Aan de voet van een heuvelrug

In interviews naar aanleiding van het verschijnen van zijn roman Klont (2017) vertelde Maxim Februari dat hij zal verhuizen naar een andere streek. Na een geslachtsverandering, de dood van zijn partner en een grote brand in huis is het tijd om een frisse start te maken. Waar Februari zich precies gaat vestigen, heeft hij niet meegedeeld. Van de Utrechtse Heuvelrug naar de Betuwe, meldde NRC Handelsblad; ‘zo’n 20 kilometer van mijn huidige woonplaats,’ zei de schrijver op de radio.

Dit betekent dat er na de verkoop van het vrijstaande villaatje op Torenlaan 4, waar Vestdijk twintig jaar stofzuigde schreef, opnieuw een schrijverswoning in Doorn vrij zal komen. Herstel: de kijkdagen zijn al geweest. Het 168 vierkante meters beslaande herenhuis op Gezichtslaan 17a, alwaar ‘tekstschrijver’ Max Drenth (alias Maxim Februari) is gevestigd, is in twee weken tijd verkocht. Makelaardij Van der Linden deed snel zaken. Gelukkig heeft Funda een fotografisch geheugen.

Uiteraard zijn er op de foto’s veel boekenkasten te zien. Rondom de dubbele deur van de hal naar de ‘L-vormige living’ staan de boeken tot het plafond (mirror). In het zitgedeelte staat nog een metalen stellingkast met boeken en dvd’s. Maar er is op de begane grond ook een zwevend toilet, niet ver van de houtkachel. In de keuken staat een opvallend roze tafeltje, tegenover het kookeiland hangt een comtoiseklok (mirror). Een fijne mix van antiek en eigentijds, dit schrijversinterieur.

De bovenverdieping ging op 7 januari 2015 deels in vlammen op. Er is daarna veel vernieuwd. De glas-in-loodramen van de ruime werkkamer van Februari, aan de achterzijde van het huis, zijn vervangen door dubbelglas. Waar vroeger de boeken de volledige zijmuur bedekten, staan nu twee bescheiden Billy’s (mirror). De houten tafel, waarop honderden columns moeten zijn geschreven, is er gelukkig nog. Ook het gekleurde glas-in-lood op de overloop, zeer sfeerverhogend, heeft de brand doorstaan (mirror).

De koper van het schrijvershuis aan de Gezichtslaan zal dit worst wezen. Hij heeft zich Februari’s oeuvre nooit eigen gemaakt, misschien zelfs geen letter van hem gelezen. Pak, nieuwe eigenaar, De literaire kring (2007) er dan eens bij. Op de eerste bladzijden van deze roman staat een aardige beschrijving van een zeker dorp ‘aan de voet van een heuvelrug’, dat ‘autonoom voortdobbert’ en waar ‘helemaal niets’ gebeurt.

Het is onvoorstelbaar hoe weinig sensationeel deze plek is, als je de sensatie tenminste niet voelt van crosscountryritten en schaapskooien, maar mensenmassa’s verwacht, discotheken, lichtreclame of de broeierige criminaliteit van achterbuurten. Hier haalt het de dorpskrant als de wieldoppen zijn gestolen van een Mitsubishi Colt die geparkeerd stond voor het raam van de drogisterij.

Op het dak van de stacaravan

De priester is een goedgelovige. In de vijfde aflevering van de Netflix-serie Ozark (2017) vindt de distributie van harddrugs plaats bij aanvang van de zondagse mis. Een barmhartige Samaritaan overhandigt bijbels aan de kerkgangers, terwijl de priester nog even zijn preek doorneemt. Het gebeurt allemaal recht voor zijn neus.

Bijbels met een stofomslag hebben in het boekblok een uitsparing voor een zakje heroïne: die zijn voor de criminelen. Bijbels zonder omslag zijn bestemd voor de oprechte christenen: voor hen is het Woord van God afdoende.

Het boek is vaker een rekwisiet in het eerste seizoen van Ozark. De slimme jongen uit het trailer trash-gezin zit, eerder in dezelfde aflevering, op het dak van de stacaravan. Hij laat een pubermeisje zijn verzameling boeken zien – stuk voor stuk gestolen. Zij vindt dat een beetje vreemd.

– So you just broke into his house. Ever heard of a library card?
– You don’t understand! This guy has first editions like you’d not believe. I doubt he even notices anything’s missing.

Daarop overhandigt hij haar Ray Bradbury’s The Martian Chronicles (1950). Een eerste druk met stofomslag. En terwijl hij haar uitlegt wat er zo briljant is aan Bradbury’s post-apocalyptische science fiction, zet het meisje haar hoofd steeds schuiner, alsof ze hem wil zoenen. Ze lacht. Ze is verliefd.

De slimme jongen ratelt maar door over zijn boeken. Hij heeft niets in de gaten.

Stofzuiger

Van alle schrijversrelikwieën die zich in het Literatuurmuseum bevinden spreekt de stofzuiger van Simon Vestdijk het meest tot de verbeelding. Zijn Nilfisk staat permanent te glimmen in het letterkundig kabinet. Het is een blikvanger. In Vestdijks lemma op Wikipedia wordt de stofzuiger genoemd onder ‘Trivia’.

Vestdijk zou het apparaat hebben gebruikt om omgevingsgeluid te overstemmen. Toen hij in Bilthoven woonde, waren dat stijgende en landende vliegtuigen. Later, in Doorn, zouden het luidruchtige buurkinderen zijn geweest. Zonder het monotone geruis kon hij niet schrijven. Kortom, aan deze Deense zuiger hebben we een aanzienlijk deel van Vestdijks tweeënvijftigledige oeuvre te danken.

Nol Gregoor – de bekendste groupie uit de Nederlandse letteren: hij verhuisde naar Doorn om voorgoed in Vestdijks aura te verkeren – heeft het verhaal van de stofzuiger vele malen verteld. In zijn dagboek, dat door Vestdijk-biografen Hans Visser en Wim Hazeu werd geraadpleegd, beschreef Gregoor op 2 augustus 1951 Vestdijks werkkamer:

Ergens staat altijd de befaamde stofzuiger klaar; het is geen verzinsel, Vestdijk heeft werkelijk vaak bij ’t werken die stofzuiger aan.

Dick Vestdijk, zoon van de schrijver, probeert de mythe van de stofzuiger door te prikken. In het door Jelle Pijpers samengestelde boekje Huis te koop: Torenlaan 4, Doorn (2017) – verschenen in vijftig genummerde exemplaren in de reeks PrimiPers – zet Dick Vestdijk een paar fouten recht over het huis waar zijn vader schreef en waar hij ter wereld kwam. Toen in de zomer van 2016 de schrijverswoning in Doorn in de verkoop ging, werden er helaas nogal wat onjuistheden over beweerd. Over de museale Nilfisk zegt Dick Vestdijk:

Volgens mij heeft hij maar één of twee keer een stofzuiger gebruikt om niet afgeleid te worden van zijn werk. Dat was toen vanwege het gejank van een hondje dat net geopereerd was. Wel gebruikte hij vaak oordoppen of een koptelefoon met muziek. Een journalist heeft het stofzuigerverhaal aangedikt en dat is toen een eigen leven gaan leiden.

Schaduwoeuvre

In de meeste necrologieën van uitgever Theo Sontrop, die vorige week zondag op 86-jarige leeftijd overleed, werd de omvang van zijn scheppend werk gememoreerd. Hij was de man van ‘het kleinste poëtische oeuvre van Nederland’ (Onno Blom), van een ‘bijzonder klein’ oeuvre (Kester Freriks), wiens gedichten ‘heel mondjesmaat, in pierdunne bundeltjes’ verschenen (Rob Schouten). Nee, ‘een veelschrijver was hij niet’ (NOS). Hier en daar werd een getal genoemd: 38, want zoveel verzen staan er in Sontrops Gedichten 1962-1996 (1996).

Maar het poëtische oeuvre van deze markante man is wel iets groter dan wat hij selecteerde voor en opnam in zijn officieuze Verzamelde gedichten. De 26 kwatrijnen van Het Alfabet (1975), een door Joost Roelofsz geïllustreerde dichtbundel, ontbreken bijvoorbeeld in Gedichten 1962-1996.

En Theo Sontrop liet een schaduwoeuvre na, verspreid over talloze schutbladen en titelpagina’s. De dichter die ‘legendarisch traag’ was (Blom), schudde de gelegenheidsverzen zo uit zijn mouw. Wanneer Sontrop zijn eigen bundels cadeau deed, verwerkte hij wel eens nieuwe poëzie in de opdracht. Voor in een exemplaar van zijn debuut Langzaam kromgroeien (1962) staat ‘Aan de ongelukkige koper’:

‘Ach, als ik dicht dan moet ge mededichten’
of laat ook maar, het is al dicht genoeg.
Hoe zouden woorden ook maar iets verlichten:
een brakke echoput, een schampscheut voor de boeg.

Met Sontrop bevriende schrijvers kregen ook vaak een boek uit zijn fonds ten geschenke, waarin hij bij overhandiging nog even vlot een kwatrijn neerpende. Criticus Ivan Sitniakowsky kreeg in 1988 de Achterberg-biografie cadeau:

Dit is het boek van I… Sitniakowsky,
die nooit de minnaar werd van Feetje Lowski.
Waar Achterberg viel in Neerlangbroek:
zéér veel te lijden, en dat alles voor één boek?

Uit de bibliotheek van Benno Barnard, die weer eens verhuizen moest, kocht ik in 2003 Maarten ’t Harts essaybundel Een dasspeld uit Toela (1990). Op de Franse titel van het boek staat in Sontrops priegelhandschrift:

Al draagt een aap een dasspeld
dan wordt hij nog geen dagheld.
En wat de criticus mag zeggen:
zal C. Pe[e]ters ooit een grens verleggen!?