Tastende Handen

Zijn vader was assuradeur. Veel meer is niet bekend over Berend Buntjer.

In het ‘maandblad voor de ontwikkeling van het culturele leven onder de jongeren in Noord- en Oostelijk Nederland (Groningen, Drente, Overijsel en Gelderland)’, kortweg Erica, stond Ab Visser (1913-1982) stil bij zijn vroege dood in een roerend herdenkingsartikel getiteld ‘Dien de goden liefhebben…. (In Memoriam Berend Buntjer)’. Na het lezen van een klein bundeltje verzen van Bé Buntjer ging er bij Visser een lichtje branden.

‘En plotseling herinner ik mij dat reeds vergeten onderhoud van enkele jaren terug. Een jongeman van misschien achttien jaren liet mij zijn verzen lezen. Hij was lang en slank en ik liet hem tegenover mij plaats nemen. […] Wij spraken veel over dichters en gedichten, dat wil zeggen, ik sprak meest en hij luisterde met die heerlijke, hongerige aandacht van een jongen die pas begonnen is te schrijven. […] Na ons gesprek zag ik hem heengaan, lang en slank en blond. Hij bezat het zelfvertrouwen van den jongen dichter, waarom hij mij sympathiek was.’

Door Vissers monologen aangemoedigd moet Berend Buntjer zich thuis aan zijn bureau hebben gezet met een stapel lege vellen voor zich. Schrijven, schrijven. Maar op 11 januari 1946 overleed hij plotseling, slechts 21 jaar oud.

Ab Visser drukte bij zijn In Memoriam in Erica Buntjers rondeel ‘Och, alles zal wel eeuwig duren….’ af. Volgens een voetnoot komt het uit de postume bundel Tastende Handen (1946), gedrukt voor familie en vrienden, dus ‘niet in den handel’. Ruim vijftig jaar later is het wèl in de handel: een Utrechts antiquariaat heeft een exemplaar in huis. Het staat onder boeknummer 7777 in hun systeem. Ik bestel meteen.

Het blijkt het exemplaar van Ab Visser te zijn. In een begeleidende brief, op het omslag geplakt, schrijft ene J.R. Dijkema dat een buurjongen en hij, na Buntjers dood, zijn gedichten bij elkaar hebben gezocht en laten drukken. ‘Niet omdat wij meenden dat ze “goed” waren, maar eenvoudig hierom, dat de meeste zo eerlijk zijn en een goed beeld geven hoe hij was.’

Hij was levensmoe, als ik de tien titelloze gedichten uit deze bundel goed begrijp. Over een enkel vers kun je nog zeggen dat het niet meer dan een überromantische poging tot rijmen is (‘Een donker dreigen legt zich om ons hart. / Reeds kleurt de kruinenzee de hemel zwart.’), maar de overige gedichten zijn doordrenkt van een zwaarmoedigheid, waar Bloem jaloers op zou zijn geweest. Van de donkre herfstnachten, grijzig-grauwe dampen, lege kimmen en verrezen nevels krijg ik kippenvel.

Het gekke is dat Buntjer in zijn onrijpe poëzie op zijn vroege dood lijkt te zinspelen. ‘Het paradijs, waarnaar zo velen reiken.’ Als hij niet doelloos voor het raam staat te turen, weent hij wel weemoedig van de harde werklijkheid. Zijn jonge hart is reeds kloppensmoe. Hij wil hier weg. Berend Buntjer: de Hans Lodeizen van Groningen, de Alex Gutteling van het Hoge Noorden!

Ab Visser: ‘Wij weten niet, waarom zovele jonge talentvolle en soms geniale dichters zo jong moesten sterven. De literatuurgeschiedenis kent er vele, te veel dan dat ik namen zou willen of behoeven te noemen.’

In zijn sterfjaar 1946 verscheen, onder redactie van Barend de Goede, de bloemlezing Kort Dag. Keur uit de poëzie van jonggestorven dichters sinds 1880. Geen gedicht van Berend Buntjer, want toen dit boek werd gemaakt leefde hij nog. In dat opzicht kwam zijn vroege dood voor Buntjer te laat. Ook in de recent verschenen literatuurgeschiedenis Arcadia der Poëten, Het literaire leven in Groningen 1945-2005 komt zijn naam niet voor.

Een gedachte over “Tastende Handen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s