Ik blijf voortaan op aarde en thuis

Het is een verschrikkelijk cliché, en daarom hoor je het zo vaak, maar het belang van een goede leraar Nederlands is niet te overschatten. Zonder de aansprekende lessen van Simen Veltman was ik na mijn middelbare school in een schoenenwinkel gaan werken. Toen Nescio nog Grönloh heette en op de driejarige HBS in Amsterdam zat, stond de spellinghervormer R.A. Kollewijn voor de klas. Kollewijn was een groot voorstander van de vereenvoudigde spelling: schrijf zoals je spreekt, kort samengevat, dus ‘dageliks’ en ‘komt-ie’. Maurits Verhoeff vindt in zijn voortreffelijke studie geen oorzakelijk verband tussen Kollewijns ‘heeft-ie’ en het veelvuldige ‘had-i’ in ‘De uitvreter’ en ‘Titaantjes’. Maar het kan haast niet anders of de schrijver Nescio moet geboren zijn tijdens een les Nederlands.

Met mathematische precisie beschrijft Verhoeff aan de hand van Nescio’s publicaties diens ontwikkeling van de schrijfwijze van enclisevormen. Ter Braak, vol lof over ‘De uitvreter’, vond het werk van Nescio allesbehalve gedateerd, ‘ondanks de “hatti’s” en “datti’s”’. Onderbouwd met schema’s toont Verhoeff aan dat Nescio weinig consequent was in zijn keuze van ‘had i’ en ‘dattie’. De vrouw van de schrijver, die teksten definitief maakte door ze in net over te schrijven, had andere voorkeuren en was een stuk rechtlijniger.

Dit taalkundige artikel, berstensvol editietechniek, is eigenlijk een buitenbeentje in Verlangen zonder te weten waarnaar. De andere zestien artikelen zijn, hoewel wisselend van lengte, louter biografisch: Nescio’s omgang met zijn uitgevers, de lotgevallen van zijn pseudoniem waarbij aanvankelijk de verkeerde werd ontmaskerd, zijn liefde voor de natuur die hem noopte tot boze brieven. Volledige verhalen, voorzien van soms verrassende voetnoten. Dit boek komt heel dicht bij een echte biografie. Des te ergerlijker dat de erven Grönloh, die Verhoeff geen medewerking verleenden, de archieven vooralsnog potdicht houden. Iemand die zo overduidelijk van Nescio’s werk houdt, er dagelijks mee leeft, zou ik carte blanche geven.

J.H.F. Grönloh werkte van 1904 tot 1937 bij de Holland-Bombay Trading Company, begonnen als schrijfmachinist en vertrokken als departementchef. Wat deed hij tijdens kantooruren? Opgedoken telegrammen, brieven aan de accountant en een jubileumboek vertellen het verhaal bijna zelf. Heel interessant is het hoofdstuk met ‘stemmen uit de tweede rang’: de briefwisseling tussen hoogleraar Nico Donkersloot, alias de dichter Anthonie Donker, en de literair angehauchte bibliothecaresse Waldie van Eck. Beiden doen een boekje open over hun gemeenschappelijke vriend:

Grappig, die ontmoetingen met Grönloh. Ja, wat een wonderlijke lichte oogen heeft hij. Hij is al jaren zenuwpatient omdat hij te lang in een maatschappelijk gareel heeft gezeten, met zijn baan, waar hij eigenlijk niet in past.

Overigens volgen dan nog veertien paragrafen met beknopte weergaven van Nescio’s eigen correspondenties. De zoon van een oude vriend schrijft hij – trots? – op 29 januari 1952:

Af en toe ontmoet ik eens iemand die Nescio heeft gelezen.

Wie Nescio heeft gelezen, moet dit boek ook beslist lezen. Leraren Nederlands kunnen hun grijsgedraaide verhalen over Frederik van Eeden en diens idealistische kolonie Walden nu verruilen voor de bewogen geschiedenis van de kolonie Tames, waarmee een nerveuze Grönloh, temidden van andere wereldverbeteraars, in 1901 een nieuwe start wilde maken. Voor het weekblad van binnenlandse kolonisatie De Pionier deed Grönloh de administratie. Wanneer Van Eedens Walden aan machtsstrijd en financieel wanbeleid ten onder dreigt te gaan wordt ook de sfeer bij het clubblaadje grimmiger. Grönloh schrijft een vlammend artikel, waarmee hij De Pionier weer op het oude peil wil brengen, maar eigenlijk heeft hij er zijn buik al van vol. Dan volgt het mooiste van alle mooie Nescio-citaten die Verlangen zonder te weten waarnaar rijk is:

Ik vind ’t welletjes. Ik ben ’t nu meer dan zat. Ik had eerst gedacht maar heelemaal geen afscheid te nemen. Ik ben de eerste de beste levensmoede GGB’er niet. Ik ben geen filosoof, ik weet ’t niet beter dan ieder ander. […] Ik ben nog niet zoo’n stomme vent, ik zie de boel nog wel zoo’n beetje. Maar ik voel me te klein, de hemel is me te hoog en de wegen zijn me te lang. Ik blijf voortaan op aarde en thuis. En ik kan niet langer kwitanties innen van negen en elf stuivers voor een krant die er net zoo goed niet wezen kan.

Deze bespreking van Maurits Verhoeff, Verlangen zonder te weten waarnaar. Over Nescio (2011) verscheen eerder op Tzum.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s