Onbekende kiek van Willem de Mérode

Bij een antiquariaat kocht ik een beschadigd exemplaar van de dichtbundel De donkere bloei (1926) van Willem de Mérode (1887-1939). Uit het ex libris op het schutblad blijkt dat de vorige eigenaar de dichter Martien Beversluis (1894-1966) was. Boven het pompeuze ex libris schreef hij: ‘V.D.Schr./ Martien Beversluis/ 10 October 1926’. Links ervan plakte Beversluis een foto in.

Beversluis was vanaf ongeveer 1918 bevriend met De Mérode. Het zou dus goed kunnen dat De Mérode het boekje op 10 oktober aan zijn vriend cadeau deed. Zeker weten kan ik het niet: de omvangrijke briefwisseling tussen de dichters moet als verloren worden beschouwd. Dit bundeltje is het laatste bewijs van hun vriendschap.

De dichter Willem de Mérode was niet dol op fotografie. Het laten maken van foto’s vond hij een crime. Aan zijn jeugdvriend Reind Kuitert schreef hij op 2 oktober 1910:

‘Voor ’t zijraam moest ik de gordijnen wegnemen, omdat er anders geen licht genoeg was. En tot overmaat van smart mag ik wel zeggen, kom ik er nog met ’n bezweet gezicht als ’n uilskuiken op.’

Het portret dat het frontispice van Kwattrijnen (1923) sierde, vond de dichter ‘heel lelijk’.

Terugblikkend schreef De Mérode op 17 oktober 1936 over een vroeg fotoportret als beginnend dichter op een bankje gezeten:

‘Die beroerde bankkiek […] is de stijfheid in ’t kwadraat. […] Wàt een idiote tijd, dat je ‘als dichter zijnde’ ’t liefst met een boek moest gekiekt.’

De ingeplakte foto in mijn exemplaar is een origineel fotoportret van De Mérode, dat tot op heden nergens is afgedrukt, noch in Hans Werkmans biografie De wereld van Willem de Mérode (1983) noch in het Schrijversprentenboek (1973). Na het voorzichtig loshalen van de foto ontdek ik achterop een notitie in potlood (‘van den dichter/ W De Mérode/ eind sept 1921’) en de vage afdruk van een stempel (‘[….]straat/ [F]oto [..]teliers/ [Gr]oningen’). Over deze foto heeft De Mérode, die in 1921 in Uithuizermeeden woonde, nooit iets losgelaten. Maar we zien hem, enkele seconden voor de klik, ongemakkelijk wiebelen op zijn stoel. We horen hem binnensmonds mompelen over dat boek op die tafel.

Het gedicht waarmee De donkere bloei opent, ‘Te vroeg bloeiende perzik’, is in handschrift opgedragen aan Martien Beversluis.

TE VROEG BLOEIENDE PERZIK

Het voorjaar kwam zóó vroeg
Met zon en luwe winden,
Dat ik in een verblinde
Verrukking bloemen droeg.

Ik kon den vasten tijd,
Door U besteld, niet wachten.
’t Hunkren van mijn gedachten
Werd teedre werklijkheid.

O, de eerste morgen, dat
Mijn bloei zich openbaarde,
In de verdorde gaarde,
Hebt Gij mij liefgehad.

Toen, voor mijn weligheid,
Waarvan de twijgen rillen,
Hebt Gij mij gekastijd,
En mij omhuld met stille

Huiven van sneeuw, en dauw
Die stierde tot kristallen;
Nu sta ik star en grauw
Tusschen den bloei van allen.

Maar wie mijn doodheid laakt,
Gij weet, dat ik kàn bloeien.
En uit verholen gloeien
Gij bloem en vruchten maakt.

Och God, Uw lente prijkt –
Wie weet – nog vele jaren.
Laat ’t hart Uw gunst ervaren,
Tot het in bloei bezwijkt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s