IJzeren vlinders

‘Deze titel lijkt zonderling, maar hoort bij het clowneske boek. Luchtig en verstard, als dansend marionetten, zijn deze verhaaltjes – kleine levensflitsen door een koelbloedig man geregistreerd. Ware het gebied waarover de blik van dezen jongen man heenstrijkt, grooter, zijn talent rijper, dan zouden deze korte, dan zouden deze korte, priemende schetsen iets bijzonders beteekenen in onze litteratuur. Maar nu zijn ze nog wat te jeugdig-cynisch en ietwat eentoning.’ (Uit: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, jaargang 38, nummer 76 (juli-december 1928))

‘Dertien grauw-grijs vervelende verhaaltjes, moeizaam opgebouwd uit onbelangrijkheden. […] Deze verhaaltjes van u, b.v., zijn niet goed, zijn onbenullig en vervelend. En ik kan me niet eens troosten met de hoop, dat u nog wel eens wat schrijven zult, dat wèl goed, niet onbenullig en niet vervelend is. U moet voortaan maar in ’t geheel niet meer schrijven, het heeft geen doel.’ (Uit: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 30 januari 1928)

‘IJzeren vlinders zijn óndingen, namaaksels die niet vliegen kunnen, en het is mij een raadsel waarom een schrijver een bundel heel korte niemendal schetsjes van 2 à 3 bladzijden zóó kan betitelen, tenzij hij er bij heeft gedacht: wat is daar uitgeef is óók namaak, dat nog geen vlucht kan nemen. Deze schetsjes, luchtig vlot, bijna onverschillig je m’en fiche-achtig van toon en van stijl (zoo hier van stijl sprake zijn kan) zijn van zulk een jeugdig onrijpe onbenulligheid, dat men zich afvraagt hoe het mogelijk is geweest, dat voor alles te zamen nog een uitgever was te vinden.’ (Uit: Het Vaderland, 30 maart 1928)

Deze vernietigende woorden aan het adres van Rein Blijstra (1901-1975) bewijzen maar weer dat je nooit blind moet varen op recensies. Zijn debuut IJzeren vlinders, verschenen rond de jaarwisseling 1927-1928 bij W.N. Dinger, is namelijk best een leuk boekje. Gisteren wees ik op één van de dertien ultrakorte, rechtlijnige verhalen, getiteld ‘Noodlot’. Het liep slecht af.

In een ander verhaal, ‘De steen des aanstoots’, wil een mijningenieur, die zijn angsten voor vallende brokstukken vrolijk wegwuift, zichzelf er nog eens van overtuigen hoe veilig het in de mijnen is. De binnenwereld is toch echt veiliger dan de buitenwereld: ‘Wanneer hij nu aanstonds boven kwam en in een trein ging zitten… deraillement, schipbreuk, duizenden gevaren wachtten hem daarboven.’ In de laatste regels van dit verhaal wordt natuurlijk het levenloze lichaam van de ingenieur door arbeiders naar boven gebracht.

Carmiggelt met een vleugje Belcampo, zo je wilt.

Een recensent vroeg zich af welke uitgever zo idioot was geweest om IJzeren vlinders te drukken. Het was de Bussumse W.N. Dinger (‘Parklaan 27’) die het aandurfde, dankzij een financiële boost van E. du Perron. Die was weer bevriend met de jonge schilder A.C. Willink, zodat de uitgave versierd kon worden met een surrealistische tekening als frontispice.

Een gedachte over “IJzeren vlinders

  1. Beste,Niet gedacht ooit nog informatie over dit boekje te vinden, wat zijn we toch gezegend met internet. Aardig om bij het stuk te vermelden is dat er maar een kleine oplage van 200ex. van dit debuut is verschenen reden te meer hoe een boek dat in de vergetelheid is geraakt, in de vergetelheid is gebleven.mvg,Roeland Gordijn

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s