Bibliocide

Ruim zeven jaar voordat Gerrit Komrij zijn ongeneeslijke kwaal beschreef en drie decennia voordat Boudewijn Büch op televisie zijn witte handschoentjes toonde als symptoom van die besmettelijke ziekte, waarschuwde Lodewijk Henri Wiener al voor bibliofilie. In het korte verhaal ‘Boekenmeppers’, opgenomen in de bundel Man met ervaring (1973), doet de ik-figuur een poging om op een veiling een eerste druk van Charles Dickens te bemachtigen. Tevergeefs: er zit een bibliofiel in de zaal. Deze gewelddadige gedachten schieten vervolgens door het hoofd van de onderbieder:

Zo begon ik me te verlustigen aan een beeld waarbij ik hem langdurig neersloeg tot hij helemaal beduimeld was, daarna naaide ik hem in in een dwangbuis en sleurde ik hem aan zijn ezelsoren naar de top van een ivoren toren om hem er vervolgens af te drukken, zodat hij beneden in pastei viel.

De rest van het verhaal (over ‘het menselijk tekort’, aldus Wiener op de achterflap) is een pleidooi tegen boekenliefde. Bibliofielen zijn

zeer zielige personen die weliswaar voortkomen uit de gelederen der ware literatuurliefhebbers, maar zichzelf op een dood spoor hebben gerangeerd. Zij zijn afgedwaald van het rechte pad, hoofdzakelijk ten gevolge van een verzamelmanie waaraan het merendeel van hen lijdt en die ze bij voortduring influistert dat latere drukken van hetzelfde boek hetzelfde boek niet meer zijn en dat ze dus die eerste uitgave moeten zien te bemachtigen.

Wiener onderscheidt drie stadia van steeds verregaander boekenliefde: bibliofilie, bibliofobie en bibliocide. In het eerste stadium sluit de bibliofiel zich op met zijn aanwinst, in het tweede stadium bevangt de angst hem het boek door lezing te beschadigen, in het derde en finale stadium pleegt hij een boekenmoord.

Hij brengt het boek om door eenvoudig een glazen wand weg te schuiven en het daarachter voor immer een plaats te geven, zodat niemand anders er meer bij kan. Bibliofielen hebben blauwe baarden.

Als dit verhaal enigszins op waarheid berust, vinden de ik-figuur en de auteur elkaar hier in hun afkeer van bibliofielen. Het roodaangelopen gezicht van de onderbieder heeft dezelfde gelaatstrekken als de schrijver met zijn fietsstuursnor op het omslag.

Was hij vroeger de bestrijder, tegenwoordig is Wiener de verspreider van het leed dat bibliofilie heet. Want de schrijver omringt zich met verzamelaars van zijn werk. Hun boekenhonger wordt gestild door drukkers als René Hesselink, Theo Rabou, Boris Rousseeuw en Wolfram Swets. Zo raken zijn fans helemaal van het padje af. En Wiener is zo vriendelijk om belangeloos teksten af te staan voor dit marginale drukwerk. Belangeloos? Wiener kan zijn drie fasen van bibliofilie eindelijk aan de dagelijkse praktijk toetsen. Het is een biblioseksueel complot.

Toen ik vorig jaar, na vlotte bemiddeling van de schrijver, een archiefexemplaar van Wieners in een oplage van zeven stuks gedrukte boekje Wapenbroeders. Een feestrede voor A.L. Snijders (2013) kon bemachtigen, wilde Wiener mij prompt promoveren tot bibliofoob. Hij schreef mij:

Als ik nog eens een signatuur moet zetten onder jouw unieke exemplaar van Wapenbroeders, om de exclusiviteit nog wat op te waarderen, dan zeg je het maar. Ik doe het graag.

En toen ik daarna de glazen wand voor de boekenkast opzij schoof om Wapenbroeders een plekje te geven, zag ik mijn reflectie in het glas. Een rilling. Mijn baard was blauw geworden.

Dit stukje verscheen in LHW70. Een liber voor een libertijn (2015), het vriendenboek voor L.H. Wiener met bijdragen van o.a. Roos Custers, Nico Keuning, Nop Maas, Geerten Meijsing, Joubert Pignon, A.L. Snijders en P.F. Thomése.

Een gedachte over “Bibliocide

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s