Knap

In Offeren aan Mercurius en Minerva (1995), een boek met interviews en mémoires ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren, vertelt Max Schuhmacher dat zijn zus en hij het eigenlijk al jaren fout doen: hun catalogi zijn te goed. Schuhmacher geeft zijn jonge collega’s in het interview wijze raad:

Als wij een Achterberg-catalogus maken, wordt dat een verzamelobject voor de mensen en een reden om hun brandverzekering te verhogen. Maar het is niet stimulerend voor de mensen: wij laten te weinig ruimte voor de particulier. De particulier wil zélf zijn vondsten doen, zélf de illusie hebben van “wat ben ik knap”.

O, wat ben ik knap. Ik weet nog goed wanneer die gedachte zich voor het laatst in mijn hoofd nestelde. November 2012: ik zat in de trein de afdeling ‘Dutch literature’ van een veilingcatalogus uit te spellen. Onder ‘Minco, M.’ werden handgeschreven gedichten van Marga Minco en Nico Scheepmaker in een of andere jubileumuitgave beschreven. Ik had mijn lectuur al bijna voortgezet bij het volgende kavel, toen ik zag dat er aan matte Marga en nietige Nico een dichtbundel van ‘Harmsen van Beek, F. ten’ was toegevoegd: de debuutbundel Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten (1965). Het exemplaar had een paginagrote parel van een opdracht. Kippevel. Het kavelnummer 2398 graveerde ik meteen in mijn geheugen.

Met de nonchalance en beroepsmatige desinteresse van een oude antiquaar nam ik op de kijkdag het kavel onder de loep. Magere Minco en Saaie Scheepmaker sloeg ik over, de opdracht in Geachte Muizenpoot keurde ik goed, mij restte enkel ‘2 others by the same, both with autograph dedication signed “Fritzi”‘. Deze opdrachtexemplaren waren al even fraai. Op de Franse titel van Neerbraak (1969) stond in dat karakteristieke handschrift: ‘van/ Fritzi voor Coen en Greetje/ in de hoop op en met de/ quasi belofte van/ betere, mooiere, aan-/ sprekende verhalen/ van mij/ met liefs, liefs’. In Kus of ik schrijf (1975) had de dichteres op pagina 4 gepend: ‘Voor Coen en Greetje/ met al liefs van Fritzi/ (een opdracht, vlak onder de/ titel, leek me te absurd/ 29.1.76’.

Het zong rond in mijn hoofd. Knap, ik. Knap, ik. Niemand zou voor Fritzi bij Marga zoeken of kijken. Ik was een particulier geworden die zélf zijn vondsten deed. De richtprijs van het kavel was schrikbarend laag: 60-80 euro. Ik gaf het veilinghuis mijn bieding door met een maximum van 250 euro. Just to make sure.

Thuis zocht ik uit wie de met Fritzi bevriende ‘Coen’ geweest kon zijn. Ik had die drie bundels bij wijze van spreken al op de plank staan. Het moest wel de bankier en kinderboekenverzamelaar Coen van Veen zijn, de mecenas van vele kunstenaars. In 1971 kocht hij voor 8000 gulden het arbeidershuisje in Garnwerd waar Fritzi tot haar dood zou wonen.

Kavel 2398 werd een mislukking en een teleurstelling. Ik was onderbieder. Een andere knappe kop ging voor 275 euro met al dit moois aan de haal. Sinds die donkere dag in november heb ik geen opdrachtexemplaar van Fritzi gezien.

5 gedachtes over “Knap

  1. Ik heb dat altijd zo’n typische extreem arrogante Schuhmacher-opmerking gevonden, overigens. Wat denken ze wel niet? Dat zíj alles weten en de anderen per definitie niet?

    • Eerste drukken niet, nee, maar een leuke opdracht is nog altijd (vele) tientjes waard. Waard is een rottig begrip. Ik heb op de afgelopen Amsterdam Book Fair twee dagen een opdrachtexemplaar van Achterberg in de gaten gehouden. Men vroeg – heel beschaafd – 85 euro, maar het raakte niet verkocht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s