‘Wanneer het genoeg is? Ja, eigenlijk nooit’

De grande dame van het Nederlandse antiquariaat, een éminence grise, een instituut. Het zijn woorden die je vaak vindt in combinatie met haar naam: Wilma Schuhmacher. Sinds 1952 drijft zij onafscheidelijk samen met haar halfbroer Max, tot deze in 2007 overlijdt, het hoofdstedelijke antiquariaat op Gelderschekade 107. Als je het over antiquariaat Schuhmacher hebt, hanteer je de oude spelling van de straatnaam. Op een zonnige donderdagmiddag beklim ik de houten wenteltrap van het grachtenpand op de hoek van de Gelderschekade en de Rechtboomssloot. De gevel van het zeventiende-eeuwse huis helt angstig voorover. ‘Max vertelde dat hier vroeger grote zeilen werden opgeslagen, voor de scheepvaart. De top steekt bijna een meter naar voren, zodat er geen ruiten zouden sneuvelen bij het neerhalen’, meldt Schuhmachers assistente Anne-Marie Rutten, als ze me op de eerste verdieping aan de keukentafel installeert. Het wordt een gesprek over kleine, minieme details die soms de doorslag geven. Had ik op de ochtend van het interview niet nog een briefje van Schuhmacher op mijn deurmat gevonden, waarin de zinsnede ‘Ik ben nu eenmaal een precieseling’ voorkwam?

Terwijl ik het opnameapparaat in gebruik neem, pakt Wilma Schuhmacher met enige gretigheid het boek uit dat zojuist met de post kwam. Het is een eerste druk van Gorters Mei uit 1889, in de bordeauxrode band met bloemendecoratie. ‘Wacht eens even.’ Opeens liggen er twee exemplaren op tafel. Meteen ontwaart Schuhmacher een verschil in de belettering op beide banden. Zoiets maakt haar dag weer goed, al geeft ze schoorvoetend toe dat het eigenlijk een onverantwoorde aankoop is.

‘Ons tweede magazijn, een pakhuis aan de Brouwersgracht, bevat zeker 70.000 boeken. Tweemaal 120 meter. Ik zit dus niet bepaald om boeken verlegen. Kopen is onzin, maar we zijn nu eenmaal collectiemakers. Ik kan het niet hebben als een grote kavel Gerrit Kouwenaar onverkocht blijft, dus die heb ik een maand geleden op de veiling maar aangeschaft. Later dacht ik natuurlijk: ik moet daarmee ophouden, want mijn naam is niet Hansje Brinker. Ik kan in mijn eentje die tendens niet tegenhouden. Maar ik ben bang dat dingen wegraken. Als Elsschot klaar is, dan is het werk niet gedaan. Denk aan Multatuli’s pak van Sjaalman: een opsomming van wat we allemaal nog moeten. Deo Volente. Het enige wat je kunt doen is ergens beginnen. Het valt alleen altijd tegen. We zijn met veel, misschien wel te veel dingen tegelijk bezig geweest.’

Een omvangrijke voorraad kan je kracht en tegelijk je zwakte zijn. Als je het debuut van de bijna vergeten schrijver Johan de Meester zoekt, zul je slagen bij Schuhmacher. Vorig jaar hebben de kunstboeken en literaire paperbacks uit de jaren zestig die altijd voorin de winkel stonden, het veld moeten ruimen voor negentiende-eeuwse letteren. De opruiming ging matig, al kon de UB Leuven om niet worden verblijd met dertig dozen. Maar dan nog is de voorraad van antiquariaat Schuhmacher te groot voor twee personen. De zolders kraken onder de literaire tijdschriften.

Sinds oktober 2009 eindigen Schuhmachers Vlugschriften – maillijsten rondom een schrijver of thema – steevast met de mededeling: ‘Opvolger gezocht’. ‘Dat hebben Max en ik nooit gewild, maar ik vrees anders dat een deel van onze voorraad straks containerwaarts gaat, want geen veilinghuis kan ineens zo’n grote bulk verwerken. Peter Heringa, die twee perioden bij ons heeft gewerkt, is misschien de enige aan wie we de zaak ooit hadden willen overdragen. Hij heeft een goede catalogus W.F. Hermans gemaakt.’ Na een moment stilte: ‘Ik mis de samenwerking wel. Peter was heel exact, maar hij holde door. Hij kon niet ophouden.’

Rekenen en vergelijken

‘In 1963 kwam onze eerste Couperuscatalogus uit, die goed liep. De dominee heeft deze lijst als leidraad gebruikt.’ Schuhmacher doelt op ds. J.A. Eekhof wiens omvangrijke collectie Louis Couperus in 2006 voor 225.000 euro werd verkocht aan de Koninklijke Bibliotheek en het Letterkundig Museum. ‘Direct erna heb ik Max de stad in gejaagd: “Couperus kopen!”. De door de verkoop ontstane leemte moest meteen worden opgevuld, want een grote collectie Couperus wilden we permanent in huis hebben. Die boekbanden hebben mij altijd bekoord en geïnteresseerd. De hoeveelheid naslagwerken was natuurlijk beperkt. Internet bestond nog niet. Onze vriend Ernst Braches zou pas tien jaar later met zijn proefschrift komen. Braches kenden we overigens al van de Nieuwe Keizersgracht waar we tot 1956 waren gevestigd.’

‘Degelijke tekstedities bestonden in de jaren zestig nog niet. Ik ergerde me aan incomplete verzamelde werken. Die werden – als ik het kwaadaardig zeg – op een achternamiddag in elkaar getrapt. Van Pierre Kemp verscheen bijvoorbeeld in 1953 de door Adriaan Morriën samengestelde Een bloemlezing uit zijn kleine liederen. Nota bene Gerrit Borgers zei op een gegeven moment tegen me: “Dat is toch een verzameld werk?” Als iemand die verder zo precies is dát denkt, dan is er toch echt iets mis. Toen ben ik gewoon gaan rekenen en vergelijken: welke gedichten uit welke bundels komen terug in een verzameld werk.’ Schuhmacher vervolgt op ernstige toon: ‘Kijk, ik ben een lettervreter. Als ik vroeger niets te lezen had, ging ik desnoods het telefoonboek op de kop lezen. Of een oude krant die om de prei heen zat.’

In de voorkamer op de eerste verdieping hangt een indrukwekkende verzameling negentiende-eeuwse schilderijen waaronder een paar ‘Florissen’ (Arntzenius en Verster). De eigenaresse leidt me langs de kunst die voor een deel nog tegen een lage tafel staat geparkeerd. Over haar voorliefde voor schilderijen heeft iemand eens gezegd dat Schuhmacher off the road verzamelt: de minder populaire, niet voor de hand liggende onderwerpen. ‘Van Breitner heb ik een sneeuwlandschap, maar je moet natuurlijk zo’n gracht hebben. Dát wil iedereen hebben. Ik ben dus ontzettend tegen zo’n canon. Zo is het ook met literatuur: belangrijke boeken hebben niet altijd een publiek.’

‘Ik verzamel zelf onder anderen Jan van Nijlen. Ook een beetje uit boosheid, omdat die lange tijd niet werd verkocht. Later hebben we de complete bibliotheek van Van Nijlen kunnen kopen met al diens eigen Van Nijlens. Die heb ik toen naast mijn eigen Van Nijlens in de kast gezet. Bleken er allerlei variantomslagen te zijn op afwijkend formaat. Toen heb ik tegen Gerrit Borgers gezegd, die zelf de bibliografische kaarten voor het Letterkundig Museum verzorgde, dat je dus geen maten moet vermelden. Nooit denken dat je weet hoe een boek eruitziet, dus blijf exemplaren kopen en naast elkaar leggen. Dat is mijn leidraad gebleven. Wanneer het genoeg is? Ja, eigenlijk nooit.’

Beschrijven

De werkverdeling is genoegzaam bekend: Max deed de inkoop en de winkel en liep de veilingen af, terwijl Wilma de beschrijvingen maakte. Verder prijsde Max de gewone boeken en Wilma de bijzondere. Over een juiste prijs kan ze lang zitten dubben. Een vaste formule bestaat er niet voor. ‘Op een gegeven moment staat de wijzer stil.’ Aan ‘pingelaars’ heeft ze een hekel, omdat deze geen respect tonen voor de beredeneerde prijs. ‘Achter elk bedrag gaat een hoop kennis schuil.’

Een enkele keer ging Wilma Schuhmacher mee op inkoop, bijvoorbeeld toen A. Roland Holst wilde verkopen. ‘Holst was een vriend van vader, dus dat was anders. In zijn badkamer in Bergen stond een kast met een rubberen gordijn ervoor. Die boeken mochten we taxeren. Max en ik zaten op de rand van het bad boek voor boek te bekijken en te betasten. Max heeft later bij de verhuizing van de Nesdijk nog geholpen met inpakken, want de laatste vriendin van Holst had een hernia. Ik geloof dat Max zelfs de droogboeketten en asbakken in papier heeft verpakt! Ik kreeg van Holst drie boeken cadeau, waaronder een eerste druk van Mei, met een handgeschreven opdracht van Gorter en zijn vrouw Wies Cnoop Koopmans aan de moeder van Holst.’

‘Als ik bezig ben met een nieuw onderwerp, dan bedenk ik een beschrijvingssysteem. Als het niet werkt, stel ik het bij. Niet alle boeken kunnen op dezelfde manier, met dezelfde termen en in dezelfde volgorde worden beschreven. Dat stringente boekbeschrijvingsgedoe stuit me tegen de borst. Ik laat me toch niet in een korset duwen. Een deeltje in de bibliofiele reeks Palladium is in eerste instantie een Palladium. Die informatie hoort niet in de noot, maar in de kop van de beschrijving, na de auteur en de titel. We hebben het toch ook altijd over Zilverdistels en Ooievaars? Dat onderaan hangen van wezenlijke informatie bevalt me niet. Bloemrijke beschrijvingen zul je in onze catalogi niet vinden, evenmin als biografische toevoegingen. Dat kunnen mensen tegenwoordig prima opzoeken op internet via Wikipedia. Bovendien kent degene die het van je gaat kopen die achtergronden wel. Ik zou bijna zeggen: als hij die niet kent, dan mag hij het niet eens kopen.’

‘Zo zal ik ook nooit aanbevelingen doen in een beschrijving, ergens in een noot, zoals “zeldzaam” of “mooi”, want dat kan ik niet. Ik zal iemand anders citeren: Schepers of Van Dijk en dan een nummer of een citaat. Een etiket als “zeldzaam” is gevaarlijk: wat weten we eigenlijk? Wat het ene moment zeldzaam is, kan het andere moment gangbaar worden. Zo’n Naenia van Boutens is toch echt niet zeldzaam, ook al is de hele oplage maar twaalf. Marco Goud heeft alle exemplaren getraceerd! Naenia is dus niet zeldzaam, het is duur. Weet je wat zeldzaam is? De echte eerste Cheops van J.H. Leopold. Die uitgave kan niet voor zichzelf zorgen. Hij ziet eruit als een overdruk met een blind, vaalblauw omslagje. Hiernaast hangt een Floris Verster, niet gesigneerd. Dus dan kan het doek wel in alle naslagwerken staan, maar het zorgt niet voor zichzelf. Het roept namelijk niet: “Hier ben ik!” Dat is ook soms met boeken het geval. Het zijn in wezen schlemieltjes waar je voor moet zorgen.’

In dit verband betreurt Schuhmacher het feit dat er in de Nederlandse handel amper deskundigen werkzaam zijn. ‘Bij Bubb Kuyper moet iedereen zo’n beetje alles beschrijven, van paperbacks tot incunabelen. In de kunstwereld is dat wel anders, tot voor kort tenminste. De aardewerkexpert hebben ze er bij Christies uitgegooid, want dat segment bracht toch maar twee miljoen op per veiling. Ik kocht daar met plezier Wit Delfts. Er is nu geen enkele veilinghouder die serieus aandacht heeft voor aardewerk. Bij Van Stockum veilen ze wel antiek, maar er is geen aparte man of vrouw voor keramiek. Zo is het hier met boeken ook, terwijl er in Duitsland – neem Bassenge in Berlijn – per onderwerp experts zijn.’ Dankzij specialisten en deskundigen, meent Schuhmacher, komen boeken en prenten eerder op de goede plek terecht. ‘De expert bemiddelt naar de klant toe.’

Elsschot

De sinds 2006 aangekondigde Elsschotcatalogus wil Schuhmacher in oktober 2010 ten doop houden in de achttiende-eeuwse kerk De Duif, tegenover het Amstelveld. ‘Zakelijk gezien is het mallotig, maar ik hoop met deze publicatie een deur open te zetten. Ik ben in 2003 serieus met Elsschot begonnen. Van sommige drukken was het overduidelijk dat die in verschillende bindpartijen zijn uitgebracht. Een boek dat in 1941 in de etalage ligt, kan gedrukt zijn in 1932, een titelpagina uit 1938 hebben en een band uit 1941. Het heeft soms wel maanden geduurd eer ik erachter kwam hoe het zat. Natuurlijk moet je zo veel mogelijk exemplaren van een druk tot je beschikking hebben, die boeken moeten letterlijk aan je voeten liggen. Ik heb wel twintig Beenen en veertig Pensioenen. De band van de eerste druk van Pensioen stelde me voor een raadsel. Daar heeft deze catalogus jaren op gehangen. Het horizontale streepje tussen auteur en titel – zowel in lengte als in positie wisselend – gaf uiteindelijk de oplossing. Tevens bleken er verschillende omslagen te zijn. De aanvankelijk door uitgever Van Kampen op de voorflap gedrukte aanbeveling had Elsschot geërgerd, zodat deze op een later omslag werd ingewisseld voor een citaat van Van Vriesland. Zo heb ik zeker twaalf varianten binnen de eerste druk uit 1937 kunnen traceren. Het was bijna onmogelijk om deze variatie binnen een-en-dezelfde druk op chronologische volgorde te zetten, al kwam ik een heel eind door naar de datering van handgeschreven opdrachten te kijken en naar de reclame op het omslag voor andere uitgaven.’

Bij het puzzelen kreeg Schuhmacher hulp van boekhistoricus Ernst Braches die haar ‘enthousiaste gekraai’ zonder terughoudendheid aanhoorde. Tevens zegt ze veel te danken te hebben aan haar ‘sterren’: Cyriel Van Tilborgh, Walter Mees, Vic van de Reijt en Thijs Wierema, alle vier ‘uit het juiste hout gesneden’ Elsschotverzamelaars. Willem Elsschot in boek en band. Een eerste inventarisatie van de bandvarianten van al zijn werk in alle drukken tot 1957 zal waarschijnlijk de eerste antiquariaatscatalogus zijn waarin afzonderlijke titelbeschrijvingen in druk aan personen zijn opgedragen.

Ze kijkt nog eens naar de aanwinst voor haar, waarvan de rode rug is verbleekt. ‘Het hoeft allemaal niet zo mooi, als het maar authentiek is. Hangt het boekblok een beetje uit de originele band? Fijn, dan kan ik in ieder geval zien hoe het is gebonden. Er was hier laatst iemand die vroeg naar een mint copy van Bezette Stad van Van Ostaijen. Die had ik niet en die wil ik niet. Zo’n grandioos boek moet toch minimaal een keer zijn ingekeken.’

Over de staat van de winkel is ze niet bepaald tevreden. ‘Max wist altijd alles te vinden. Ik riep iets en hij legde het voor mijn neus neer. Mijn assistente Anne-Marie, die hier sinds een paar jaar weer in dienst is, zoekt zich het leplazarus. Er is een tijd niet goed beheerd. Boeken zijn niet opgeruimd, maar ergens neergelegd. Kwetsbare uitgaven van Jaap Meijer en de Renildis Handpers vond Anne-Marie in de achterste kelder.’

Contacten

Als je zo lang in het boekenvak werkzaam bent, maak je vanzelf vrienden die je interesses delen. Dat kunnen verzamelaars en wetenschappers zijn, maar ook schrijvers. ‘Koos Schuur, de dichter, mochten wij ontzettend graag. In 1969 kochten we voor het eerst van hem. Het probleem was dat we die zomer juist naar Ierland wilden, terwijl we nog midden in het berekenen van ons bod zaten. Koos kon de ruimte echter goed gebruiken en hij suggereerde toen dat we zijn boeken alvast op onze zolder konden zetten. Ongebruikelijk en onprettig vond ik dat. In theorie konden we dan oneerlijk zijn. Dat heb ik Koos toen gezegd, waarop hij ontplofte: “Als ik u vertrouw!” Die man deugde gewoon. En toen ik in 1991 de Laurens Jansz. Coster-prijs kreeg, stond daar midden op die markt in Haarlem ineens Koos, glimmend en blij. Op slag verdwenen mijn zenuwen. Ik voelde me gedragen. Ik heb hem in 1995 in een radio-uitzending herdacht. Dat was de enige keer dat ik de tijd kwijt was. Het was te moeilijk. We waren echt bevriend.’

Schuhmacher memoreert de warme band met de Antwerpse bibliofiel Henri Dirkx. ‘Men leze over hem in het nieuwe boek van Buijnsters. Dirkx had de mooiste Stendhalcollectie van de wereld, echt. Eerste drukken in fraaie banden, in fraaie staat. Hij verzamelde de literatuur die hij mooi vond in zo goed mogelijke exemplaren. Daarvoor reed hij in zijn Mercedes net zo lang langs Parijse antiquariaten tot hij vond wat hij zocht.’ Er ontstond een hechte, stimulerende vriendschap tussen de Schuhmachers en Dirkx, al bleven ze elkaar vousvoyeren.

Met de uitgever en bibliofiel Johan B.W. Polak was het contact anders. ‘Hij kocht gewoon dure boeken. Het beroemde perkamenten luxe-exemplaar van Elsschots Villa des Roses – waar je langzamerhand een kind van krijgt – met een opdracht aan mejuffrouw Anna van der Tak was zijn trotse bezit. Later kocht hij echter nog zo’n luxe-exemplaar bij Kok. Maar Johan hield helemaal niet van Elsschot! Hij hield vooral van dure boeken. Uit de veilingcatalogus van zijn collectie blijkt dat hij verder alleen Elsschots Verzameld werk bezat. Kijk, zijn liefde voor Boutens en Leopold was echt. Maar in zijn verzamelen zat ook een element van patserigheid. Door familiekapitaal was Johan al miljonair op zijn achttiende, wat niet echt gezond is. Er is later een ruzie geweest tussen ons, omdat we via-via hoorden dat Polak fabeltjes over ons vertelde. Wij zouden de boeken duurder maken als hij in de buurt was. Dat is met het verschijnen van onze Boutens-Leopoldcatalogus in 1984 weer goedgekomen. Die vond hij geweldig.’

Oude en nieuwe plannen

Desgevraagd kan Schuhmacher niets zinnigs zeggen over de invloed van de economische crisis op de handel in boeken. ‘We zijn nog bezig met een soort herstructurering. Ik moet ook nog beslissen wat ik nu ga doen. Max is pas drie jaar dood. Sommigen, ook collega-handelaren, zeggen me dat het geen zin heeft nu een catalogus uit te brengen, terwijl ik er in wezen toch een aantal klaar heb staan. Het zou niet verkopen, het zouden slechte tijden zijn. Tja, ik moet nog maar zien wanneer de goede tijden komen.’

In de achterkamer liggen de gespreksonderwerpen voor het oprapen. Onbekende edities van Rhijnvis Feith, emblemata amatoria, Jacob Cats, etnografica uit de Congo, foto’s van het huis in Ierland waar Schuhmacher sinds 1970 elke zomer doorbrengt. Ze wijst naar de boekenplanken van Max. ‘Het staat er allemaal nog. Dat ik hem mis is een understatement. Ik ben een halve.’ Desalniettemin denkt ze na over de toekomst. Met Paul Dijstelberge, universitair docent en conservator van de UB Amsterdam, smeedt ze plannen voor een reeks colleges bij Boekwetenschap. Schuhmacher hoopt dat het praktisch haalbaar is, maar realiseert zich dat sommige plannen altijd plannen blijven. ‘Ik was heel graag dokter geworden, misschien ook een beste, omdat ik goed kan kijken. Liefst in India, omdat je “rendement” dan het grootst is. Daar hebben de mensen medische hulp harder nodig dan in ons eigen land.’

Een ander goed voornemen is het maken van een overzicht van door Jan van Krimpen typografisch verzorgde uitgaven. Schuhmacher kan het niet verkroppen dat er van andere twintigste-eeuwse vormgevers als A.A.M. Stols en Charles Nypels wel bibliografieën bestaan, maar van de letterontwerper Van Krimpen (‘de grootste, ook internationaal’) niet. ‘Omdat anderen blijkbaar geen tijd of zin hebben, doe ik het zelf maar. Ik ben weer aan het sparen. Ik zoek in de breedte, waardoor je ook heel zeldzame titels tegenkomt.’ Ze maakt de vergelijking met de magnolia’s in het Ierse arboretum van de Schuhmachers. ‘Je moet graven. Gewoon graven. Dan vind je vanzelf wat.’ Of dit project de grootte en diepte van de Elsschotcatalogus krijgt, kan ze nog niet zeggen. Desnoods wordt het een lijst die anderen kunnen uitbreiden. ‘Met Van Krimpen heb ik dat precieze gemeen, dat neurotische eigenlijk. Ach, en of dat nu allemaal nog lukt… Het plezier telt ook. Het genoegen van pakketten en pakjes boeken die binnenkomen en waarvan je nooit weet wat er precies in zit. Dat weet je pas als je het ziet.’

Dit interview met Wilma Schuhmacher verscheen in De Boekenwereld, jrg. 26, afl. 5 (juli 2010).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s