André Swertz kocht het vervolgens van Groenendijk en verkocht het aan poëzieliefhebber Wim van Til.33 Die deed het op zeker moment weer over aan Swertz, zodat deze hetzelfde exemplaar opnieuw kon verkopen, nu aan de Belgische bibliofiel Dirk-Emma Baestaens.34 Dit exemplaar, het tweede mij bekend, is eveneens genummerd ‘een’ en gesigneerd, maar is te onderscheiden van andere exemplaren doordat de laatste vellen in de rechteronderhoek lichtelijk verschroeid zijn. De bundel heeft ooit iets te dicht bij een brandende sigaret gelegen. De schuldige laat zich niet meer kennen; vrijwel alle Vijftigers rookten.

Dubbelgevouwen

Behalve met Lekkerkerker correspondeerde Vinkenoog ook intensief met Ad den Besten.35 Op zestienjarige leeftijd was Den Besten gedebuteerd als dichter in het protestantse tijdschrift Opwaartsche Wegen, kort na de oorlog kwam hij als lector in dienst bij de christelijke Uitgeversmaatschappij Holland. Den Besten was altijd geïnteresseerd in de literatuur van dit moment. Na enkele vergeefse pogingen slaagt hij er in februari 1950 in de poëziereeks De Windroos te beginnen, waarvoor hij als enig redacteur de verantwoordelijkheid draagt. In De Windroos wil Den Besten vooral werk uitgeven van jonge dichters, die hij stimulerend en kritisch begeleidt. Vinkenoog debuteert in de laatste week van 1950 in De Windroos met de bundel Wondkoorts. In de hieraan voorafgaande correspondentie tussen Den Besten en Vinkenoog komt Remco Campert een paar keer voor. Dat Ad den Besten begin 1951 een exemplaar van Ten Lessons with Timothy ontvangt, is hoogstwaarschijnlijk te danken aan Vinkenoogs enthousiasme voor Camperts verzen.36

Het exemplaar van Den Besten, alweer genummerd ‘een’, staat decennialang in de boekenkast: dubbelgevouwen heeft het bijna hetzelfde formaat als een bundel in De Windroos. In 2011 moet Den Besten, die aan Alzheimer lijdt, verhuizen naar een verpleeghuis. Een deel van zijn boekerij gaat naar Tjerk de Reus, die werkt aan een proefschrift over Den Besten. In december biedt De Reus op internet de uitgave aan. Ik mag mezelf een maand later de gelukkige koper noemen. De opbrengst van Den Bestens exemplaar komt volledig ten goede van diens biografie.

Ad den Besten was een kritische lezer, die in de kantlijn van de poëzie aantekeningen maakte. Zo voorzag hij het begin 1951 in het tijdschrift Podium afgedrukte gedicht ‘Lente suite voor Lilith’ van Lucebert met potlood veelvuldig van commentaar. Onder het woord ‘torrelt’ zette hij een streep en de opmerking: ‘oubol’, naast de bekende ‘kyrie eleison’-passage noteerde hij:

hoe draag je dat voor? overvloed van leestekens gewenst. waarom niet ki ka ko?

Ook in Ten Lessons with Timothy staan in potlood en inkt enkele strepen. Den Besten schrapt bovendien twee regels in het negende gedicht en twee strofen in het tiende gedicht.

Uit de enig bewaard gebleven brief van Den Besten aan Campert spreekt dezelfde kritische houding. Op 13 januari 1951 reageert Den Besten, met het oog op een uitgave, op een door Campert toegestuurde verzameling verzen. Op de vijftien gedichten die hij de moeite van het bundelen waard vindt, geeft hij beargumenteerd commentaar, beleefd doch ‘unverfroren’.37 Sommige dichtregels vindt Den Besten ‘zomaar vervelend’. Een algemene opmerking luidt:

Waarom doe je toch zo op-de-hoogte-van-de-moderne-techniek, terwijl je veelal met die gegevens niets doet, ze alleen noemt en uitstalt?38

Den Bestens begeleiding resulteert in de zomer van 1951 in Vogels vliegen toch, het officiële debuut van Remco Campert, de veertiende bundel in de reeks De Windroos.

Uitgevent en weggegeven

Gewend om niet alles te geloven wat gedrukt staat, schrijf ik Remco Campert een brief over zijn in eigen beheer uitgegeven debuut. Of de oplage werkelijk maar 25 exemplaren bedraagt? Ergens koester ik de hoop dat Campert een exemplaar tevoorschijn zal toveren. Sterker, het is niet ongebruikelijk dat schrijvers een stapeltje of doosje exemplaren van hetzelfde boek op zolder hebben staan. En anders weet hij de bundel misschien te traceren.

De dichter herinnert zich weinig meer:

Een paar exemplaren hebben we uitgevent op de Boulevard St. Michel aan Nederlandse Parijsbezoekers, de rest weggegeven aan vrienden (zoals Simon V.) en kennissen. Aan wie allemaal is uit mijn geheugen gewist; het is lang geleden. Zelf heb ik geen ex. meer.39

Remco Campert is überhaupt nooit een verzamelaar of bibliograaf van zijn eigen werk geweest. Tien jaar na het Braak-avontuur moest hij een medewerker van de Documentatiedienst van het Letterkundig Museum bekennen geen enkel nummer van zijn eigen tijdschrift bewaard te hebben, ‘gevolg van grote slordigheid’.40

Dit was niet de eerste keer dat een verzamelaar de dichter over diens debuut aansprak. De Haagse bibliofiel Simon van Wouwe deed het dertig jaar geleden ook, kort nadat hij Ten Lessons with Timothy pardoes in bezit had gekregen.

Ik liep de toenmalige antiquarische afdeling van boekhandel H. de Vries in Haarlem binnen. En daar, in de vitrine, lag Camperts debuut. Nummer één van de oplage. Prijs: fl 39,50. Ik sprong natuurlijk een gat in de lucht.

Toen Van Wouwe Campert later in de koffiehoek van Athenaeum Boekhandel op het Spui zag zitten, sprak hij hem aan.

Ik vertelde dat ik Ten Lessons had gevonden. Hij wilde het onmiddellijk van mij kopen. Dat wilde ik natuurlijk niet. Ik was toen heel serieus Vijftigers aan het verzamelen. André Swertz was in 1977 met zijn catalogus De Vijftigers gekomen en die vroeg heel andere prijzen.41

Over de herkomst van Van Wouwe’s exemplaar, dat ook dubbelgevouwen is geweest, is niets bekend.

Warme verwarring dichten

Ten Lessons with Timothy laat zich lezen als een neerslachtig relaas van Camperts verblijf in Parijs. ‘Het was een koude winter’… De barre decembermaand van 1950 is het decor van de tien gedichten. In het eerste gedicht vriezen ’s nachts ‘sterren in de stoepen’ en ‘drukken wij plakplaatjes van vogels/ op de bloemenruiten af’. Bomen zijn ‘bijna ontzield’, takken zijn dood, een sloot is bedekt met ‘stijfgevroren water’. Er wordt naar warmte verlangd. In het vierde gedicht loopt ‘een jongetje in matrozenkleren’ verwonderd te dwalen op ‘het warme strand’. Maar de dichter realiseert zich – want ‘hoe ver is van hier’ – dat dit slechts een vaag verlangen kan zijn. Melancholisch zijn het derde en vijfde vers, waarin ‘Moldau en Seine/ twee eendere rivieren zijn/ door dezelfde bruggen ingesnoerd’ en ‘alles [scheen] te zijn geplaatst onder een adembenemende glazen stolp’.

Droevig en bijna meelijwekkend is het negende gedicht, dat opent met de fraaie regel: ‘het verstilde gelaat van alles in kou’. Kranten slaan ‘een krans van gestolde bloedkorrels’ om het voorhoofd.

ik loop geen bontkraag van warmte
over dit gezicht
geen vijftiende eeuws gedicht
ik sta in de sterren geschreven
als opgegeven

De tweede strofe van ‘9.’ heeft een romantisch citaat van Lucebert, uit diens gedicht ‘de amsterdamse school’, waarvan de inkt toen nog nat was (‘we schrijven dichters 2 nov 1950’ is de datering in het gedicht) en dat net was verschenen in het novembernummer van Braak. Aan het slot van Camperts vers is weer de triestheid, die toch ook een glimlach oproept.

‘ik wil alleen wonen
tussen mijn alleenstaande ledematen’
maar in mijn lichaam
zijn altijd kamers te huur
voor de laagstbiedende
en ik verwissel de nummers
om warme verwarring te dichten

In het tiende en laatste gedicht wordt de Timothy uit de titel drie keer rechtstreeks aangesproken en een les geleerd. Het gedicht opent met een uitzicht op Parijs: ‘Timothy/ de daken zijn swinters/ spiegels alleen voor sterren’. Timothy – en ook de lezer – moet naar jazzmuziek luisteren uit ‘de glazen piano van papa Tristano’. Verder staan er in dit gedicht louter inzichten van uitzichtloosheid en metaforen van vergeefsheid. Seinen van ‘reeds gestorven planeten’ zijn ‘onontcijferbaar’ en wij zijn gedoemd ‘een sleutel te zoeken/ die verroest is en vergaan’. Dit is het enige gedicht uit de bundel, volgens het colofon ‘geinspireerd op de gelijknamige gramofoonplaat van Dizzy Gillespie’, waarin sprake is van muziek: ‘barre vogel van Klee/ vliegend in een zacht getinte poolnacht’ luidt de associatie.

Paarsrode balpen

Van slechts vier exemplaren van Camperts absolute debuut is nu de verblijfplaats bekend. Het is opmerkelijk dat alle getraceerde exemplaren van Ten Lessons with Timothy in het colofon nummer ‘een’ hebben meegekregen. Vijfenzestig jaar na dato heeft Campert wel een vermoeden waarom ze dat deden:

ik denk dat we iedereen nummer 1 gunden. En ook uit een soort jonge honden speelsheid.42

De nummers en handtekeningen in de vier colofons zijn vrijwel identiek: waarschijnlijk is de gehele oplage op hetzelfde moment genummerd en gesigneerd met dezelfde paarsrode balpen.

Slechts vier? Vooralsnog vier. De Amerikaanse antiquaar H.P. Kraus merkt in zijn autobiografie op:

In this business, you never assume that six copies exist because six are recorded. There could be another one. There could be, though not likely, another six.43

Na een zoektocht van vier jaren weet ik alleen niet of dit nu troostend of verontrustend is.

Dit verslag van een zoektocht naar het debuut van Remco Campert verscheen in De Parelduiker, jrg. 20, afl. 4 (september 2015). Een uitgebreide en herziene versie was de losse bijlage van de herdruk van Ten Lessons with Timothy (2016).


Noten

1. Remco Campert, Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (Amsterdam 1999), p. 13.
2. Hugo Claus en Karel Appel, De blijde en onvoorziene week (Parijs 1951); Hans Andreus en Karel Appel, De ronde kant van de aarde (Parijs 1952); Simon Vinkenoog en Corneille, Driehoogballade (Parijs 1950). Ondanks hun kleine oplagen (200, 100, resp. 60 stuks) duiken exemplaren van deze uitgaven geregeld in de (kunst)handel op.
3. Vergelijkbare zoektochten naar en inventarisaties van (alle) exemplaren van één specifieke Nederlandse twintigste-eeuwse uitgave zijn eerder ondernomen. Marco Goud traceerde in Een ondraaglijke drukfout (Woubrugge 2005) elf van de veertien exemplaren van Boutens’ Naenia en Anneke de Vries beschreef in het Ploeg Jaarboek (Groningen 2008) de kopers van de eerste suite Chassidische legenden van H.N. Werkman, terwijl De Vries samen met Paul van Capelleveen voor de website van de Koninklijke Bibliotheek een census van Werkmans Hot Printing maakte. In de Angelsaksische wereld valt te denken aan de catalogus bij de tentoonstelling van 24 ‘eerste’ exemplaren van Joyce’ Ulysses door Glenn Horowitz (New York 1998) en de diepgravende studie van William S. Peterson en Sylvia Holton Peterson, The Kelmscott Chaucer. A Census (New Castle 2011).
4. Zie voor een overzicht van Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs: Paul Arnoldussen, Rue d’Amsterdam (Amsterdam 2002) en Diederik Stevens, Hoogtij langs de Seine (Amsterdam/Antwerpen 2012). Het laatste boek geeft veel data en adressen.
5. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 15 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1. Het ‘rode buisje’ is vermoedelijk een verwijzing naar de in 1914 vermoorde socialistenleider Jean Léon Jaurès.
6. Doorslag van brief Simon Vinkenoog aan Remco Campert, 28 oktober 1950. Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Signatuur: V 06092 B 1.
7. Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert (Amsterdam 2004), p. 230.
8. Remco Campert, ‘Rue Mouffetard’ in: de Volkskrant, 12 juli 2014.
9. Brief Remco Campert aan Juc Cohen en Simon Vinkenoog, 28 december 1950. Collectie Letterkundig Museum. Signatuur: C 01463 B 1.
10. Hugo Claus, Een zachte vernieling (Amsterdam 1988), p. 82.
11. Remco Campert, ‘Slaperig en immaterieel’ in: de Volkskrant, 12 maart 2011. Opgenomen in: Remco Campert, Het verband tussen de dingen ben ik zelf (Amsterdam 2012), p. 79.
12. De newlyweds verbleven van 22 december 1950 tot 4 januari 1951 in Londen. Zie: Hans Andreus en Simon Vinkenoog, Brieven 1950-1956. Inleiding, tekstverzorging en aantekeningen door Jan van der Vegt (Baarn 1989), p. 63.
13. Gerrit Borgers, Jurriaan Schrofer, Simon Vinkenoog en Ellen Warmond (samenstelling), De beweging van vijftig (Amsterdam/Den Haag 1965), p. 35 en 51.
14. Simon Vinkenoog, ‘Sprokkelen in de herinnering: de nederlandse 5-tigers’ in: Diagram, jrg. 1, afl. 1 (januari 1963), p. 5.
15. Antiquariaat Schuhmacher, Catalogus 236 De Tooverfluit: 608 Boeken in eerste druk met opdrachten van Nederlandse & Vlaamse schrijvers – in vriendschap – voornamelijk aan mede-auteurs (Amsterdam 2000), nummer 78; Antiquariaat Schuhmacher, Vlugschriften, 24 en 25 oktober 2011; ‘Camperts debuut 61 jaar dichter’ in: de Volkskrant, 29 oktober 2011.
16. Mededeling Wilma Schuhmacher aan mij, 6 maart 2013.
17. Mededeling René Hesselink aan mij, 14 maart 2012; mededeling Fokas Holthuis aan mij, 16 januari 2012; mededeling Berend Immink aan mij, 13 februari 2012; mededeling Han Rouwenhorst aan mij, 25 juni 2012.
18. Mededeling Jeffrey Bosch aan mij, 26 juni 2012; mededeling Bubb Kuyper aan mij, 27 augustus 2012.
19. Mededeling Karel N.L. Grazell aan mij, 23 februari 2012.
20. Mededeling Ser J.L. Prop aan mij, 26 maart 2012; mededeling Ferdinand Langen aan mij, (10 juni 2013); mededeling Michiel Schierbeek aan mij, 2 juli 2012.
21. Mededeling L.J.A. van der Zant-Paulides aan mij, 11 juli 2012; mededeling Veerle Claus-De Wit aan mij, 5 augustus 2012.
22. Mededeling Jan van der Vegt aan mij, 25 juni 2012.
23. Mededeling Sarah Hart aan mij, 16 februari 2012.
24. Lisa Kuitert (redactie), De lezende Lucebert. Bibliotheek van een dichter (Nijmegen 2009).
25. Brief Simon Vinkenoog aan Kees Lekkerkerker, 19 april 1951. Collectie erven Lekkerkerker. Met een enkele wijziging verschijnt de cyclus van tien gedichten in: Podium, jrg. 7, afl. 2 (maart-april 1951), p. 81-86.
26. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 3 februari 2012.
27. Mededeling Gert Jan Hemmink aan mij, 24 februari 2012.
28. Veilinghuis J.L. Beijers, The bibliophile and scholarly library of the late J.B.W. Polak (1928-1992) (Utrecht 1993).
29. Mededeling Koen Hilberdink aan mij, 12 maart 2012.
30. Vijf 5tigers (Amsterdam 1958), p. 36.
31. Website, 20 mei 2014.
32. Mededeling André Swertz aan mij, 3 februari 2012.
33. Mededeling Wim van Til aan mij, 12 februari 2012; mededeling André Swertz aan mij, 25 januari 2013.
34. Mededeling Dirk-Emma Baestaens aan mij, 2 april 2013.
35. Tjerk de Reus, ‘Biografische schets van Ad den Besten’ in: Dader van het woord. Over Ad den Besten (Rotterdam 1998), p. 4-87.
36. Brief Simon Vinkenoog aan Ad den Besten, 30 september 1950. Geciteerd in: Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 193.
37. Elly Buelens, Ad den Besten en de dichters van Vijftig. De Windroos 1950-1958 (Leiden 1992), p. 192-195.
38. Fotokopie van brief Ad den Besten aan Remco Campert, 13 januari 1951. Collectie erven Den Besten.
39. Brief Remco Campert aan mij, 30 januari 2012.
40. Brief Remco Campert aan Kees Lekkerkerker, 1 juni 1960. Geciteerd in: Antiquariaat Fokas Holthuis, Catalogus 61 Het Lachende Boek (Den Haag 2012), nummer 14.
41. Mededeling Simon van Wouwe aan mij, 23 maart 2013.
42. Brief Remco Campert aan mij, 19 februari 2012.
43. H.P. Kraus, A Rare Book Saga (New York 1978), p. 144.

Mystificaties en falsificaties

In november 2016 verschijnt de biografie van Boudewijn Büch, waaraan Eva Rovers sinds september 2011 werkt. Daarvoor kreeg ze als eerste en enige toegang tot het volledige archief van Büch. Maar niet iedereen ziet reikhalzend uit naar het dikke boek over de dichter, televisiemaker en columnist.

Waarom moet, door middel van boeken, kranten, tijdschriften, radio, televisie, internet, etcetera de hele Nederlandse bevolking geconfronteerd worden met privézaken die zich pakweg dertig jaar geleden afspeelden tussen Boudewijn Büch en een stuk of twintig “vrienden”?

schrijft Eric Schneyderberg in de eerste aflevering van een, naar eigen zeggen, ‘vermakelijk feuilleton’. Zijn zojuist begonnen reeks heet ‘Hoepeltjes springen bij groeizaam weer’ (mirror) en is een initiatief van de Actiegroep Stop De Biografie, bijgestaan door de Stichting Laat Die Jongen Toch Met Rust.

Zou het niet beter zijn als deze mensen een eigen club zouden oprichten? De BOUDEWIJN BÜCH BEDROGEN VRIENDEN CLUB? In dat geval kunnen ze in hun clubblad – oplage twintig exemplaren, enkele stuks Hors Commerce toegestaan – hun ervaringen en herinneringen delen, elkaar de loef afsteken en wat al niet.

Schneyderbergs idee stamt uit 2004, maar in de aanloop naar de verschijning van Rovers’ biografie schiet de gedachte steeds vaker door het hoofd van de antiquaar. In een aan zijn oorspronkelijke stuk toegevoegde inleiding vermoedt Schneyderberg dat hij met zijn herhaalde oproep weinig vrienden zal maken. Hij stelt zijn ‘intimi’ nog zeven afleveringen in het vooruitzicht.

Over de vermeende pseudologia phantastica van Boudewijn Büch is al veel gezegd en geschreven. In 2004 liet Rudie Kagie in een biografische schets van Büch verschillende (voormalige) vrienden en geliefden aan het woord over het gefantaseerde leven van de schrijver. Een jaar later verscheen Een andere Boudewijn Büch van Harry G.M. Prick, die in 1984 zijn Wahlverwandtschaft met Büch abrupt in rook zag opgaan. Prick blikte in zijn boek terug op een intense vriendschap, maar stond ook stil bij Büchs ‘mystificerende trekken’.

Eric Schneyderberg was jarenlang Büchs hoofdleverancier van boeken, prenten en langspeelplaten. Hij werkte vanaf 1989 bij de antiquarische afdeling van De Slegte, stelde vier aan Büch gewijde verkoopcatalogi samen en verzorgde ook enkele luxe-edities van werk van Büch. Ze hielden wel van een geintje, Schneyderberg en Büch. Aan Kagie vertelde Schneyderberg dat ze bij het samenstellen van Büchs Verzamelde gedichten in 1995 ‘een paar literaire geschiedvervalsingen’ in de bundel hadden verstopt, waar zelfs redacteur Ernst Braches nooit van op de hoogte is gebracht.

Nee, ik ga niet zeggen waar die falsificaties uit bestaan. Laat anderen dat maar proberen te achterhalen.

Uit de te verschijnen Büch-biografie zal blijken of Eva Rovers die handschoen heeft opgepakt.

De blinde vlek van een biograaf

In zijn ‘met zorg geschreven boek’ over de eerste dertig levensjaren van W.F. Hermans wijdt Willem Otterspeer twee hele hoofdstukken aan Hermans als lezer. In het elfde hoofdstuk van De mislukkingskunstenaar (2013), ‘Lezen’, komt de lectuur van de middelbare scholier Hermans aan bod. Het vierentwintigste hoofdstuk, ‘Hij las’, behandelt Hermans’ lectuur in de Tweede Wereldoorlog. Van de door Otterspeer geraadpleegde archivalia wordt het ‘Lijstje van boeken die mij het meest getroffen hebben, resp. “openbaringen” waren, “vereerde” schrijvers’, in de oorlog door Hermans samengesteld, herhaaldelijk opgevoerd. De eerste foto van een volwassen Hermans, in deze biografie, toont hem lezend.

Overigens staan pa en ma Hermans in het illustratiekatern eveneens lezend afgebeeld, hun gezichten afgewend van camera en fotograaf. Otterspeer beschrijft het gezin waarin Hermans opgroeit als ‘een in zichzelf gekeerde wereld’. Hermans wordt in isolement opgevoed: op straat spelen is er niet bij. De biograaf geeft angst als motief voor de strikte beslotenheid van dit gezin, dat radicaal burgerlijk is. Uit angst wordt nooit iets weggegooid, uit angst wordt alles achter slot en grendel bewaard.

Krasse constatering: in het ouderlijk huis van W.F. Hermans stonden de boeken in afgesloten en vergrendelde kasten.

De lectuur van Hermans wordt in De mislukkingskunstenaar besproken, maar nergens wordt zijn bibliotheek genoemd. In De zanger van de wrok (2015), over Hermans’ leven van 1953 tot aan zijn dood in 1995, worden alleen een aflevering van Autokampioen (waarin Hermans twee kruisjes naast gewilde automobielen plaatste) en Panizza’s Aussprüche (waarin hij een passage aanstreepte) genoemd. Als Otterspeer schrijft welke boeken Hermans las, bedoelt hij meestal welke teksten Hermans tot zich nam; zelden komen de exemplaren ter sprake die hij daadwerkelijk in handen had. Daardoor blijven ook zijn leesaantekeningen buiten beeld, de talloze krabbels in de kantlijn. Hermans schreef immers terwijl hij las.

Sinds de verkennende studie Marginalia. Readers writing in books (2001) van H.J. Jackson is de aandacht voor marginalia in de wereld van boek en bibliotheek flink toegenomen. Groot nieuws was in 2014 de ontdekking van het woordenboek van Shakespeare, voorzien van diens aantekeningen in de marge. En een van de belangrijkste redenen voor de Universiteitsbibliotheek Leiden om de bibliotheek van Menno ter Braak te verwerven, was juist het feit dat de schrijver tijdens het lezen streepjes zette, vraagtekens noteerde, opmerkingen maakte. Ter Braaks boekerij is nu een uitzonderlijk studieobject. Eerder werden de bibliotheken van Lucebert en Mulisch al in kaart gebracht.

Otterspeer had toegang tot alle hoeken en gaten van Hermans’ gigantische archief. Zat Hermans’ boekenkast soms op slot?

Niet bepaald. De complicerende factor bij onderzoek naar het boekenbezit van W.F. Hermans is het feit dat zijn bibliotheek over een periode van tientallen jaren versnipperd is geraakt, waardoor een groot deel van de boeken onbereikbaar was voor de biograaf. De bibliotheek van Willem Frederik Hermans, als cumulatie van een leven lang kopen en lezen, is een fictie. Een verhuizing was voor Hermans vaak het uitgelezen moment om in zijn boekenkast te wieden en overbodig of oninteressant geworden boeken weg te doen. Vanaf de jaren zeventig zijn er honderden boeken met aantekeningen van Hermans beland bij veilinghuizen en antiquariaten.

Een biograaf werkt altijd met thema’s en aandachtspunten. Hij moet, zeker wanneer er een overstelpende hoeveelheid materiaal is, keuzes maken. Zo noemt Otterspeer in zijn boeken wel dat Hermans als jong ventje nu en dan een pak voor zijn blote billen kreeg en aan wie de schrijver voor het eerst zijn piemel liet zien, maar koos hij ervoor om de enkele honderden boeken uit het bezit van Hermans in de collectie van het Letterkundig Museum links te laten liggen. Bij het optekenen van het levensverhaal van een schrijver die zichzelf omschreef als iemand die ‘au fond voor boekenwurm in de wieg gelegd [was]’ is dat tamelijk opmerkelijk.

Willem Frederik Hermans stapte vaak een antiquariaat binnen. Zijn leeshonger dreef hem als puber al naar boekenmarkten op het Amstelveld en het Waterlooplein. Willem Otterspeer heeft zich niet door zijn held laten inspireren. Het antiquariaat is de blinde vlek van de biograaf. Momenteel, en ook toen Otterspeer aan zijn biografie werkte, zijn er tientallen interessante boeken uit het bezit van Hermans – sommige aan hem opgedragen, andere met zijn aantekeningen – te vinden bij de antiquariaten Schuhmacher, A. Kok & Zn., Hinderickx & Winderickx en Fokas Holthuis. Ook deze exemplaren werden niet door de Hermans-biograaf geraadpleegd.

Friedrich Nietzsche was een van de helden van de jonge Hermans. Also sprach Zarathustra las Hermans als vijftienjarige al (oordeel: ‘heel prachtig’) en in 1939 hield hij voor de literaire schoolvereniging een verhandeling over Nietzsche. De filosoof was een levenslange fascinatie: naar Nietzsche’s huizen en werkplekken maakte Hermans begin jaren tachtig pelgrimages. Otterspeer in De mislukkingskunstenaar: ‘Er bleef jammer genoeg maar één deeltje bewaard van zijn oude Nietzsche-uitgaven’ – gevolgd door een citaat van de passage die Hermans in dit deel aanstreepte. In het antiquariaat wordt echter ook veel waardevols bewaard: sinds 2007 staan achttien delen van Nietzsche’s wetenschappelijke brieveneditie, ‘with annotations & markings in pencil on some of the first endpapers & margins by W.F. Hermans’, te koop bij Kok in Amsterdam.

Maar het kan altijd erger. Na de dood van de schrijversweduwe Emmy Hermans-Meurs in 2008 doken er bij de plaatselijke kringloopwinkel in Broek in Waterland opeens boeken op met het ingeplakte exlibris van Hermans. Een oplettende verzamelaar uit Amsterdam-Noord haalde bij deze ‘kringloopwinkel +’ een tiental mooie boeken van de plank. Vroegtwintigste-eeuwse Spaanse literatuur, evenals biografieën van Dickens en Flaubert, met in de kantlijn strepen en aantekeningen van W.F. Hermans. Voor minder dan twee tientjes kon de verzamelaar ze meenemen. Geen Hermans-biograaf, geen Hermans-instituut had bedacht dat die boeken nog van nut konden zijn.

En zelf kon ik even later – via een tussenpersoon, die een riant vindersloon bedong – uit dezelfde dozen het zo goed als complete poëtische oeuvre van Gust Gils, in afzonderlijke dichtbundels, bemachtigen. Uiteraard staan in elk exemplaar vriendschappelijke opdrachten van Gils en leestekens van Hermans. Gemist door Otterspeer, die de briefwisseling Hermans-Gils typeerde als ‘een van de boeiendste uit het hele Hermans-archief’.

Dat een reconstructie van Hermans’ boekerij niet meer tot de mogelijkheden behoort, daar valt mee te leven. Verbijsterend is evenwel dat deze biograaf – die zich tien jaar lang op leven en werken van een schrijver heeft gestort, die te pas en te onpas pronkte met het hem door de erven geschonken aantekenboekje waarin de schrijver opschreef wat hij las – niet heeft willen zien wat er bij de weduwe Hermans in de boekenkast stond. Dat waren de boeken die Willem Frederik Hermans nooit had afgedankt, die hij tot het eind van het leven bij zich wilde hebben. Otterspeer had het kunnen weten: bij Hermans zijn de laatste drukken, de boeken het laatst ingezien, het belangrijkst.