Meer enthousiasme dan vakkennis

Wat de afgelopen eeuw in de Angelsaksische wereld tot een volwaardig genre uitgroeide, is in de Lage Landen maar amper van de grond gekomen: de memoires van de anti­quaar. Aan De Carbolineum Pers, de private press van Boris Rousseeuw, zal het niet liggen. Op de fondslijst staan verschillende uitgaven over Antwerpse boekbinders en lettergieterijen, en in september verschenen de herinneringen van de Antwerpse antiquaar Hugo Boelaert. Vanwege de omvang van de memoires besloot Rousseeuw de tekst niet met de hand te zetten en te drukken, zoals hij gewoon is te doen, maar koos hij voor hoogwaardige prints op gevergeerd papier. De concessie is begrijpelijk.

Vanuit een maandenlange, met alcohol besprenkelde depressie start Boelaert in 1986 met zijn loopbaan als boekverkoper. Hij verkoopt zijn privécollectie antiek en koopt een grote voorraad boeken bij een veilinghuis in Lier, die hij vervolgens uitpakt in een net verworven winkelpand op de Lange Leemstraat 144b. Hij noemt zijn zaak Joyce Royce, naar zijn lievelingsschrijver en, naar hij had gehoord, de beste automobiel. Boelaert stapt zonder studie of gedegen voorbereiding in een avontuur, zo vertelt hij, maar hij ontwikkelt alras een visie voor zijn zaak. Hij wil zich specialiseren, eigenlijk alleen maar zeldzaamheden aanbieden, en geen ‘peperkoeken middelmaat’. Daarvan moet hij later terugkomen, want een tweedehandsboekwinkel kan nu eenmaal niet zonder gewonere, middelmatige boeken als omzet­ makers.

Voor zijn inkoop verkiest de nieuwkomer de particulieren en de veilingen boven de rommelmarkten, turnzalen en parochie­huizen met hun wel heel brede aanbod. Dat besluit heeft Boelaert veel goeds gebracht. Aspirant­antiquaren zullen verder niet veel tips en trucs in deze Winkelanekdotes vinden. Boelaert geeft weliswaar een welkom lesje ‘Hoe Te Bieden Op De Veiling’, maar meestal laat hij zijn hoogstpersoonlijke opvatting gelden over het voeren van een winkelanti­quariaat. Hij legt bijvoorbeeld wel een boek in de etalage als de verfilming ervan op tv is geweest, maar niet als de auteur ervan net is overleden (‘lijkenpikkerij’). De praktische kant dus, geen boekhistorische terzijdes. Verbijsterend is evenwel te lezen dat Boelaert het hem te koop aangeboden notitie­boekje van Alfons De Ridder (alias Willem Elsschot) afslaat (‘gênante materie met een veel te hoog irrelevant voyeursgehalte’).

Door de jaren heen komt Hugo Boelaert in aanraking met allerlei collega’s in het vak. Zo geeft dit boek ook een schets van de antiquarische wereld van Antwerpen aan het eind van de twintigste eeuw. Leon Sternberg, de joodse antiquaar die in recht gespecialiseerd was, komt een paar keer voorbij, evenals Rob Talboom, en de veilinghuizen Amberes en Bernaerts. Het mooiste van de korte hoofdstukjes in Winkelanekdotes is het roerende en liefdevolle portret van de beste klant van Joyce Royce. In andere hoofdstuk­ken figureren andere klanten: overspannen personen, Kamagurka en Herr Seele, een sadomasochistisch homostel, de filosoof Jaap Kruithof, een nationaal­socialistische jood. Een enkele keer noteert Boelaert de herinnering aan een ontmoeting in zijn winkel zo schitterend dat het wel fictie lijkt. Dat zijn klanten hem bij gelegenheid ook wel raad­plegen als relatieconsulent en rouwverwerkingsbegeleider, gaat hem aan het hart. Sommige personen worden om voor de hand liggende redenen met een initiaal of een X. aangeduid, zoals ook de Utrechtse antiquaren Engberts en Hesselink deden in hun twee gepubliceerde winkeldagboeken.

Boelaerts terzijdes zijn vermakelijk en prikkelend. Vrijmetselarij, schrijft de anti­quaar, is ‘een eigenaardige variant van eso­terie’ en vrijmetselaren kwamen enkel in zijn winkel om te pochen over ‘hoe goedkoop de single malt whiskey in de bar van hun loge was, en hoe het toch beter was dat vrouwen er gemeden werden omdat dat toch maar afleidde’.

Over zichzelf is Boelaert eerlijk, niets­ ontziend. Zo schrijft hij dat hij zelden het bordje ‘Gesloten’ op zijn winkeldeur heeft gehangen, zelfs al had hij ‘tot zes uur ’s och­tends aan één of andere toog liggen wallebakken als een wrattenzwijn’ om aan het begin van de middag ‘half bewusteloos’ in zijn zaak aan te spoelen. Achteraf realiseert hij zich zijn antiquariaat ‘met meer enthousiasme en belezenheid dan vakkennis’ te zijn begon­nen. Hij prijst zich gelukkig ook ‘tekstdokter’ te zijn voor Vlaamse bands die in het Engels willen zingen. Met de opbrengsten van de door hem vertaalde liedteksten van de band Clouseau betaalt hij in 1992 de hypotheek op zijn winkelpand af.

In het Waalse boekendorp Redu wil de Antwerpse boekverkoper op een gegeven moment een filiaal openen. Boelaert en zijn goede vriend zullen dan om en om de winkel in Antwerpen en die in Redu bemannen.

Ik vergat wel even dat Redu gedurende de winter gesloten bleef en dat de amanuensis indien mogelijk nog minder zakelijk inzicht en savoir­faire had dan ik.

Passages als deze (en die over de mislukte galerie) geven de terugblik iets tragikomisch. Op een van de vijf in het boek afgedrukte kleurenfoto’s staat Boelaert, vanaf de stoep gefotografeerd, in zijn winkel met het boek Reflets de la bibliophile en Belgique in zijn hand. Het bord achter zijn winkelruit meldt ‘Totale uitverkoop’.

Amerikaanse antiquaren vullen hun memoires vaak met success stories die de lezer op den duur vermoeien, de ene fantas­ tische vondst na de andere lucratieve ver­ koop. Hugo Boelaert eindigt zijn terugblik in mineur. Na de uitverkoop sluit hij in 2012, door ziekte gedwongen, Joyce Royce. Zijn leven is er niet leuker op geworden. Toch is hij erin geslaagd de herinnering aan zijn zaak niet te laten kleuren door latere tegenspoed. Hij hield van zijn vak. En uit deze anekdotes komt naar voren dat Boelaert mensen belangrijker vindt dan boeken.

Deze bespreking van Hugo Boelaert, Winkelanekdotes. Herinneringen aan antiquariaat Joyce Royce (1986-2012) (2016) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 32, afl. 4 (december 2016).

Stoeptegel

Van 8 tot en met 11 februari verzamelen ruim tweehonderd boekkunstenaars, ontwerpers, margedrukkers en bibliofiele uitgeverijen van over de hele wereld zich in Richmond, Californië voor de CODEX International Book Fair. Het is de vijfde keer dat deze tweejaarlijkse beurs, opgezet door drukker Peter Rutledge Koch en papierconservator Susan Filter, in de Verenigde Staten wordt georganiseerd. De beurs valt samen met een tweedaags symposium, met in 2015 als hoofdsprekers Roberto Trujillo en Alberto Manguel. Wie het symposium wil bijwonen, kan beter niet lang wachten met het reserveren van een kaartje op de website (elk jaar uitverkocht). Voor de thuisblijvers zal ook ditmaal een verslag van de beurs in druk verschijnen.

Onder redactie van David Jury en Peter Rutledge Koch verscheen in 2013 Book Art Object 2. Second catalogue of the Codex Foundation biennial international book exhibition and symposium. Deze in elke dimensie flinke catalogus – eerder een stoeptegel dan een baksteen – bevat vijf in 2009 en 2011 gehouden toespraken van bibliothecarissen en drukkers, tien fijne inkijkjes in de studio’s van margedrukkers, en 300 beschrijvingen van bibliofiele boeken van 140 verschillende drukkers of uitgevers. Deze laatste categorie geeft een prachtige doorsnee van wat er de afgelopen vijf jaar wereldwijd aan bibliofiele, gelimiteerde en/of geïllustreerde boeken is verschenen.

Van ‘boek’ wordt hier niet de nauwste definitie gehanteerd: weliswaar komt de vorm van de meeste uitgaven ons zeer vertrouwd voor (leporello, cahiersteek, frontispice, gulden snede), een enkele boekkunstenaar geeft zijn uitgave gestalte met walnotenhouten planken en een bronzen sculptuur, verstopt de tekst in een kist met golvend papier en veel (los!) zand of schuift een miniatuurboekje in de borst van een porseleinen vogel. De kleurfoto’s in Book Art Object 2 – dat zijn er 1133 in totaal – spreken boekdelen. Omdat er zoveel te kijken valt, was een leeslint (of twee) geen overbodige luxe geweest.

Drukkers en vormgevers van eigen bodem worden behandeld in de toespraak van Paul van Capelleveen (‘Changing book: art and the contemporary Dutch private press book’). Ook in de interessante toespraak van Juan Pascoe (‘Presses in Mexico’) komen Nederlanders ter sprake. A.A.M. Stols schreef in Mexico enkele boeken, nam daarvan de typografische verzorging op zich en importeerde in 1962 een vracht lood (de 16-punts Spectrum van de gieterij Enschedé). Stols wordt door Pascoe ‘the patriarch of modern Mexican bookmaking’ genoemd. Beeldend kunstenaar Jan Hendrix, die zich in 1978 definitief in Mexico vestigde, is de andere ‘Dutch bookman’ – al worden zijn uitgaven meestal gezet en gedrukt door Hans van Eijk in het Limburgse dorpje Banholt.

Het is misschien jammer dat de kleurrijke catalogus Book Art Object 2 niet gekoppeld is aan een website, waarop elke CODEX-deelnemer het hele jaar door zijn nieuwe uitgaven kan tonen en beschrijven (en verkopen). Margedrukkers en bibliofiele uitgevers hier te lande hebben zich goed georganiseerd met de website van Stichting Drukwerk in de Marge; een vergelijkbaar initiatief zou de Nederlandse bibliofiel ertoe verleiden eerder en vaker over de grens te kijken. ‘Digital is dead’ is de slogan waarmee CODEX de internationale beurs als ontmoetingsplek en het aanraakbare van het fysieke boek aanprijst, evenwel laten veel boekkunstenaars en drukkers de onbegrensde mogelijkheden van het internet liggen.

Deze bespreking van David Jury en Peter Rutledge Koch (red.), Book Art Object 2. Second catalogue of the Codex Foundation biennial international book exhibition and symposium (2013) verscheen (ingekort) in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 4 (december 2014).

Koffiemelkcupdeksels en bovenkaken

Catawiki bestaat al sinds 2008, maar het afgelopen jaar heeft de internationale veiling- en verzamelwebsite pas een hoge vlucht genomen. Meer dan twee miljoen bezoekers per maand, ruim honderdduizend gebruikers die hun verzameling aan de catalogus van Catawiki hebben toegevoegd, zesentwintig veilingen per week. Verzamelaars van atlassen, oldtimers, stripboeken, fototoestellen, dameshorloges, sportschoenen en koffiemelkcupdeksels wisselen op Catawiki niet alleen informatie met elkaar uit, maar verkopen er ook door henzelf beschreven en gefotografeerde items.

Soms met bizarre opbrengsten als resultaat: een door Drs. P voor het weekblad Panorama geschreven promotieboekje bracht op 30 januari jl. liefst 272 euro op. Bij een traditioneel veilinghuis was deze uitgave ofwel (onbeschreven) in een kavel opgenomen ofwel bij het oud papier beland. De generalist verliest het hier van de specialist, die de verzamelaar immers is.

René Schoenmakers en Marco Jansen, de oprichters van het in Assen gevestigde bedrijf, vonden het wel leuk om bij hun vijfjarig jubileum een tijdschrift te laten verschijnen. Het eerste nummer van Catawiki Magazine (ondertitel: ‘Hét blad over verzamelen’) verscheen in oktober 2013, het tweede lag eind januari op de deurmat. De adviesprijs van een aflevering is € 4,95, maar dat zegt niks: nummer 1 werd gratis verspreid, nummer 2 valt binnen een jaarabonnement van € 1,95. Voor Boormans Wereldtijdschrift hoefden abonnees ook amper te betalen.

Catawiki Magazine gaat over verzamelen, verzamelaars en Catawiki. In het eerste nummer vertelt televisiemaker Valerio Zeno (maat 42) uitvoerig over zijn collectie sneakers: dat zijn er zo’n 120 paar, voor 95 procent van het merk Nike. Fossielenverzamelaar Albert Hoekman laat in het tweede nummer zien wat hij zoal uit Nederlandse netten heeft gevist. Het werd zoveel dat hij er maar in is gaan handelen: ‘Een onderkaak van een mammoet. Zeer geliefd, ik heb er een wachtlijst voor. Een mooie onderkaak kost 2.400 euro. Bovenkaken? Die zijn minder mooi.’

De verkoopsuccessen van Catawiki komen aan bod in rubrieken als ‘Veilingopbrengsten’ en ‘De vondst’. Argeloze burgers vertellen over hun gelukjes, zoals het voor 1 euro opgeduikelde stripje De vrolijke Avonturen van Doris Dobbel (12.000 euro op een Catawiki-veiling) en de als wisselgeld ontvangen euromunt met het 50-eurocentstempel (500 euro dankzij Catawiki). Het zijn de waargebeurde sprookjes waaraan Tussen Kunst & Kitsch haar kijkcijfers dankt. In het gunstigste geval wakkeren ze de jachtlust aan. (Ik heb me weer voorgenomen vaker naar een kringloopwinkel te gaan.)

Hoogtepunt tot dusver is het interview door Vincent van de Vrede met de ‘literaire loodgieter’ Pierre Roth. Stereofoto’s, Paulus de Boskabouter, W.F. Hermans, S. Carmiggelt, Proost Prikkels: Roth verzamelt verzamelingen. Uit het gesprek komt hij naar voren als een aimabele doch wereldvreemde man. In ruil voor een lunch in de bedrijfskantine ordende hij het archief van papierfabriek Proost en Brandt, op de foto staat hij in korte broek en geruite pantoffels. Verrassend is het om te lezen dat Valerio Zeno perfect de verzamelpraktijk kan samenvatten: steeds engere criteria hanteren, aan exemplaarverbetering doen, onderhandelen, het verhaal erachter willen weten. Wat voor boeken geldt, geldt blijkbaar ook voor sneakers.

De vormgeving van het magazine is enigszins amateuristisch. Harde kleuren (Catawiki-blauw), weinig subtiele en nogal opgeblazen lettertypen, onhandige foto’s: zo pretentieloos als het tijdschrift zelf.

Deze bespreking van de eerste twee afleveringen van Catawiki Magazine verscheen in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 2 (juni 2014).

Roest

Een van de allermooiste uitgaven van De Zilverdistel, de private press van J.F. van Royen, is Cheops (1916) van J.H. Leopold. Het boek, gebonden in perkament met voorop het gouden Zilverdistel-vignet door K.P.C. de Bazel, wordt ook tegenwoordig nog gekoesterd door verzamelaars. Zelden komt er een exemplaar op de markt; de enkele exemplaren die het afgelopen decennium te koop werden aangeboden leken zonder uitzondering aan hetzelfde euvel te lijden: kleine roestvlekjes in het binnenwerk. Tot op heden werd dat wel geweten aan de leeftijd van het soort papier, maar uit een recent verschenen brievenuitgave blijkt dat Cheops tachtig jaar geleden ook al roestvlekkig was.

Ser J.L. Prop, margedrukker sinds 1980, heeft in Vijf brieven aan J.F. van Royen alle bekende brieven van de bibliofiele baron Emile van der Borch van Verwolde aan de grondlegger van de Nederlandse private press samengebracht. Vier brieven bevinden zich in de collectie van Museum Meermanno, eentje dook in 2009 op een veiling op en berust sindsdien in de verzameling van een particulier. Prop vulde de noodzakelijke noten in, schreef een verantwoording, zette de tekst met de hand uit de Dante, drukte in zwart en steenrood op ivoorwit Zerkall-Bütten en naaide de vellen zelf in een omslag; alles zeer zorgvuldig en doordacht. De brieven van de baron ademen zuivere bibliofilie, dus moeten zij ook bibliofiel worden uitgegeven, zal het idee van Prop zijn geweest.

In 1932 is Van der Borch van Verwolde rechtenstudent in Leiden, maar zijn briefpapier meldt slechts zijn adellijke afkomst, en in de eerste zin van de eerste brief aan Van Royen presenteert hij zich als ‘verzamelaar van mooie boeken en in het bijzonder van moderne typographische kunst’. Dankzij een legaat van zijn opa kan hij zich helemaal uitleven op eerste drukken in de Nederlandse en Franse letteren, die hij meestal luxueus laat binden door Elias P. van Bommel. De verzamelaar meldt de drukker in zijn eerste schrijven dat hij in het trotse bezit is van een aantal uitgaven van De Zilverdistel en van diens opvolger de Kunera Pers, maar dat pogingen om een exemplaar van Oostersch (1924) van J.H. Leopold te bemachtigen tot nog toe zijn mislukt.

Blijkens de tweede brief is Van der Borch van Verwolde een prospectus van Oostersch toegestuurd met het vriendelijke aanbod om een van ’s drukkers eigen exemplaren hors commerce over te nemen: de baron houdt beheerst de boot af, omdat hij misschien elders een regulier genummerd exemplaar kan kopen. Wel stuurt Van der Borch van Verwolde twee op zijn verzoek door Stols gedrukte uitgaven, in de hoop dat Van Royen hierover zijn licht wil laten schijnen. Dat Van Royen dit wel degelijk doet, valt af te leiden uit de derde brief (er is sprake van ‘een waardeerend oordeel’); al blijft het jammer dat Van Royens brieven niet bewaard zijn gebleven.

De vijf brieven bevatten, naast loftuitingen aan het adres van Van Royen, ook bespiegelingen op Van der Borch van Verwolde’s eigen drukwerk. Over het door John Buckland Wright met naakte vrouwenlijven verluchte boek Dolores (1933), in de brief van 21 september 1933:

De houtsneden in uitgewerkten staat zijn misschien ongelijk van gehalte: eén enkele pagina is schitterend en preferabel boven het oorspronkelijk typografisch zoowel als illustratief aspect, maar ook is in enkele gevallen de houtsnede als silhouette minder als de 1e versie, bijv. waar het noodig was de armen rakelings af te knotten.

Zo’n zin laat zien hoe Van der Borch van Verwolde over het ideale boek dacht. En, in dezelfde brief, over het sjieke papier: ‘afkomstig van een vergeten en jaren geleden geïmporteerde baal antiek japansch; de vergeering is curieus. Toevallig wist Stols deze stapel op den zolder te ontdekken’. Van der Borch van Verwolde’s bescheiden opstelling, zijn charmante volzinnen en wat sublieme muggenzifterij over boeken en banden, van generlei invloed op de wereldvrede, maken de lectuur van deze niet voor publicatie bedoelde brieven de moeite waard.

En dan de brief van 2 mei 1934, het bewijsstuk in de zaak Tijd vs. Roest. In deze brief schrijft de baron aan Van Royen dat hij zijn exemplaar van Cheops in Parijs uit de perkamenten band heeft gehaald om de vellen te laten ‘wassen’: ‘Het is nu lelie-blank geworden, en de kleuren zijn onaangetast gebleven.’ Helaas wordt de methode van wassen niet nader beschreven, maar als het papier met het toen gangbare middel chloor is behandeld, dan mogen we intussen het ergste vrezen. Afgezien van de verrukkelijke geur van papier die chloor elimineert, is het effect, weet elke papierrestaurator, op de lange termijn funest. De huidige eigenaar van dit exemplaar is gewaarschuwd: een onvermijdelijke boemerang komt, op hoge snelheid, naar u toe.

Deze bespreking van W.H.E. van der Borch van Verwolde, Vijf brieven aan J.F. van Royen (2013) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 1 (maart 2014).

Papieren zoekmachine

Begin 2012 verscheen de derde editie van deze vraagbaak voor boekengebruikers en bibliofielen: ten opzichte van de vorige uitgave uit 1996 aangevuld met lemmata, gemoderniseerd en voor het eerst rijkelijk geïllustreerd met boeken en prenten uit de collectie van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Maar een woordenboek lees je niet, al is het uniek in zijn soort, een woordenboek gebruik je. En hoe recenseer je een lexicon? Daarom: de bevindingen van iemand die dagelijks met boeken werkt en die de neiging om alles te googlen een jaar lang moest onderdrukken.

De papieren zoekmachine van Brongers omvat trefwoorden binnen de onderwerpen schrift, tekst, illustratie, drukken, binden, boekhandel, bibliotheek en biografie. De lemmata zijn meestal kort (zelden langer dan een kolom) en al te technisch taalgebruik wordt vermeden (een boekband ‘zorgt er voor dat het boekblok in de kast niet onderuitzakt’). Wanneer binnen een lemma een ander lemma wordt genoemd, dan wordt dit voorafgegaan door een asterisk. In de praktijk beland je, op zoek naar het ene, algauw bij het andere.

Het lemma ‘Antiquaar’ verwijst, na de eenregelige omschrijving, niet alleen naar ‘Antiquariaat’, maar ook naar ‘84 Charing Cross Road’, het ontroerende boek van Helene Hanff. De belangrijkste lemmata geven nuttige referenties naar standaardwerken en (soms wat obscure) tijdschriftartikelen – iets wat Google niet kan.

Maar je grijpt ook een paar keer mis, vooral waar het personen betreft. Typografisch ontwerper Piet Zwart heeft het Boekwoorden woordenboek gehaald, Paul Schuitema niet. Bibliomaan Boudewijn Büch komt uitgebreid aan bod, maar over de bibliofiel Gerrit Komrij geen woord. Wel Fré Cohen, niet M.C. Escher. Niet André Swertz, wel Max Schumacher (sic).

In de voor deze editie geschreven inleiding gaat Brongers in op nut en plezier van het boek en geeft hij praktische bezwaren tegen e-books, zonder meteen in de bekende bibliofiele stuip te schieten dat alle elektronische en technologische vooruitgang een bedreiging vormt voor het papieren boek. ‘Printing on demand’ en ‘Bookcrossing’ (een recente rage die alweer op zijn retour is) zijn evengoed lemmata.

Als je het boek vaker ter hand neemt, valt je pas op dat Brongers plezier moet hebben gehad in het samenstellen van deze leidraad. Een boekverkopende naamgenoot uit de achttiende eeuw wordt, hoewel van gering belang, om begrijpelijke redenen opgenomen. De boekwoordenwoordenboekenmaker permitteert zich hier en daar een opvoedkundige of kritische noot: bij het lemma ‘Boekenzoekdienst’ merkt hij op dat deze online zoekservice ‘natuurlijk niets meer met geduldig speuren of sneupen’ te maken heeft. Voor de veganisten (onder ‘Stencil’) die vanwege het gebruik van dierlijke gelatine bezwaar maken tegen offset heeft Brongers een scherpe vraag: ‘hoe zit dat met de bijen, die de was voor het stencil leveren en waardoor hun nest vernietigd wordt’?

Een grapje mag ook: ‘Asterisk Lett sterretje: * . Niet Asterix; dit is een populaire gallische *Stripheld’.

Deze bespreking van J. Ayolt Brongers, Boekwoorden woordenboek. Handleiding voor boekensneupers (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 4 (juli 2013).