Jongenskamer

Wanneer er een vervolg komt op de succesvolle Literaire wandeling Groningen, en die letterkundige voettocht speelt zich af in Haarlem, dan moet er beslist halt gehouden worden bij het vrijstaand huis op Churchilllaan 54. Josephus Nicolaas Meijsing (1920-2004), gemeentesecretaris van Haarlem, was er de heer des huizes. Alida Elvira Johanna Schouten (1919-2010) was zijn vrouw. Dochter Doeschka en zoon Geerten groeiden hier op.

De ‘klassieke hoekvilla met vrijstaande garage en beschutte tuin op het westen’ uit 1926 staat al even te koop. De vraagprijs is intussen gezakt van 745.000 euro naar 599.500 euro.

Huize Meijsing ‘is gedateerd maar heeft nog vele originele details’, aldus Funda. Ofwel: er heeft een stolp overheen gestaan. Dat is voor literair-historici een groot geluk.

Op de tweede verdieping van de villa, rechts aan de straatkant, was de kamer van Geerten Meijsing. Dit was ook de plek waar hij met Kees Snel, alias Joyce & Co., het debuut Erwin 5 oktober 1972 (1975) schreef. Hier hielden zij hun ‘werkklasjes’ en maakten ze vertalingen van het werk van Baudelaire, Burroughs en Rolfe.

Twee weken geleden plaatste Geerten Meijsing op Twitter een paar kiekjes (hier, hier) van zijn jongenskamer. Het zijn zwart-witfoto’s van ‘la chambre verte’, zo geheten vanwege de groene wasbak, de groene boekenplanken en de groene schrootjes tegen de muur. De kleurenfoto van de makelaar laat nu zien dat er in veertig jaar tijd weinig is veranderd. Zelfs de oude handboeken van Joyce & Co. staan er nog. Alleen de groene verf heeft niet meer de hoogglans van vroeger.

Dankzij vier panoramafoto’s is de sfeer in Huize Meijsing goed te proeven. Portretten van vader en moeder Meijsing, de oude Singer van ma, twee allerlaatste flessen.

Elke verandering is een verslechtering, zelfs een verbetering. Een renovatie van Churchilllaan 54 zal een flard literaire geschiedenis uitwissen. Maar daarvoor zal het huis eerst verkocht moeten worden.

Zoetjes klinkende studentenleut

Zij deed de levende schrijvers en ik de dode. We werkten allebei onze lijstjes af. Zij vond een geschikt gedicht van Tonnus Oosterhoff bij de Carolieweg, ik koppelde het juiste briefcitaat van W.F. Hermans aan de Ossenmarkt. Zo eenvoudig verdeelden Roos Custers en ik in 2011 de taken bij het samenstellen van de Literaire wandeling Groningen. Dus de passage over Nanne Tepper, voorafgegaan door twee zinnen over het Belcampo Stipendium, moest uit de pen van Roos vloeien.

In 1997 was de beurt aan Nanne Tepper, die enkele jaren daarvoor indruk had gemaakt met zijn debuutroman De eeuwige jachtvelden. Zijn stipendiumopdracht mondde uit in de novelle De avonturen van Hillebillie Veen.
Tepper woont nog steeds in de stad Groningen maar mengt zich zelden tot nooit in het literaire leven. Uitgeverij Contact meldt op haar website dat hij werkt aan een nieuwe roman; wij wachten met spanning op dat levensteken.

Onze wandelgids verscheen in mei 2012. In november 2012 pleegde Nanne Tepper zelfmoord. In de voorbereiding van de tweede, herziene druk van de Literaire wandeling Groningen wisselde Tepper van lijstje. Het levensteken werd geschrapt. Maar zijn vermelding bleef staan op pagina 36, waar de literaire wandelaar langs het Provinciehuis komt, de locatie van de tweejaarlijkse uitreiking van het Belcampo Stipendium.

Geen van de vijf wandelingen in de gids leidt naar de wijk Oosterpoort. Daar, op Nieuwstraat 54, in een rijtjeshuis uit 1915, stond het schrijfbureau van Nanne Tepper. Boven elke brief die hij hier tikte stond de huisnaam: Ardis Hall, genoemd naar het huis in de hevig door hem bewonderde familiekroniek Ada (1969) van Vladimir Nabokov.

(In Nabokovs Ardis Hall slaat de vonk over tussen Ivan en Ada, broer en zus – maar dat weten zij dan nog niet. Tepper verwijst in zijn werk geregeld naar Nabokov; op pagina 260 van De eeuwige jachtvelden (1995) wordt Ardis letterlijk genoemd, in een brief van hoofdpersoon Victor aan zijn zus Lisa. Ook zij zijn gedoemd elkaars geliefde te zijn.)

Het zal niet moeilijk zijn om Nanne Tepper in de derde, ooit te verschijnen druk van de gids meer recht te doen. In de eerste wandeling, een rondje door het centrum van Groningen, past het volgende citaat uit De eeuwige jachtvelden, ter hoogte van de Peperstraat en de Grote Markt. De sombere voorspelling is van Hille Veen, aangehaald door Lisa.

Volgens Veen lieten de junkies zich niet meer naar de buitenwijken jagen en kropen ze ’s nachts door het centrum. En volgens een vriendin van hem, die bij de krant werkte, was de Peperstraat – het hart van het centrum – in handen van een bende die, als in een televisieserie, bescherming en portiers leverde, portiers die elke week slachtoffers maakten. Al dat rumoer leek nog aangelengd met zoetjes klinkende studentenleut. Maar, zei Hille, het wachten is op de dag dat de Grote Markt de status van OK Corral verdient en we niet meer staan te lachen bij een schietpartij.

En de volgende zin uit Teppers roman De vaders van de gedachte (1998) zou als motto boven elke wandeling kunnen staan, omdat de openbare bibliotheek aan de Oude Boteringestraat het begin- en eindpunt van elke literaire wandeling is. Aan het woord is de Groningse conferencier Co Starring:

Juist de stijlvolle pogingen van bouwmeesters mislukken: in de nieuwe bibliotheek is geen ruimte meer voor boeken; men moet er in de rij kunnen staan.

Olifant

Zonder de oude zwart-witfoto’s van Groningse schrijvers en interieurs was de Literaire wandeling Groningen een stuk saaier geweest. In de overweldigende berg gedigitaliseerde foto’s in de Beeldbank Groningen vonden we bijvoorbeeld een strak portret van Belcampo anno 1956 en een opname van de sfeervolle Openbare Leeszaal en Boekerij in 1914. De Beeldbank geeft de mogelijkheid om op locatie te zoeken; voor ons literaire wandelaars, schrijvend van adres naar adres, een schitterende uitvinding.

Lunchroom Lang en de schrijvers en kunstenaars die er hun kopje koffie dronken zijn nooit door een fotograaf vastgelegd. De lunchroom, in de naoorlogse jaren gevestigd op Herestraat 45, wordt kort genoemd in onze wandelgids. Er is precies een scherpe foto van de volledige voorgevel van het pand, maar die viel meteen af, omdat manufacturenhandel C.H. Vroom er toen nog zat. Onze zoektocht leverde nog een foto op van lunchroom Lang, al wordt daarop de gevel aan het zicht onttrokken door een mensenmenigte en een olifant. En juist dit surrealistische kiekje (let op het verkeersbord) heeft beide drukken van de Literaire wandeling Groningen gehaald.

Een olifant in een wandelgids, waarom niet?

Het zijn er trouwens twee. Er staan twee olifanten in de Herestraat. Met dompteur Aage Nielsen maakten ze in juli 1951 een wandeling door de binnenstad, opdat het volk zou weten dat het rondtrekkende circus van Jos Mullens weer in Groningen was neergestreken. De zusters van het diaconessenhuis aan de Praediniussingel kregen de mastodonten ook te zien.

Het had niet veel gescheeld of Circus Jos Mullens had Groningen in 1951 overgeslagen. Eind 1949 moest de tournee worden afgelast vanwege een door storm vernielde tent. In april 1950 waren de stallen en 22 paarden bij een grote brand verloren gegaan. In mei 1951 kreeg directeur Mullens een proces-verbaal wegens overtreding van de Arbeidswet (kinderarbeid). Een maand later stortte weer een andere circustent in.

Van 6 tot en met 14 juli 1951 liepen er panters, olifanten, raspaarden, luchtacrobaten, slangenmensen en Vlaamse clowns over de Ossenmarkt. W.F. Hermans had ze vanachter zijn schrijftafel kunnen zien, maar hij heeft het hele circus op een haar na gemist. De schrijver ging pas eind 1952 in Groningen wonen.

Gelukkig bleef het circus, jaar in jaar uit, zijn tent opslaan op de Ossenmarkt. Hermans aan Reve, 10 september 1955:

Al een week lang wordt het huis aan de buitenkant geschilderd zodat er op de meest onverwachte ogenblikken mannen op ladders voor de ramen staan en naar binnen kijken. Ik kan geen pest uitvoeren. Als ze weg zijn komt er een circus voor de deur. Ik wil verhuizen, maar ik weet niet waar naartoe. Herhaaldelijk fantaseer ik dat ik een V2 ben die uit de stratosfeer geruisloos op deze stad afkomt en onder wellustige gevoelens uit elkaar springt.

Adressen

Vorige week zat ik te rillen in een portiek op de hoek Tuinbouwstraat-Moesstraat. De cameraman die mijn bibberende spraak vastlegde was een Italiaan. Ik moest recht in de lens kijken en vertellen over de dichter die vanaf 1937 dagelijks deze traptreden beklom, naar zijn studentenkamertje. Vervolgens vertelde ik op twee andere locaties over dezelfde man.

Deze korte film over drie Groningse adressen van de dichter A. Marja staat nu online. Eén adres is geïntegreerd in de eerste wandeling (Groningen centrum) van de Literaire wandeling Groningen (2012). Om een volledige bedevaart mogelijk te maken som ik alle mij bekende Groningse woonadressen van A. Marja op. De gaten in de chronologie hoop ik ooit te kunnen vullen.

Na zijn eindexamen gaat Marja op kamers op Tuinbouwstraat 65-B. Daar woont hij zeker tot en met oktober 1939. Vanaf juli 1940 zit hij aan Eeldersingel 8. In januari 1941 verschijnt het adres Herman Colleniusstraat 21-A boven zijn brieven. Vanwege zijn ernstige darmontsteking logeert Marja van de zomer van 1942 tot begin 1944 bij zijn vader in Yerseke. In het nieuwe jaar betrekt hij, aan de beterende hand, met Puckje twee kamers op Donkersgang 1, middenin de stad. Af en toe logeert het jonge paar bij Puckjes ouders op Tuinbouwstraat 156-A. In de zomer van 1945 komt de schipperswoning op Kleine Leliestraat 9 in beeld.

In 1946 vertrekt A. Marja, met vrouw en dochter, naar Bussum. In het villapark Spieghel mag hij in het koetshuis van uitgever F.G. Kroonder wonen. Zoveel jaar later is het nog een prachtige filmlocatie.

Versleten schoenzolen

Zonder de levendige herinneringen van Ferdinand Langen, mij de afgelopen jaren mondeling en schriftelijk meegedeeld, was de Literaire wandeling Groningen een stuk saaier geweest. Mijn eerste exemplaar van de tweede druk was uiteraard voor hem bestemd. Langen ontving de wandelgids per post, met een vrolijke kaart, want hij werd die dag vijfennegentig.

Een week later kreeg ik een allerhartelijkste brief terug:

Eigenlijk moet ik jou feliciteren met de tweede druk van de Literaire Wandelingen. Jullie hebben dus heel veel gevleugelde voeten in beweging gekregen en versleten schoenzolen op jullie geweten. De persoonsregister vind ik een grote aanwinst. Ik miste die inderdaad heel erg in de eerste druk. (Meteen opgezocht hoe vaak en waar ik in dat boekje voorkom.)

In de eerste druk had ik, met de hardnekkige nonchalance van een atheïst, twee geloofsrichtingen verwisseld en de aanstaande schoonvader van Ab Visser bestempeld als een gereformeerde. Gelukkig werd ik door verschillende mensen – waaronder Visser-biograaf Michiel van Diggelen, archivaris Michael Hermse en natuurlijk Ferdinand Langen – op mijn fout gewezen.

Gereformeerden krijgen bijna altijd overal de schuld van en daarom ben ik blij dat jullie Edith nu een katholieke vader hebben gegeven. Zij had trouwens ook een katholieke moeder en een katholieke zuster en zij was zelf ook katholiek. Ab Visser stak zijn hand dus wel in een rooms wespennest en werd dan ook behoorlijk gestoken.