De stencilmachinerevolutie

Op het omslag van zijn tijdschrift Van proefschrift tot communiqué zette Esteban López trots voor zijn naam:

samenstelling, vermenigvuldiging, verspreiding, inning.

In de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw had je helemaal niemand nodig om een literair tijdschrift te maken, behalve een pak papier, een schrijfmachine en een stencilmachine. En misschien toch ook: abonnees.

Barbarber (1958-1972), waarschijnlijk het bekendste stenciltijdschrift, werd al snel ingelijfd door Querido, omdat uitgeverijdirecteur Reinold Kuipers wel iets geks aan zijn fonds wilde toevoegen. Zonder de druk- en afzetmogelijkheden van een grote uitgeverij had Barbarber het, denk ik, nooit zo lang volgehouden.

Tijdschriften als Kadans (1961) en Spaak (1964) maakten hun eerste jaargang niet eens af. Andere tijdschriften die de stencilmachine amper draaiende konden houden, lukte het een doorstart te maken: Bouke Jagts periodiek Scripta Manent (1959-1960) ging op in Reprimande (1959-1960). López begon in 1955 met Proefschrift, maakte vier overgangsnummers onder de titel Van proefschrift tot communiqué, om in 1957 te vervolgen met Vertoning. De meeste van zijn vaste medewerkers, onder wie Heere Heeresma en Jan Arends, nam hij mee.

Officiële verkoopkanalen (anders dan verspreiding op het middelbare schoolplein, de mensa en in het café) hadden deze literaire tijdschriften niet. Het ondergrondse karakter komt ook tot uitdrukking in het nogal losjes omspringen met het fenomeen copyright: bekende gedichten van Campert en Lucebert werden herdrukt zonder toestemming van dichter of uitgever. Als poëzie je op het lijf geschreven is, trek je je niets aan van juridische kwesties.
En net zo makkelijk werden bijdragen gerecycled: beginnende schrijvers stuurden hun kopij naar verschillende tijdschriften, blij met alles wat geplaatst werd. Ook al ging het soms om hetzelfde stuk. In 1959 zag Frans Pointl (die zelfs Hugo Neirinckx te Merelbeke (België) ten behoeve van diens obscure Argo-Cahiers met nieuw werk bestookte) zijn gedicht ‘kinderverdriet’ zowel in het ‘algemeen niutanistisch periodie’ Dim Dom staan als in literair maandblad Debutant. Honorarium was er overigens niet; twee keer niks is niks.
Een publicatie in een stenciltijdschrift is vergelijkbaar met een optreden in een achterafzaaltje voor het grote podium binnen bereik komt. Iedereen begint onderaan de ladder.

De met Het Plein, Dwars, Muza en Spaak vergelijkbare tijdschriften uit de Verenigde Staten worden heftig verzameld. Men spreekt daar van de Mimeo Revolution, naar het gelijknamige apparaat waarmee de tijdschriften goedkoop en gemakkelijk gedrukt werden. Particuliere en institutionele verzamelaars gebruiken het ‘ground-breaking source book’ A Secret Location on the Lower East Side (1998) als checklist. Bloggers proberen elkaar met zeldzame aanwinsten af te troeven. Een losse aflevering van Ed Sanders’ Fuck you. A magazine of the arts (1962-1965) is onvindbaar – en anders wel onbetaalbaar.
In Nederland begint de aandacht voor stenciltijdschriften langzaam toe te nemen. Bibliofilie van de twintigste eeuw was altijd verbonden met hoge heren en hun trapdegels, voor wie eeuwigheid altijd voor ogenblik ging. Het begint nu te kantelen, heb ik gemerkt. De makers van stenciltijdschriften hadden geen typografische achtergrond. De kracht van dit functionele, hyperactuele drukwerk zit in de roestige nietjes en de rafelranden, niet in de scheprand. Steeds meer mensen zien dat.

Omdat stenciltijdschriften van hand tot hand gingen, verkeren ze nooit in nieuwstaat. Een Mimeo-verzamelaar looft koffievlekken en prijst vliegenpoep. Handgeschreven adressen en scheefgeplakte postzegels op het omslag: alles ter verhoging van de rauwe, ruige en aanraakbare esthetiek.

Deze column verscheen eerder op de website van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (23 maart 2016).

Jaszak

Decennialang was het enig bekende exemplaar van Ten Lessons with Timothy (1951), het gestencilde debuut van Remco Campert, dat van Simon Vinkenoog. Hij werd niet voor niets beschouwd als de documentalist van een dichtersgeneratie. Toen Vinkenoog in 1963 op verzoek van het nieuwe tijdschrift Diagram zijn herinneringen aan de Vijftigers op schrift zette, vond hij in zijn archief ook zijn Ten Lessons with Timothy terug.

En waarom ook niet: ik vraag mij af of er meer dan 1 exemplaar – buiten het mijne – nog ergens te vinden is.

In september 2015 had ik er, na een speurtocht van vier jaar, nog drie gelokaliseerd. Ad den Besten had ooit een exemplaar toegestuurd gekregen, aartsverzamelaar Simon van Wouwe kocht een exemplaar uit een boekhandelsvitrine in Haarlem, en ten huize van Lucebert en Schierbeek vond Kees Groenendijk het zijne. Dit volmaakte kwartet stond centraal in mijn artikel voor het Campert-nummer van De Parelduiker.

De Parelduiker lag nog niet goed en wel in de boekhandel of er doken nog twee exemplaren van het absolute debuut van Remco Campert op. In het niet bijster gesorteerde archief van uitgeverij De Bezige Bij bleek een exemplaar te liggen. Giny Klatser-Oedekerk schreef me dat haar man en zij omstreeks 1952 voor f 2,50 bij de auteur een exemplaar hadden aangeschaft. Ooit had ze het uitgeleend aan het Letterkundig Museum, maar nu had ze het bundeltje weer in huis.

Omdat een half dozijn ook niet veel is, maakte René Franken in maart 2016 op de vloeistofduplicator een schitterende herdruk van Ten Lessons with Timothy.

Bij het lezen van de catalogus van de aanstaande veiling bij Bubb Kuyper viel ik, ter hoogte van kavel 1177, van mijn stoel. Er komt een tot dusver onbekend gebleven exemplaar van Ten Lessons with Timothy onder de hamer. Net als alle andere exemplaren is het in het colofon genummerd ‘een’ en gesigneerd door de auteur.

Desgevraagd laat veilinghouder Thijs Blankevoort weten dat de eerste eigenaar van dit exemplaar niet bekend is. Eigendomskenmerken, zoals een geschreven naam of een ex libris, heeft het te veilen exemplaar niet. Het is afkomstig uit een verzameling kunst en (clandestiene) letterkunde die ruim zestig jaar geleden is ontstaan; via vererving kwam het bij de huidige eigenaar terecht. Aan de beschrijving (mirror) kan Blankevoort het volgende toevoegen:

Het is duidelijk een exemplaar dat wat langer in gevouwen toestand heeft verkeerd en dat, gezien de vlekken en vlekjes, mogelijk langere tijd in een jaszak gebivakkeerd heeft.

Een echt antiquariaat

De handel in tweedehands en antiquarische boeken nam een vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Piet J. Buijnsters verklaart in zijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007) waarom juist tweedehands boeken zo gewild werden: door de instelling van een censurerende Nederlandsche Kultuurkamer en sterke papierrantsoenen verschenen er aanzienlijk minder nieuwe boeken. Op boekenmarkten en bij antiquariaten konden leeshonger en verzamelwoede wel gestild worden. In de notulen van de jaarvergadering van de NVvA, gehouden op 20 april 1943, vindt Buijnsters deze constatering van voorzitter Menno Hertzberger:

De prijzen van het antiquarische boek zijn in enkele gevallen zoo gestegen, dat elke basis verloren is gegaan.

Dat de handel in tweedehands boeken ineens erg lucratief kon zijn, moet ook Adriaan Morriën zich toen hebben gerealiseerd. Bij het uitbreken van de oorlog was hij de schrijver van één dichtbundel. Bijna dertig, zat hij zonder werk en zonder inkomsten.

Vanuit het ouderlijk huis in IJmuiden begon Morriën in 1939 te corresponderen met Frits van Heerikhuizen, leraar Nederlands en letterkundige, twee jaar ouder dan hij. De flinke stapel brieven en briefkaarten die Van Heerikhuizen aan zijn vriendschap met Morriën overhield is mijn mooiste Marktplaats-vondst tot dusver.

In de handgeschreven epistels van Morriën komen zowel literaire zaken als dagelijkse beslommeringen langs. In een brief van 30 december 1941 laat hij Van Heerikhuizen weten dat zijn poging om in Frankrijk een baantje als administrateur te krijgen is mislukt. Nu zal zijn geld spoedig op zijn. Maar hij heeft nog wel een idee, dat hij zijn vriend in Bussum graag voorlegt.

Een plan van den allerlaatsten tijd is om, met behulp van geleend geld, goede litteratuur (antiquarisch) bij kennissen op te koopen, een catalogus samen te stellen en aan alle vrienden en kennissen te zenden. Wanneer men werkelijk goede boeken heeft, raakt men ze gemakkelijk kwijt.

Van Heerikhuizen wil Morriën blijkbaar wel op weg helpen met een lading boeken. Het haalt helaas weinig uit. Op 16 mei 1942 heeft Morriën nog maar weinig verkocht en een kennis, die een partij geërfde boeken zou inbrengen, laat hem in de steek. De dichter ziet het somber in.

Voor een echt antiquariaat komen natuurlijk andere dingen kijken. Daarvoor zijn geld en tijd noodig.

Drie maanden later is de situatie niet verbeterd. Van de boeken die Morriën uit Bussum meenam zijn er ‘enkele’ verkocht. Een catalogus heeft Morriën niet kunnen maken. Hij belooft Van Heerikhuizen zijn best te doen de rest ook ‘kwijt te raken’. In een brief van 4 augustus 1942 komt het avontuur voor het laatst ter sprake. De voorraad van het naamloze verzendantiquariaat van Adriaan Morriën is dan al ondergebracht bij vrienden in Haarlem, omdat bij een eventuele evacuatie van IJmuiden ‘slechts het allernoodzakelijkste’ mag worden meegenomen. Als de handelswaar niet meer binnen handbereik is, houdt het op.

In blauw heelmarokijn

Om deel te nemen aan de jaarlijkse boekenbeurs in Haarlem was een lidmaatschap van de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren geen vereiste. Nieuwkomers welkom. Aan de beurs die op de eerste drie dagen van november 1985 werd gehouden deed een volleerd koopman mee, gespecialiseerd in handschriften van Nederlandse schrijvers. De eenmanszaak presenteerde, zo kondigde een advertentie in NRC Handelsblad aan, in de Beyneshal een opmerkelijke collectie Gerard Reve.

Of de nieuwkomer goede zaken deed bij zijn vuurdoop is niet te achterhalen. Wel werd de verkoop van originele correspondentie met Reve, uitsluitend verkrijgbaar bij Antiquariaat en Kunstzaal Joop Schafthuizen, breed uitgemeten in de media. NOS-verslaggever Harmen Roeland deed in het achtuurjournaal van 1 november ruim twee minuten verslag van de manuscriptenhandel van Joop Schafthuizen. Eind 1986 bracht Schafthuizen zijn eerste (en enige) verkoopcatalogus Gerard Reve uit.

Student Gert-Jan Rodermond, die in 1985 al colleges aan de Universiteit Leiden had gevolgd bij gastschrijver Reve, meldde zich op 21 juni 1988 als klant bij de firma Schafthuizen te Schiedam. Een persoonlijke kennismaking met Reve volgde. In het derde en laatste deel van de kroniek van Reve’s leven citeert Nop Maas de wanhopige versierpogingen die Reve daags na de ontmoeting met Rodermond per brief deed. Om te beginnen wilde Reve graag met de student corresponderen, maar wel via het adres van een vriend, want Schafthuizen hoefde er voorlopig niets van te weten.

Door een misverstand belandde de antwoordbrief van Rodermond, die keurig een fotokopie van Reve’s liefdesverklaring had bijgevoegd, gewoon op de mat in huize Reve. Waar Schafthuizen de envelop opende. Rodermond werd de wacht aangezegd. Het contact bloedde dood, schrijft Maas.

Toch moet er nadien nog een ontmoeting zijn geweest. Dat valt af te leiden uit de vriendschappelijke opdracht van Reve aan ‘Edith en Gert-Jan Rodermond’, voorin Reve’s Verzamelde gedichten (1987). Het boek staat sinds afgelopen woensdag te koop.

Verzamelde gedichten verscheen in februari 1987 in twee uitvoeringen: in een linnen band met stofomslag à f 39,90 en als paperback (‘volkseditie’) à f 24,90. De in het colofon vermelde tien luxe-exemplaren kwamen pas in de winter van 1987 gereed.

Gert-Jan Rodermond wist de hand te leggen op zo’n fraai, door David Simaleavich in blauw heelmarokijn gebonden exemplaar. Naast de door Reve met de hand aangebrachte nummering en signatuur in het colofon én voornoemde opdracht op de titelpagina kent dit exemplaar nog enkele handschriftelijke toevoegingen. Zo corrigeerde Reve enkele drukfouten, zoals de dt-fout in ‘Gedicht Voor Mijn 39ste Verjaardag’ en de misplaatste t in ‘Eind Goed, Al Goed’. En op bladzijde 34 schreef hij het gedicht ‘Droom’ uit, onder de gedrukte versie. Dit alles gebeurde op 11 december 1988 te Schiedam.

Een luxe Verzamelde gedichten komt zelden op de markt. In Zelf Reve Verzamelen (1998) noemt Piet van Winden de luxe-editie wel, maar hij had voor het kleurkatern van zijn checklist geen exemplaar tot zijn beschikking. Schafthuizens eigen luxe-exemplaar werd in 1997, op de veiling van ‘de complete werken van Gerard Reve’, op 1200 gulden afgehamerd. (De veiling vond plaats bij Bubb Kuyper; Schafthuizen had zijn kunstzaal annex antiquariaat reeds opgedoekt.)

Rodermonds exemplaar moet 6500 euro opbrengen, exclusief verzendkosten. Dat is de vraagprijs van een liefhebber die er eigenlijk geen afstand van kan doen.

Boekenoverschot

In Het verzamelen van boeken (1992) zette Piet J. Buijnsters de basisprincipes uiteen van het aanleggen en onderhouden van een boekencollectie. In opdracht van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen schreef Paul van Capelleveen het ultieme anti-boek, de langverwachte pendant: De complete verzameling. Notities over het einde van boekencollecties (2016). Het zevende hoofdstuk van deze verkapte handleiding heet ‘De kunst van het wegdoen van boeken’.

Schrijvers, bij wie het boek over het algemeen in hoog aanzien staat, ruimen hun boekenkast geregeld op. Weggeven, weggooien. Van Capelleveen nam de interviewreeks ‘De boekencollectie van’ op Boekensalon door en ging turven: van de 73 schrijvers en boekenvaklui deden er 46 ‘vaak’ boeken weg, 7 ‘soms’ en 18 ‘nooit’. Als boeken wegdoen inderdaad een kunst is, dan gaf Kees van Kooten het kunstzinnigste antwoord op de vraag hoe en waar je boekenoverschot te dumpen.

Wanneer ik ergens in het land mag komen voorlezen uit eigen werk, neem ik een grote tas overbodige boeken mee, die ik na de voorstelling in het geniep door de brievenbussen van de huizen in de buurt van het theater duw. Eén boek per adres. Want één boek kan iedereen er toch nog wel bij hebben?

In zijn column ‘De Boel’, opgenomen in de bundel Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (1998), beschrijft Remco Campert heel mooi hoe een poging tot het wegdoen van boeken eruitziet.

De dag dat je hebt besloten je boekenbezit te decimeren, regent het. Dat hoort zo. […] In het begin tast je kordaat toe, een man die gewend is beslissingen te nemen. Al snel vormt zich een stapel boeken die je nooit meer hoeft te zien. Maar niet lang daarna ontstaat hiernaast een steeds aangroeiende stapel van twijfelgevallen. Die kan wel weg, denk je het ene moment, nee toch niet, het volgende. En nog wat later – buiten is het gaan plenzen, je hebt het licht aangedaan – zit je te lezen en ben je vergeten waar het ook alweer om begonnen was.

Enkele geïnterviewden op Boekensalon gaven toe bang te zijn gezichtsverlies te lijden door bepaalde boeken af te danken. Het moeilijkst, aldus Campert in 1998, is het wegdoen van boeken die je cadeau hebt gekregen. Het allermoeilijkst zijn de boeken

die je met een welgemeende opdracht van de auteur zelf kreeg. Soms zijn dat helemaal geen goede boeken. De kans dat zo’n auteur op een rommelmarkt zijn eigen boek met opdracht aantreft, is niet denkbeeldig. Ik spreek uit ervaring, want ik heb weleens een van mijn boeken op zo’n plek aangetroffen, voorzien van mijn handtekening en een betuiging van vriendschap aan de ontvanger gericht. De vriendschap gaat sindsdien niet echt meer van harte, hoewel het mijn eer te na is om iets te laten merken.

Campert verzandt in twijfels en afwegingen.

Voor je alles weer terugzet, duurt even. Nog geruime tijd staan de stapels op de vloer, als stil bewijs van je poging tot trouweloosheid.

Intussen kan Remco Campert zich makkelijker van zijn boeken losmaken. De oude schrijver is aan het onthechten. Op diverse plekken zijn de laatste jaren boeken uit Camperts bibliotheek opgedoken. De mooiste boeken, veelal voorzien van vriendschappelijke opdrachten aan Campert, belanden tegenwoordig in Antwerpen, waar René Franken zich erover ontfermt.

In ‘De boekencollectie van’ is het vergeefs zoeken naar Wiel Kusters, maar vorige week werd duidelijk dat hij zijn boekenverzameling aan het uitdunnen is. Via boekwinkeltje Pim Pleisters uit Maastricht, genoemd naar de hoofdpersoon van Kusters’ jongste uitgave, biedt de schrijver momenteel tien boeken te koop aan. Enkele auteursexemplaren (op verzoek gesigneerd), evenals opdrachtexemplaren van Gerard Walschap, Albert Helman, Adriaan van Dis en Tomas Tranströmer.

De bibliofiel is een kleine zelfstandige geworden.

concludeert Paul van Capelleveen aan het slot van De complete verzameling. De schrijver ook.