H.J.M.F. Lodewick (1909-1995)

Generaties middelbare scholieren kennen de literatuurgeschiedenis van Lodewick, maar weinigen kennen het levensverhaal van Lodewick zelf. Wat was deze literatuurhistoricus behalve ‘Leraar aan de Gemeentelijke H.B.S. te Maastricht’, zoals de titelpagina van zijn handboek ons druk na druk meedeelt?

De inspiratie komt ook niet vanzelf. Toen de directeur voor dit stukje op zoek ging naar een geschikt persoon, een lekker obscuur figuur, trok hij maar een verhuisdoos open. Daarin trof de directeur een rij handboeken over en overzichten van de Nederlandse literatuur aan. Maar vergeten schrijvers, eendagsvliegen die in hun eigen tijd de kolommen van de kranten al niet haalden, ontbreken in geschreven literatuurgeschiedenissen. Naar Louis Bähler is het vergeefs zoeken in het door H.J.M.F. Lodewick samengestelde Literatuur. Geschiedenis & Bloemlezing. De literatuurhistoricus komt er zelf anders ook bekaaid af. Terwijl er met die doos op schoot wel het een en ander over hem te zeggen valt.

H.J.M.F. Lodewick schreef met zijn populaire literatuurgeschiedenis een compleet overzicht van stromingen, groeperingen en tijdperken, inclusief bijbehorende voorbeelden uitgesmeerd over alinea’s en hexameters. Daardoor is ‘de Lodewick’ geen bijster origineel werk. De samensteller moet toch vooral volledigheid voor ogen hebben gehad. Toch valt ook nu nog op dat hij een zekere neus voor talent had. In de eerste drukken (vijftiger jaren) ruimde Lodewick voor Couperus al enkele bladzijden in en gaf hem als eenling een eigen categorie. Hans Lodeizen heeft aan dit handboek zijn mythische status voor een deel te danken. En anderen weten sinds Lodewicks indeling dat ze tot het ‘surrealisme’ of ‘de experimenten’ behoren.

De schrijver van een literatuurgeschiedenis treedt maar zelden op de voorgrond. Wie in de Lodewick leest, leest over anderen. Met de ‘wij’-vorm lijkt hij zich van zichzelf te hebben willen distantiëren. Maar Lodewick werkte alleen – al kreeg hij voor de samenstelling van zijn boek tips en aanvullingen van een letterkundige vriend (de excentrieke letterkundige Karel Reijnders uit Nijmegen, die hij, elke herdruk weer, daarvoor dankzegde in het voorwoord van zijn boek). Zijn enthousiasme weet Lodewick niet altijd te temperen, soms komt hij unverfroren voor zijn mening uit: dan noemt hij verhalen van Slauerhoff ‘meesterlijk’ en bewondert hij de ‘verbijsterende knapheid’ van Vestdijk. In de Lodewick wordt dan ook met een enkele maat gemeten: schoonheid. Neerlandici hebben Lodewick afgedaan als een hobbyist die à la Tachtig hopeloos achterhaalde criteria hanteerde, maar zijn boek heeft leerlingen ongetwijfeld geïnspireerd en enthousiast gemaakt voor literatuur. Zijn stijl is die van een leraar die spreekt zonder belerend te zijn, iemand die in een bijzin een mooie vergelijking maakt, en terloops een sleutelroman ontraadselt.

De ‘radiocauserieën’ die Lodewick wekelijks voor de Maastrichtse Omroep Zuid hield, bundelde hij dan ook onder de titel Zonder voetnoten. Met die opvatting van de literairhistorische tekst als een pakkend, doorlopend verhaal stond hij lijnrecht tegenover zijn streekgenoot Harry G.M. Prick. (De vorig jaar overleden biograaf verhief in het tweedelige monument dat hij voor Lodewijk van Deyssel oprichtte de voetnoot tot kunst; Pricks zinnen meanderen door de hoofdstukken.)

Fernand (de laatste letter in H.J.M.F.) Lodewick hield van het goede leven – al bleef hij eeuwig vrijgezel. Dankzij het succes van zijn lesboek (ruim een miljoen exemplaren verkocht) kon hij zich te goed doen aan dure wijnen, hedendaagse kunst, lp’s en wagonladingen boeken, die hij tijdens diverse stedentrips aanschafte. (Op de foto struint Lodewick de boekenstalletjes langs de Seine af.) Een bloemlezer moet natuurlijk alles tot zich nemen eer hij een keuze maakt. Na zijn dood werd zijn bibliotheek geveild. Een enkele keer vind je op de boekenmarkt een boek met het ex libris van Lodewick: een collage van filmrol, muzieknoot en… een vrouwenportret.

Uit zijn verhuisdoos vist de directeur ook een boek dat de veiling nooit heeft gehaald: een ouderwets plakboek, waarin de nauwgezette Lodewick vanaf de eerste druk uit 1955 tot de recentste uit de jaren negentig besprekingen van zijn handboek en correspondenties met docenten, hoogleraren en schrijversweduwes inplakte.

Helemaal op de bodem van de doos ligt een door de tijd aangetast schrift: ‘Werkprogramma’, in sierlijke letters. Honderden pagina’s zijn met potlood in kolommen verdeeld, op elke regel staat een boektitel gevolgd door het aantal pagina’s: het dagboek van een bloemlezer. Wie bladert, leest ook over Lodewick zelf. Maakt een wandeling langs de boekenkast van een literatuurhistoricus die lezen als een werkprogramma beschouwde, maar dat werk was zijn leven.

4 gedachtes over “H.J.M.F. Lodewick (1909-1995)

  1. Ik heb met zijn literatuurgeschiedenis lange tijd les gegeven. Er was geen andere methode beschikbaar die geschiedenis en tekstvoorbeeld beide aanbood. Maar Lodewick legde geen verband tussen tekstvoorbeeld en literatuurgeschiedenis. Uit het hoofd leren van de geschiedenis leek de enige remedie. De scheiding tussen ideeëngeschiedenis en bloemlezing is voor het literatuuronderwijs nog steeds niet opgelost. Het laatste antwoord is de vraag: Wat vind je er zelf van.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s