De hutkoffer van Fritzi

In het mooie stuk dat Woest en Ledig plaatste over de kluizenares-dichteres Fritzi Harmsen van Beek stond het volgende:

‘na Kus of ik Schrijf (1975) kwam er niets meer uit haar handen, hoezeer er ook aan werd getrokken. Los van een paar interviews zijn de laatste jaren vooral anderen over haar aan het woord geweest’.

Dat is niet helemaal waar. In een interview met Cantecleer in 2003 beantwoordde Fritzi-promovenda Annie van den Oever de vraag of de dichteres óóít nog iets zal publiceren alsvolgt:

‘Ja, dat hoop ik wel. Dat denk ik ook wel. Maar om eerlijk te zijn: voor de zekerheid heb ik hier en daar een gedichtje opgenomen in mijn boek dat eerder nog niet in boekvorm verschenen was, of op zo’n plaats, dat geen hond ‘m ooit vindt. Heb je deze gelezen, een haiku-achtig gedicht dat zij schreef in 1992, toen “iedereen” al zeker wist dat zij niet meer schreef? Het gedichtje gaat zo:

reiziger, indien
u ooit een krekel hoort die
help roept: dat ben ik

En toen de verslaggever vroeg of Harmsen van Beek op haar proefschrift had gereageerd:

‘Ja, dat heeft ze. Daar keek ik overigens welhaast van op. Zij is namelijk niet het soort auteur dat graag veel en langdurig over zichzelf leest of over de schouder van een onderzoeker meeleest en invloed wil uitoefenen op wat die schrijft. Zij is überhaupt niet iemand die mee pleegt te lezen en denken met haar lezers en critici. Zij is eerder een tegen-denker, iemand die met vragen komt. Ze is onafhankelijk, voor alles. Dus wat zij voorstelde is: dat we het eens gaan hebben over bijvoorbeeld een aantal schrijvers die ik met haar in verband breng, onder wie de door haar zeer bewonderde Henri Michaux, en nog een hele rij anderen. Ze had allerlei terzijdes en aanvullingen en vragen: dat is aardig voor mij. We gaan kijken hoe de manier waarop ik haar heb gelezen zich verhoudt tot de manier waarop zij zichzelf heeft gelezen of leest, voorzover zij dit (nog) doet – zoals ze zelf er meteen bij zei. Ik vind het een aardige uitdaging: om in die cirkel te treden van een schrijver die naar zichzelf kijkt.’

Zelf vond ik in Hans van der Kroef: gezien door de ogen van (1991), dat zeventien kleine hommages bevat aan de kunstschilder Van der Kroef, een gedicht getiteld ‘WinterHuwelijk’. Het is niet elders gepubliceerd en staat ook niet in de zo goed als uitputtende bibliografie achterin het proefschrift.

Van den Oever vertrouwde het dagblad Trouw later toe ‘dat er ergens ook wel een grote hutkoffer staat met van alles erin’ bij Harmsen van Beek thuis. We blijven duimen.

(Foto: Remco Campert, Fritzi Harmsen van Beek en Giny Oedekerk.)
(Met dank aan drs. D. Veltman voor de toestemming in zijn interview te knippen.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s