Stofzuiger

Van alle schrijversrelikwieën die zich in het Literatuurmuseum bevinden spreekt de stofzuiger van Simon Vestdijk het meest tot de verbeelding. Zijn Nilfisk staat permanent te glimmen in het letterkundig kabinet. Het is een blikvanger. In Vestdijks lemma op Wikipedia wordt de stofzuiger genoemd onder ‘Trivia’.

Vestdijk zou het apparaat hebben gebruikt om omgevingsgeluid te overstemmen. Toen hij in Bilthoven woonde, waren dat stijgende en landende vliegtuigen. Later, in Doorn, zouden het luidruchtige buurkinderen zijn geweest. Zonder het monotone geruis kon hij niet schrijven. Kortom, aan deze Deense zuiger hebben we een aanzienlijk deel van Vestdijks tweeënvijftigledige oeuvre te danken.

Nol Gregoor – de bekendste groupie uit de Nederlandse letteren: hij verhuisde naar Doorn om voorgoed in Vestdijks aura te verkeren – heeft het verhaal van de stofzuiger vele malen verteld. In zijn dagboek, dat door Vestdijk-biografen Hans Visser en Wim Hazeu werd geraadpleegd, beschreef Gregoor op 2 augustus 1951 Vestdijks werkkamer:

Ergens staat altijd de befaamde stofzuiger klaar; het is geen verzinsel, Vestdijk heeft werkelijk vaak bij ’t werken die stofzuiger aan.

Dick Vestdijk, zoon van de schrijver, probeert de mythe van de stofzuiger door te prikken. In het door Jelle Pijpers samengestelde boekje Huis te koop: Torenlaan 4, Doorn (2017) – verschenen in vijftig genummerde exemplaren in de reeks PrimiPers – zet Dick Vestdijk een paar fouten recht over het huis waar zijn vader schreef en waar hij ter wereld kwam. Toen in de zomer van 2016 de schrijverswoning in Doorn in de verkoop ging, werden er helaas nogal wat onjuistheden over beweerd. Over de museale Nilfisk zegt Dick Vestdijk:

Volgens mij heeft hij maar één of twee keer een stofzuiger gebruikt om niet afgeleid te worden van zijn werk. Dat was toen vanwege het gejank van een hondje dat net geopereerd was. Wel gebruikte hij vaak oordoppen of een koptelefoon met muziek. Een journalist heeft het stofzuigerverhaal aangedikt en dat is toen een eigen leven gaan leiden.

Schaduwoeuvre

In de meeste necrologieën van uitgever Theo Sontrop, die vorige week zondag op 86-jarige leeftijd overleed, werd de omvang van zijn scheppend werk gememoreerd. Hij was de man van ‘het kleinste poëtische oeuvre van Nederland’ (Onno Blom), van een ‘bijzonder klein’ oeuvre (Kester Freriks), wiens gedichten ‘heel mondjesmaat, in pierdunne bundeltjes’ verschenen (Rob Schouten). Nee, ‘een veelschrijver was hij niet’ (NOS). Hier en daar werd een getal genoemd: 38, want zoveel verzen staan er in Sontrops Gedichten 1962-1996 (1996).

Maar het poëtische oeuvre van deze markante man is wel iets groter dan wat hij selecteerde voor en opnam in zijn officieuze Verzamelde gedichten. De 26 kwatrijnen van Het Alfabet (1975), een door Joost Roelofsz geïllustreerde dichtbundel, ontbreken bijvoorbeeld in Gedichten 1962-1996.

En Theo Sontrop liet een schaduwoeuvre na, verspreid over talloze schutbladen en titelpagina’s. De dichter die ‘legendarisch traag’ was (Blom), schudde de gelegenheidsverzen zo uit zijn mouw. Wanneer Sontrop zijn eigen bundels cadeau deed, verwerkte hij wel eens nieuwe poëzie in de opdracht. Voor in een exemplaar van zijn debuut Langzaam kromgroeien (1962) staat ‘Aan de ongelukkige koper’:

‘Ach, als ik dicht dan moet ge mededichten’
of laat ook maar, het is al dicht genoeg.
Hoe zouden woorden ook maar iets verlichten:
een brakke echoput, een schampscheut voor de boeg.

Met Sontrop bevriende schrijvers kregen ook vaak een boek uit zijn fonds ten geschenke, waarin hij bij overhandiging nog even vlot een kwatrijn neerpende. Criticus Ivan Sitniakowsky kreeg in 1988 de Achterberg-biografie cadeau:

Dit is het boek van I… Sitniakowsky,
die nooit de minnaar werd van Feetje Lowski.
Waar Achterberg viel in Neerlangbroek:
zéér veel te lijden, en dat alles voor één boek?

Uit de bibliotheek van Benno Barnard, die weer eens verhuizen moest, kocht ik in 2003 Maarten ’t Harts essaybundel Een dasspeld uit Toela (1990). Op de Franse titel van het boek staat in Sontrops priegelhandschrift:

Al draagt een aap een dasspeld
dan wordt hij nog geen dagheld.
En wat de criticus mag zeggen:
zal C. Pe[e]ters ooit een grens verleggen!?

Groene giro-envelop

Van de duizenden brieven die A. Marja in zijn korte leven moet hebben geschreven zijn er naar schatting nog driehonderd overgeleverd. Het gros ligt in de geklimatiseerde kelders van het Literatuurmuseum, maar er zijn er ook nog wel bij particulieren te vinden. Mijn eerste, door een jonge A. Marja ondertekende brief schafte ik aan op 27 november 2007 bij het Utrechtse antiquariaat Hinderickx & Winderickx. Nummer 77 uit catalogus 32.

Inmiddels ben ik tientallen originele brieven rijker. Handgeschreven kattebelletjes en lange, op rijm gestelde epistels uit de schrijfmachine. Enkele brieven kon ik na lang speuren traceren bij correspondent of nabestaande, maar voor de meeste was ik aangewezen op het antiquariaat.

De handel in handschriften van Nederlandse literatoren kwam tot bloei in de ‘roaring eighties’ (Buijnsters). Antiquaren als Willem Huijer, Max en Wilma Schuhmacher en Piet van Winden specialiseerden zich (ook) in manuscripten. Zaken als Demian, Fokas Holthuis en Hinderickx & Winderickx kwamen er in de negentiger jaren bij, met in het aanbod altijd wel een manuscript en ook volledig aan handschriften gewijde catalogi. Soms was daar een door Marja aangeraakt velletje papier bij.

De dichter zelf heeft ook in handschriften gehandeld, blijkt nu uit J.B.W.P. Het leven van Johan Polak (2017) van Koen Hilberdink. Polak en Marja kenden elkaar van het tijdschrift Cartons voor Letterkunde (1959-1962), waaraan de een als redacteur verbonden was en de ander poëzie en proza afstond. (Polak & Van Gennep zou in 1963 de elfde en laatste uitgeverij zijn die nieuw werk van A. Marja uitbracht: de dichtbundel Van de wieg tot het graf.)

Arme dichters wisten Johan Polak, de miljonair met een manuscriptenmanie, wel te vinden. Simon Vinkenoog en Gerard Reve verkochten delen van hun inkomende en uitgaande correspondentie voor harde guldens aan verzamelaar Polak. De immer in geldnood verkerende A. Marja vulde Polaks ‘bibliofiele archief’ aan met aan hem gerichte brieven van Nel Noordzij, Koos Schuur en Hendrik de Vries. Hilberdink citeert in zijn Polak-biografie Marja’s dankbrief van 4 augustus 1960:

Vanmorgen werd mij een groene giro-envelop nagezonden, waaruit ik jouw waarlijk christelijke (d.w.z. in wezen joodse) naastenliefde kon konkluderen.

De handel in aan A. Marja geadresseerde brieven is echter eerder op gang gekomen. De eerste verkoopcatalogus waarin aan Marja gelieerde manuscripten werden aangeboden dateert van 1954. Het Arnhemse antiquariaat Gijsbers & Van Loon bood in Lilliput 31, hun bekende gestencilde catalogus, een ‘verzameling brieven en gedichten van Nederlandse letterkundigen, gericht aan de schrijver A. Marja’ aan. Twaalf in getal, uit de periode 1936-1944, waaronder brieven van Blaman, De Mérode, Nijhoff en Vestdijk.

De Koninklijke Bibliotheek kocht de collectie, waardoor deze brieven voorgoed buiten het bereik liggen van de kooplustige particuliere verzamelaar. ‘Ter inzage’: aanraken, lezen en besnuffelen kan wel, maar de brieven moeten voor sluitingstijd worden afgegeven bij de baliemedewerker.

De ezelsoren van Joost Zwagerman

In april mocht ik mij beroepshalve een paar dagen opsluiten in de boekenkast van Joost Zwagerman. Na zijn dood waren de zesduizend boeken in zijn Haarlemse woning onverhoopt verweesd geraakt: enkele tientallen belandden daarna bij Zwagermans beste vrienden, maar het leeuwendeel ging naar het antiquariaat. Het was mijn taak om ruim honderd boeken met eigendomskenmerken van Zwagerman bibliografisch te beschrijven voor een kleine verkoopcatalogus (.pdf).

Joost Zwagerman was, zo werd mij snel duidelijk, geen bibliofiel. In zijn ogen was een boek een gebruiksvoorwerp: hij maakte ezelsoren, knakte ruggen en schreef veelvuldig in de kantlijn. Zwagerman was een heavy user. Ieder ander zou ik deze barbaarse omgang met boeken ernstig kwalijk hebben genomen. Nu het een bekende schrijver betrof waren de gebruikssporen en leestekens ineens interessant.

De aangestreepte passages en omgevouwen hoeken in de boeken van Douglas Coupland zie ik als de eerste bouwstenen van Zwagermans belangrijke essay ‘Net zo verloren als alle anderen. De generatieromans van Douglas Coupland’, opgenomen in In het wild (1996). De ezelsoren in David Vanns Caribou Island (2010) en in Dit is water (2011) van David Foster Wallace verhullen niets: op de betreffende bladzijden gaat het over zelfmoord.

Hoe zit het eigenlijk met de leeswoede van Zwagermans personages, vroeg ik me af toen de klus geklaard was.

Dat er wordt gelezen in de boeken van Joost Zwagerman, staat buiten kijf. In zijn debuutroman De houdgreep (1986) voert de schrijver een personage op dat boeken zelfs ‘verslindt’. De keuze van precies dat werkwoord licht Zwagerman tussen haakjes toe: ‘nee, er is geen ander woord dan het doorkookte ‘verslinden’ voor haar leesgedrag’.

In Vals licht (1991) dwaalt middelmatig student Nederlands Simon Prins door de rosse buurt, als zijn interesse wordt gewekt door een exemplaar van de Volkskrant in de vensterbank van prostituee Lizzie Rosenfeld. ‘Zo er achter het raam al werd gelezen, dan was het de PrivéDe Telegraaf of deeltje zoveel uit een damesromannetjesreeks’. De hoer is nogal in trek, Simon staat te dralen voor haar raam, is de derde wachtende in de rij. Na nog een rondje over de Wallen heeft er een rangschikking plaatsgevonden: nu ligt er een Nooit meer slapen in de vensterbank, ‘opengeslagen, met de rug omhoog, het omslag verfomfaaid, een aantal bladzijden voorzien van ezelsoren’.

In een van zijn aangrijpende vader-gedichten in de bundel Voor alles (2014) beschrijft Joost Zwagerman de zelfmoordpoging van zijn vader. De dichter verplaatst zich in de man die een overdosis pillen nam. Hij blijft echter in leven en wordt wakker op wat zijn sterfbed had moeten zijn. Zijn ‘versufte blik’ richt zich op ‘nachtkastje,/ een pocketboek met ezelsoor,/ twee wattenstaafjes,/ handvol lege pillenstrips’.

Meerdere voorbeelden van onbesuisd lezen vond ik in de humoristische roman Chaos en rumoer (1997). Daar is het radiopresentator Stan die in de marge van het draaiboek af en toe een trefwoord noteert. Riekje, redactrice van het radioprogramma, verschijnt op de redactie met een spraakmakende roman. Haar exemplaar is ‘vergeven van de ezelsoren’, hier en daar steken stroken papier tussen de bladzijden uit. Omroepbaas Berend maakt tijdens een vergadering ‘energiek’ een ezelsoor in zijn agenda.

Wat mag ik uit deze steekproef concluderen? Dat Joost Zwagerman echte werelden met echte lezers schiep. Een scheefgelezen boek maakt van een uit letters op papier bestaande constructie een mens van vlees en bloed. De personages van Zwagerman volgden trouw het voorbeeld van hun schepper. Exemplarisch is het woord dat hier perfect past.

Deze column verscheen eerder op de website van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (11 mei 2017).

 

Escobars dummy

In de eerste twee seizoenen van de Netflix-serie Narcos, over de opkomst en ondergang van drugsbaron Pablo Escobar, speelt het boek hoegenaamd geen rol. Alleen Gustavo de Greiff, de procureur-generaal van Colombia, laat in een enkele aflevering zijn goed gevulde, antieke boekenkasten zien, zodat de kijker zich realiseert dat hij hier met een intellectueel te maken heeft.

Eenmaal slechts overstijgt het boek de functie van dode rekwisiet. Wanneer Escobar op 19 juni 1991 zijn intrek neemt in de door hemzelf gebouwde, idioot luxe privé-gevangenis La Catedral, neemt hij een boek mee. Het is een foliant van zwart leder, met op het voorplat, in goud uiteraard, de beeltenis van Escobar en diens naam in kapitalen.

Het glimmende boek blijkt een dummy te zijn: in de negende aflevering van Narcos vult de drugsbaron het boek met herinneringen. Foto’s uit zijn jeugd, krantenknipsels, zelfs zijn vroegste mug shot belandt in het boek. Escobar is druk in de weer met een tube bloedroodgekleurde lijm. Op de eerste lege bladzijde plakt hij een foto in van zichzelf met zijn geliefde ‘Tata’. Dat inplakken doet Escobar uiterst zorgvuldig. Hij strijkt elk knipsel vanuit het midden naar de randen toe glad, zodat er geen bobbels of vouwen kunnen ontstaan. Met een fineliner zet hij er bijschriften bij.

Als het Colombiaanse leger een jaar later La Catedral bestormt, weet Escobar wonderwel uit zijn vijfsterrennor te ontsnappen. Pas nadat het leger de gevangenis heeft schoongeveegd, kunnen DEA-agenten Murphy en Peña kijkje nemen. De hoofdpersonen van Narcos wandelen Escobars kantoor in La Catedral binnen. Daar vinden ze opnameapparatuur, pornoblaadjes en de zwarte pil met Pablo’s gouden kop voorop. Peña houdt het boek omhoog en zegt tegen zijn collega:

This and Mein Kampf. Two classics of 20th century literature.

Het sjieke plakboek van Escobar is geen vondst van de scenarioschrijver. Ten tijde van zijn gesloten verblijf is de drugsbaron daadwerkelijk met een boek bezig geweest. Maar aan de werkelijkheid is, zoals wel vaker bij Netflix-producties, ‘for dramatic purposes‘ een draai gegeven.

In 1992 gaf Escobar, vermoedelijk in een oplage van enkele honderden stuks, in eigen beheer Pablo Escobar Gaviria en Caricaturas 1983-1991 uit. Op de band van stug donkerbruin kalfsleer staat Escobars handtekening in 18-karaats goud, naast een duimafdruk. Het binnenwerk bevat foto’s van de familie Escobar, evenals een reeks spotprenten van Pablo en documenten in facsimile. Op 2 juni 1992 was het drukwerk gereed, meldt het colofon – alsof het een incunabel betreft. Voor incunabelprijzen wordt het megalomane boek nu en dan aangeboden. James Cummins, een betrouwbaar adres voor bijzonderheden, kan momenteel een exemplaar leveren voor negenenhalfduizend dollar.