‘Het op een na moeilijkste boek dat ik geschreven heb’

Met het verschijnen van Geschiedenis van antiquariaat en bibliofilie in België (1830-2012) heeft Piet J. Buijnsters zijn trilogie over de Nederlandse en Belgische boekverkopers en -verzamelaars voltooid. Dit boek werd op 2 maart 2013 gepresenteerd in de Centrale Bibliotheek van de Universiteit Leuven. Sindsdien kwamen er al reacties van lezers en Buijnsters mocht tweemaal voor de Belgische radio uitgebreide interviews geven. De verschijning leek Kees Thomassen en mij een goede aanleiding met Buijnsters in gesprek te gaan. De afspraak was dat het nieuwe boek centraal zou staan, maar in de praktijk kwamen zijn eigen ervaringen als verzamelaar en liefhebber minstens zo vaak ter sprake.

We hadden het wel verwacht, maar waren toch verrast. Piet J. Buijnsters laat ons plaatsnemen in de achterkamer op de begane grond, waar drie van de vier wanden zijn bekleed met boekenkasten waarin oude banden ons uitnodigend opwachten. Zijn vrouw Leontine Buijnsters-Smets, tevens co-auteur van een aantal belangrijke naslagwerken, schenkt intussen thee. ‘In de beginjaren van de ILAB heeft oprichter Menno Hertzberger de wens uitgesproken dat er voor elk land dat lid was van deze club een nationale geschiedenis van het antiquariaat zou komen. Een mooi plan, waar natuurlijk nooit iets van terecht is gekomen. Eigenlijk is iets dergelijks alleen gebeurd in Engeland, met Out of Print & Into Profit (2006), en in Nederland, met mijn Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat (2007). En nu met mijn laatste boek, in België. Ik zou graag willen dat er voor Frankrijk en Italië ook zo’n werk verscheen, maar dat zal wel niet gebeuren. We mogen blij zijn als er een goede biografie van Pierre Berès komt, de voornaamste antiquaar uit Parijs.’

‘Ik heb van begin af dossiers gevormd over antiquaren, ook Engelse en Amerikaanse, maar ik ben niet zo pretentieus om daar iets over te schrijven. België heeft altijd in de bedoeling gelegen. De dag na de verschijning van mijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie (2012) ben ik begonnen met dit werk. Als ik tijd van leven had gehad, dan had ik voor België ook twee boeken gemaakt, eerst de antiquaren en dan de bibliofielen.’

Zijn werkzame leven bracht Buijnsters door op de universiteit van Nijmegen, als hoogleraar achttiende-eeuwse letterkunde. Ook was hij ruim 25 jaar verbonden als docent aan de MO-opleidingen in Arnhem en Utrecht. Maar altijd was Buijnsters in de weer met het antiquariaat, als koper, als verzamelaar, en als kweker van nieuwe antiquaren. ‘Mijn studenten heb ik altijd gejaagd in de richting van antiquariaten en boekenbeurzen. Bij sommige had dat resultaat. Anita van Elferen, die een bijvak bij mij deed, stuurde ik eens naar de RAI, toen daar de internationale antiquarenbeurs werd gehouden. Daar stond de antiquaar Frits Knuf, een hypersolist. Toen hij hoorde dat ik Anita had gestuurd om bij hem naar werk te informeren, stemde hij van de weeromstuit in. Dat heeft nog wel hilarische situaties opgeleverd. Knuf zei: “Dat dametje van je weet werkelijk helemaal niets.” Anita, een dag later bij mij, vertelde dat Knuf haar had gezegd dat ze “alles moest vergeten wat die Buijnsters je geleerd heeft”. Zo ging dat op en neer. Uiteindelijk mocht Anita de zaak van Knuf overnemen.’

‘De kloof overbruggen tussen boekwetenschap, de academische studie en de wereld van antiquariaat en bibliofilie. Dat heb ik altijd getracht te doen. Ik geloof dat die kloof nooit een centimeter kleiner is geworden, overigens. Boekwetenschappers zien particuliere verzamelaars vaak nog als ‘bezitters’, een scheldwoord. En dat stoort mij geweldig.’

België-Nederland

Buijnsters schreef over Betje Wolff en Aagje Deken, over oude kinderboeken, over papieren speelgoed. ‘Mijn grootste passie is, realiseer ik mij nu, al die tijd toch geweest: de geschiedenis van het antiquariaat en de bibliofilie. Wat niet wil zeggen dat mijn vrouw Lin en ik de andere onderwerpen helemaal buitengesloten hebben. Die hebben nog steeds onze belangstelling, maar niet meer onze aandacht. Wie mij nu nog benadert voor een artikel over iets achttiende-eeuws, die krijgt pertinent “nee” te horen.’

‘Ach, ik heb altijd spijt wanneer een van onze projecten weer voltooid is. Lin en ik hebben een heel spannende tijd beleefd dankzij dit boek. Een week in Gent, een week in Brugge, enzovoort. Logistiek was het soms wat lastig. Dat de trein niet verder reed dan Breda, vanwege koperdiefstal. En terugkomend van ons bezoek aan Werner Waterschoot hebben we een ernstig auto-ongeluk gekregen. We zijn er levend uit gekomen, maar het had niet veel gescheeld. De trance waarin deze verzamelaar verkeerde, toen hij ons zijn schatten toonde, was besmettelijk. We waren echt ondersteboven van dat bezoek.’

Antiquaren en bibliofielen, waar ook te lande, staan bekend als gesloten personen. Hoe lukte het Buijnsters, toch een buitenstaander in de Belgische boekenwereld, om het vertrouwen van mensen te winnen? ‘Ik ben geen Hollander, zei ik meer dan eens, en dat ik uit Breda kom is misschien een zegen geweest. Bij de verzamelaars kon ik binnenkomen als collega-verzamelaar, maar daar was de behoefte aan discretie veel sterker dan bij de antiquaren. Het is me bijvoorbeeld niet gelukt om door te dringen tot Roger De Kesel, een groot verzamelaar van Middeleeuwse handschriften en getijdenboeken. Maar ik heb veel gehad aan de bemiddeling van onze vriend Jan Roegiers, oudbibliothecaris te Leuven. Als ik zijn naam noemde, gingen er deuren open. Aan de andere kant: mijn nationaliteit is ook een blessing in disguise geweest. Bij mijn bezoeken in België was ik noch Vlaming noch Walloniër.’

Problematisch bij het schrijven van zijn laatste boek was het gebrek aan bronnen. Er is in België geen centraal of boekhistorisch archief. Wel waren er documenten binnen de verschillende bibliofiele sociëteiten die België rijk is. ‘Maar die stukken zijn semi-geheim. En uiteraard mocht ik geen ledenlijsten inzien, want men is zeer gesteld op zijn privacy.’ De KB Brussel heeft een aardige maar allerminst complete verzameling antiquariaats- en veilingcatalogi. ‘Juist door dat gebrek aan bronnen is dit het op een na moeilijkste boek dat ik geschreven heb. Het moeilijkste was Papertoys, over spellen zoals ganzenborden, kijkdozen, maquettes en dergelijke, want op dat gebied bestond helemaal niets.’

‘De belangrijkste vondst in mijn boek trof ik bij Michel Lhomme in Luik. Ik hoefde met hem geen afspraak te maken, want Lhomme had ons per e-mail verzekerd praktisch altijd in de zaak aanwezig te zijn. Mijn vrouw en ik troffen echter alleen zijn zoon. Toen heb ik de druk even moeten opvoeren: “Belt u uw vader maar om te zeggen dat de professor er is.” Dus toen Michel Lhomme zijn zaak betrad was hij enigszins not amused. Het gesprek kwam moeizaam op gang, maar geleidelijk aan ging het beter, want we bleven allebei kalm. Toen het gesprek op de liquidatie van het befaamde antiquariaat Gothier kwam, geveild door Lhomme, wilde ik natuurlijk weten of er geen dossier of archief bewaard was gebleven. Lhomme schudde zijn hoofd. Welnu, aan het eind van het gesprek stond Lhomme op, hij trok een lade open en gaf mij drie kleine boekjes. In twee van die boekjes staan de handgeschreven memoires van Jean Joseph Gothier, die eind achttiende eeuw de zaak had gesticht. “Pas grand marchandise, pour vous, pour vous.” Dat vond ik ongelooflijk. Fantastisch gewoon. Diezelfde avond, op de hotelkamer, heb ik evenwel geen kans gehad om ze te lezen, want mijn vrouw rukte ze uit mijn handen en heeft ze verslonden.’

Bibliofilie met wachtlijsten

‘Ik zal niet zeggen dat bibliofilie in Wallonië genetisch bepaald is, maar het viel me wel op dat daar – meer dan in Vlaanderen, laat staan in Nederland – een verzameling en ook het lidmaatschap van een bibliofielenclub nog vaak van vader op zoon gaat, generaties achter elkaar.’ Buijnsters somt enkele verschillen op tussen Belgische en Nederlandse bibliofielen. ‘Het is jaren zo geweest dat je, bijvoorbeeld bij een veiling bij Beijers in Utrecht, wel kon inpakken als er Belgen in de zaal zaten. Belgen hadden altijd veel hogere limieten. Die gingen tot het randje. In België zijn het vaker de captains of industry, de zakenmensen en de politici die boeken verzamelen. Mensen met een zeker vermogen. Hier in Nederland zie ik geen rijke voetballer zoiets doen. Het zijn vaak gewoon leraren Nederlands. Joost Ritman is hier te lande een uitzondering.’

In het boek is een apart hoofdstuk gewijd aan de vijf genootschappen van bibliofielen die België kent, en waarvan de oudste, de Société des Bibliophiles Belges séant à Mons, al in 1835 werd opgericht. Wat waren de beweegredenen om tot zo’n genootschap toe te treden: statusbevestiging, het onderlinge sociale verkeer, uitwisseling van informatie? En zijn ze vergelijkbaar met bijvoorbeeld het Nederlands Genootschap van Bibliofielen? ‘Al de in het boek genoemde Belgische bibliofielenclubs zijn begonnen met het doel om voor de regio of eigen groep belangrijke teksten te editeren. Het verzamelen als zodanig stond nooit voorop. Tegenwoordig is liefde voor en bestudering van boek en prent wat de leden verbindt.

Door recrutering uit de intellectuele en sociale bovenlaag kreeg het lidmaatschap vanzelf een zekere status. Als je het genootschap te Mons als voorbeeld neemt: het aantal leden was beperkt tot 50, later uitgebreid tot 75. Aspiranten moesten wachten tot er door overlijden of vertrek een genummerde zetel vrijkwam. Bij de Société des Bibliophiles liégeois was het niet anders. Weliswaar telt die vereniging nu 150 persoonlijke leden en 26 op naam van een instelling, maar het lidmaatschap van “de Luikse bibliofielen” is altijd een heftig begeerd maar niet gemakkelijk verkregen prerogatief gebleven. Als prestigieuze landelijke club lijkt de Société royale des bibliophiles et iconophiles de Belgique, denk ik, nog het meest op ons Nederlands Genootschap van Bibliofielen.’

Wat opvalt is het grote aantal boekenveilingen in België, met vaak een kwalitatief hoog aanbod. Zijn er speciale redenen waarom kopers en verkopers het risico van veilen boven de vastigheid van de antiquariaatshandel stellen? ‘Belgische boekhandelaars, antiquaren in het bijzonder, zijn van oudsher dikwijls tegelijk als veilinghouder opgetreden. Dat veilingwezen heeft daar nu mede een hoge vlucht genomen, omdat in België nog zoveel particulier boekenbezit van hoog niveau verscholen lag dat nu op de markt komt. Bijvoorbeeld uit het bezit van de in maart 2011 overleden Brusselse antiquaar Albert van Loock.’

‘Daarnaast heb je ook in België het verschijnsel van beurzen. Maar spijtig genoeg zijn de jaarlijkse antiquarenbeurzen in Brussel (Rue de la Madeleine) en eerder al die in Antwerpen plotseling gestopt. De jaarlijkse decemberbeurs in het cultureel centrum te Mechelen blijft onverminderd aantrekkelijk, ook al door de onmiddellijke nabijheid van prima restaurants. Ik heb daar mooie dingen kunnen kopen, waarbij je vroeger erg moest opletten of voor een boek nu in Franse of in Belgische francs gerekend werd. Dat kon aardig in de prijs schelen.’

‘Overigens vertelde Marc Van de Wiele, antiquaar en veilinghouder te Brugge, mij iets wat mij bevreemdde: als een boek in de etalage van zijn winkel ligt, dan wordt het niet zo snel verkocht. Een Belg wil echt het idee hebben dat een zeker boek voor hem bestemd is, dat het voor hem apart ligt, dat hij eerste keus heeft.’

‘Tja, en of ze het lezen allemaal, de bibliofielen? Ik denk het wel.’ Met een glimlach: ‘Ik lees ook niet al mijn boeken. Dat doen jullie ook niet. Dan mag je jezelf wel opsluiten.’

Wie aan België boekenland denkt, denkt onwillekeurig aan Redu-sur-Lesse, de tegenhanger van Haye-on-Waye en, zo men wil, Bredevoort. In Buijnsters’ visie zijn deze ‘boekendorpen’ een aflopende zaak. ‘Te veel uitschot aan boeken dat men evengoed op internet kan aantreffen. De eerste tien jaar kon Redu de naam boekendorp wel waarmaken, maar met het vertrek van de mensen van het eerste uur, kwam de klad erin. Het boekenaanbod is, als te verwachten, bijna exclusief Franstalig en doorgaans van matige kwaliteit. Buiten het seizoen zijn de winkels maar beperkt open en zomers trekt er een horde van veelal onoordeelkundige koopjesjagers langs. Men kan alleen maar respect hebben voor de antiquaren die vandaag de dag in Redu-sur-Lesse of Damme hun toko draaiend proberen te houden.’

Verschuivingen

Het eerste deel van Buijnsters’ nieuwste naslagwerk heeft een hoge informatiedichtheid: zoveel namen, zoveel jaartallen. Maar de auteur wilde zo volledig mogelijk zijn, hij had maar één kans. Bovendien ergert Buijnsters zich aan geschiedenissen die nadrukkelijk essayistisch zijn. ‘Allemaal meningen, daar koop ik weinig voor. Ik houd van feiten. Uit feiten kunnen meningen groeien.’ Het tweede deel van zijn boek, waarin de bibliofielen aan het woord komen, is veel levendiger.

Een persoon die in het boek schittert door afwezigheid is Henri Dirkx, alias Suikerjan, een legendarisch verzamelaar van bellettrie. Iets dat Buijnsters achteraf betreurt: ‘Ik had voor hem toch een aparte plaats moeten inruimen, in plaats van alleen maar te verwijzen naar mijn eerdere uitvoerige artikel over hem in De Parelduiker en in mijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie. Henri Dirkx was namelijk de enige Belgische boekenverzamelaar die door Vlaamse én Waalse bibliofielen met evenveel respect als voorbeeldfiguur werd gezien. Daarmee verbond hij in alle bescheidenheid als centrale figuur binnen eigen land zeer uiteenlopende culturen en op politiek gebied licht ontvlambare temperamenten.’ Buijnsters herinnert zich de legendarische veiling van de collectie-Dirkx als de dag van gisteren. ‘En wat er zich ook allemaal omheen afspeelde. Voorafgaand aan de veiling zelf was er een kleine bijeenkomst bij antiquariaat Forum. Daar zaten alle grote spelers, achterover geleund. “Och, aan een boom zo vol geladen…” Men dacht dat het wel goed zou komen met de prijzen. Maar die appeltjes vielen niet naar beneden, die vielen omhoog!’

Buijnsters merkt op dat er bij de boekenverzamelaars een verschuiving plaatsvindt van fictie (bellettrie) naar non-fictie (cartografie, pomologie, historiografie). ‘Als je van de afgelopen 50 jaar veilingcatalogi doorneemt, dan zie je aanvankelijk grote collecties met nadruk op klassieke, Franse literatuur onder de hamer komen. Wilde je toen meetellen, dan moest je zo’n literaire bibliotheek hebben, in mooie banden. Nu zie je, ook op boekenbeurzen, een spreiding: enerzijds nog de literatuur, maar dan vooral modern, anderzijds veel meer atlassen, geschiedwerken, handboeken, enzovoorts.’

Buijnsters koopt weinig oude boeken meer, omdat het aandachtsveld nu is verlegd naar zestiende-eeuwse Noord- en Zuidnederlandse grafiek. Vroeger maakte het echtpaar Buijnsters vaste rondes langs antiquariaten in de regio. ‘Ik kon geen dag zonder antiquariaat. Antiquariaat Brabant, antiquariaat Alfa. Zondag was een problematische dag, want dan was alleen Lambiek Coopmans geopend. Onze hond vond die bezoekjes aan Lambiek ook prettig: hij woonde boven een slagerij en had altijd een grote kluif voor de hond klaar liggen. Ik mis het onderweg-zijn, het contact verschrikkelijk.’ Heeft hij dan weleens een boek via het internet besteld? Resoluut: ‘Nooit. Ik moet het altijd zien, voelen, gebruiken. Ik vind er ook geen klap aan om dat te doen. Bovendien, je moet maar afwachten wat je krijgt.’ Maar Buijnsters is nog wel met zijn boeken bezig. Zijn bibliotheek is een levende. ‘Er zijn nu grote gaten geslagen in de kasten. Er is namelijk een grote tentoonstelling in Nijmegen, Uit de plooi, over de achttiende eeuw. Ik heb boeken, pamfletten en een enkele prent ter beschikking gesteld.’

Piet J. Buijnsters verzamelt samen met zijn echtgenote. ‘Dat is het grote geluk, dat mijn vrouw en ik beiden die belangstelling hebben. Wij zijn zo een jaar of 45 aan het verzamelen en ik heb vanaf het allereerste begin van elk boek precies genoteerd waar en wanneer ik het kocht. Liefst ook de hele herkomst. Ter afwisseling van mijn werk aan de drie Geschiedenissen heb ik deze informatie in de computer gezet.’

Geen doodsklokluider

Over de toekomst van het (oude) boek is Buijnsters niet zo pessimistisch als sommigen denken. ‘In mijn boeken beschrijf ik inderdaad ook het verdwijnen van het antiquariaat uit de binnenstad. Ik ben echter allerminst een doodsklokluider. Het antiquariaat zoals het geweest is, zoals ik het heb leren kennen, dat kan niet meer. Achter een bureau zitten met hoge stapels boeken en dan wachten tot de klanten komen, dat is geweest. Geen antiquariaat kan zonder internet. Ik denk wel dat sommige antiquariaten te laat de tekenen des tijds hebben gezien. Te lang voortgeborduurd ook op het oude prijsniveau. Er zijn bijvoorbeeld zaken geweest die voor oude kinderboeken krankzinnige prijzen vroegen. Wel het tienvoudige van wat redelijk was. En dan waren er altijd antiquaren die zogenaamd slechts de helft vroegen. Maar de helft van te duur is nog altijd te duur.’

‘Een antiquaar als Raymond Degreef van de Galerie Simonson in Brussel recruteerde ook verzamelaars. Die kon tegen een klant zeggen: “Dat moet je niet kopen.” Zelf heb ik dat bij Meijer Elte ervaren. Toen mijn vrouw en ik daar voor het eerst in de zaak kwamen waren we snotneuzen. Snotneuzen met een lege portemonnee. Wanneer ik een boek had gevonden dat ik leuk vond en dat ik kon betalen, zei Elte dikwijls: “Meneer, dat kunt u beter niet kopen, u moet dát boek kopen.” Op mijn tegenwerping dat dat boek mij veel te duur was, zei hij dan: “Maar we praten toch niet over geld?” Elte gaf heel goede aanwijzingen. Achteraf loonde zich dat. Je zou hopen dat antiquaren tegenwoordig meer stimuleren en initiëren. In België, heb ik gemerkt, doen ze dat heel weinig. Antiquaren zijn heel afwachtend.’

‘Let wel, achter elk boek schuilt nog een boek. Een ander, ongeschreven boek met alle belevenissen die je tijdens het schrijven hebt meegemaakt. Er zijn ook anekdotes die je niet, of nog niet, aan de openbaarheid kunt toevertrouwen.’ Buijnsters staat op en loopt naar zijn schrijfbureau. Uit een lade linksonder haalt hij een stapel volgeschreven schoolschriftjes. ‘Boekendagboeken. De verhalen die niet gedrukt konden worden, maar die ik wel kon opschrijven. Kijk, een groot deel van mijn leven heb ik geschreven over de achttiende eeuw. Die lui waren allemaal allang dood, en die familie was ook allang dood, maar daar kreeg je zelfs dan nog problemen mee. Ik heb gemerkt hoe riskant het is – zie de rechtszaken tegen Revebiograaf Nop Maas – om frank en vrij alles maar te publiceren. Deze boekjes zijn voor later.’

Tijd voor een rondgang langs alle boekenkasten in het huis ontbreekt helaas, maar bij ons vertrek gunt Buijnsters ons nog een blik in de voorkamer, waar onder meer de prachtige kast staat die op het stofomslag van Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie prijkt. Hebben de Buijnsters eigenlijk al besloten wat er uiteindelijk met hun verzamelingen gaat gebeuren? Het archief- en documentatiemateriaal gaat naar diverse openbare instellingen, maar in principe gaat verder alles weer de handel in, zodat nieuwe liefhebbers de kans krijgen om op hun beurt van al het moois te genieten.

Dit interview met Piet J. Buijnsters, afgenomen en geschreven in samenwerking met Kees Thomassen, verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 4 (juli 2013).

4 gedachtes over “‘Het op een na moeilijkste boek dat ik geschreven heb’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s