Snippers op de rivier

Op 12 maart 1939 schrijft A. Marja in een brief aan een Amsterdamse vriend dat hij aan een jeugdroman werkt, met als titel ‘Willy ter Veer vindt zichzelf’. In maart 1941, precies twee jaar later dus, duikt het boek weer op, en wel in het literaire tijdschrift Criterium. Onder de gelegenheidstitel ‘Het derde gebod’ drukt de redactie het vierde hoofdstuk af van de roman die inmiddels Snippers op de rivier heet.

De eerste druk van Snippers op de rivier verschijnt in april 1941 bij de Amsterdamse uitgeverij Meulenhoff. De uitgever verstrekt tegelijkertijd een folder aan de boekhandel, waarin dit ‘opmerkelijk romandebuut’ wordt gepresenteerd als één van de eerste ‘jongerenromans van beteekenis’. Op dit velletje staan natuurlijk alleen maar lovende woorden: ‘frisch geschreven en vooral de “ontknooping” vind ik gezond en boeiend’ schrijft de één, ‘een jong boek, verrassend-zuiver van toon’ vindt de ander.

De kranten zijn ook enthousiast. De criticus W.L.M.E. van Leeuwen noemt het in zijn recensie ‘een der beste romans van deze generatie’, waarin de schrijver een beeld geeft van ‘de nieuwe mens, die het schijn-schone en wild-interessante verleden in snippers scheurt en kiest voor een leven, eerlijk, ernstig, sober en rein: gewóón, maar vooral niet banaal’. De Haagse krant Het vaderland vindt het voer voor pedagogen: ‘Wie van jeugd houdt, moet dit boek lezen, omdat men hier ook veel uit kan leeren’. N.R.C. is korter en bestempelt het als ‘een gaaf werkje’. Alleen het katholieke Lectuur-Repertorium, dat lezers adviseert welke boeken wel en welke vooral niet te lezen, ziet niks in Snippers op de rivier: ‘een roman over de flirts en erotische ambities van een puber, waarin heel wat verdwazend gedaas en weinig lezenswaardige ideeën te vinden zijn’.

G.H. ’s-Gravesande is de eerste die de roman een autobiografische duiding geeft en schrijft dat Marja in Snippers op de rivier ‘zijn eigen puberteitsjaren beschreven’ heeft. Het is waar dat sommige gebeurtenissen, situaties en plaatsen in het boek uit het leven zijn gegrepen. Ik geef vanwege de tijd maar vier voorbeelden – de rest leest u wel in mijn nawoord.

Willy ter Veer, de hoofdpersoon van deze roman, praat liever niet over de dood van zijn strenggelovige moeder, want dat ligt nog te vers in het geheugen. Op A. Marja, de schrijver, heeft de vroege dood van zijn godsdienstige moeder ook een onuitwisbare indruk achtergelaten: Marja zou zijn moeder en haar pijnlijke ziekbed dan ook in verscheidene gedichten ter sprake brengen.

En ook in de bijfiguren van deze roman herkennen we makkelijk bestaande personen uit het leven van Marja, van de gevreesde leraar wiskunde tot Willy’s klasgenoot Volkerts, die natuurlijk gemodelleerd is naar Jan E. Folkerts, met wie Marja de redactie voerde over het literaire blaadje Pomp. Als Willy kennismaakt met de nieuwe vijfde klas, is er in het lokaal alleen plaats naast ‘de artist’ Henk van Meerel. De twee verlegen jongens vinden elkaar al gauw in hun artistieke aspiraties. Marja schetst een fraai portret van deze kunstzinnige scholier, die al over een zelfgetimmerd atelier beschikt: ‘Hij ziet er ook als een artist uit, […] tenminste als je een oude plus fours, die tot op de grond hangt, een roodfluwelen das, en een pruik haar, eens in de twee maanden bijgewerkt, artistiek wilt noemen’. De jonge schilder is ook de enige bij wie Willy ter Veer zijn verhaal kwijt kan.

Voor het kunstzinnige personage Henk van Meerel stond Evert Musch model, de schilder en docent aan de Academie Minerva. Het was Musch die in 1939 het bekende portret van de jonge dichter A. Marja maakte, een krijt tekening die in verschillende bloemlezingen en kranten werd afgedrukt. Het was dit magisch-realistische portret dat W.F. Hermans in 1946 nog het meest deed denken aan ‘een wassen pop die te dicht bij de kachel heeft gestaan’. De eerste druk van Snippers op de rivier is opgedragen aan Evert Musch: goed geïnformeerde lezers konden anno 1941 ook al bedenken dat Marja van een ‘mus’ een ‘merel’ had gemaakt. Waarom deze eervolle opdracht vanaf de tweede druk kwam te vervallen, is niet bekend. Ik heb het Musch twee jaar geleden per brief gevraagd, maar ik heb nooit antwoord gekregen. Niet veel later was hij dood.

Het verhaal van Willy ter Veer speelt zich duidelijk af in de stad Groningen, al wordt de plaatsnaam maar vijfmaal expliciet genoemd. Als Willy een markt oversteekt en vanuit een ooghoek Emmy Wils een boekhandel ziet binnengaan, zal menig Groninger hebben gedacht aan boekhandel Scholtens aan de Grote Markt of Noording aan de Vismarkt. Het ‘kleine stadje’ waar Ter Veer woont, is onmiskenbaar Winschoten.

Maar de vergelijking van feiten en fictie gaat niet helemaal op. Waar Willy ter Veer op de laatste pagina’s van dit boek zijn gedichten boven de rivier versnippert, besloot A. Marja de rest van zijn leven aan de letteren te wijden. Hij zou van 1937 tot 1963 een paar honderd gedichten publiceren, verspreid over niet minder dan twintig bundels. En, hoewel vaak anders wordt beweerd moet de relatie die de jongen met zijn vader had in het echt stukken beter zijn geweest dan in de roman. Dit aspect verdient eigenlijk nadere bestudering: de briefwisseling tussen vader en zoon Mooij kan nieuw licht op deze kwestie werpen.

A. Marja zou in zijn latere werk een enkele keer terugkomen op zijn eerste en tevens laatste roman. In het oorlogsdagboek Zeepbellen in de orkaan moest hij toegeven dat zijn debuut niet bepaald uitmuntte door ‘een sociaal verantwoorde inslag’, maar dat erin ‘wordt afgerekend met een pseudo-dichterlijkheid als levenshouding’. In Buiten het boekje zou hij het terloops een ‘jeugdzonde’ noemen, maar ook weemoedig ‘mijn eerste (en tot op dit ogenblik helaas enige) roman’. Uit een stampvolle doos in het Letterkundig Museum in Den Haag viste ik twee weken geleden nog een ongepubliceerde, interessante tekst van Marja over deze roman. Deze onthulling vindt u trouwens niet in mijn nawoord. Toen ik de ontdekking deed, lag dit boek al bij de drukker. Ik citeer Marja:

‘Ik ben nog altijd de kritikus erkentelijk, die over Snippers op de rivier schreef, dat het niet de weg bewandelde van een “gewonen jongen” naar het “interessante leven van bohémien, artiste, uitlever” of iets dergelijks maar juist de weg van een “anders” zijnde jongen, die de “gewoonheid” nastreeft, welke “het bijzonderste en het moeilijkste is”. Wat deze kritikus verder beweerde mocht mijn ijdelheid strelen of aantasten – juist in wat ik hier citeer formuleerde hij waarom mijn “jeugdzonde” mij na aan het hart ligt, ook al overschat ik haar heus niet en betreur ik de “Ot en Sienstijl” […] die ik blijkbaar uit het Jong Protestantse kamp meebracht. Ik schreef Snippers toen ik twintig was, geen uitgever wilde eraan en ik liet het in mijn kast liggen totdat het uitbreken van de oorlog in Mei [19]40 mij werkloos maakte en ik het nog eens probeerde, ditmaal met succes.’

In hetzelfde Letterkundig Museum ligt de basis van deze heruitgave. In april van dit jaar heb ik daar kennisgemaakt met Tilly en Dolf Mooij, de jongste zoon van A. Marja. Zij kwamen helemaal uit Zierikzee, ik uit Groningen. We hebben daar, met z’n drieën aan een tafeltje in de studiezaal, een hele middag dozen overhoop gehaald. Een bijzonder moment: die dozen waren al heel wat jaartjes niet geopend en stonden te verstoffen in de diepe kelders van het LM. Bovendien was het de eerste keer dat ik in de papieren nalatenschap van die gekke, maar door mij nog altijd bewonderde schrijver mocht neuzen. Het spreekt vanzelf dat het allereerste exemplaar van Snippers op de rivier bestemd is voor Dolf Mooij.

(Applaus.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s