Büch haalt de leeslijst niet

Ik ben geen Achterberg, krijg geen pelgrim en
geen prijzen maar moet hetzelfde nog bewijzen:
dat dood uit taal weer op kan rijzen.

Boudewijn Büch (1948-2002) zag het somber in voor zichzelf, maar kreeg slechts gedeeltelijk gelijk. Pelgrimages naar zijn graf worden per fanclub georganiseerd en wandeltochten door het Wassenaar van zijn jeugd zijn in voorbereiding. De dichter Büch heeft echter nooit voet aan de grond gekregen. Hoe dat komt? ‘De authenticiteit ontbreekt’, vindt Gillis Dorleijn.

Waarom de poëzie van Boudewijn Büch nooit op college aan bod komt? Voor wie zich laat leiden door het oordeel van literaire critici is het een uitgemaakte zaak. Een willekeurige bloemlezing uit hun stukken belooft niet veel goeds: ‘Meligheid, kwetsbare ironie, monotonie en pretentie’, ‘wat gedwongen rijm’, ‘weinig meer te hopen’, ‘hopeloos de mist in’, ‘rijm van de allergemakkelijkste soort’, ‘uit spuit, de Büch gaat uit’, ‘weerloos aandoende praterigheid en wat quasi-archaïsch taalgebruik, gelardeerd met opgelegde ingetogenheid’, ‘het ritme bepaald ongelukkig’, ‘gekunstelde vorm’, ‘zoveel baarlijke onzin’, ‘vormeloos gejerimieer’, ‘gauw clichématig’, ‘in een oogopslag herkenbaar als superkitsch’…

Gillis Dorleijn, hoogleraar Moderne Letterkunde, legt uit hoe het zit. ‘Het is geen daad van agressie ofzo, dat we Büch nooit bespreken op college of in artikelen. Waarom dat niet gebeurt is moeilijk te zeggen. Er zal sprake zijn van iets dat wij ‘reproductie’ noemen. Actoren in het literaire veld hebben namelijk de neiging om bestaande oordelen te reproduceren.’ Ofwel: recensenten en onderzoekers praten elkaar na.

Het ligt ook aan Büch zelf, denkt de hoogleraar. ‘Hij heeft zich nooit nadrukkelijk als dichter geprofileerd en is in eerste instantie toch media-persoonlijkheid. De meeste mensen zullen hem herinneren door zijn tv-programma’s. In Barend en Van Dorp kon hij heel goed zijn enthousiasme overbrengen, voor zowel Goethe als Mick Jagger. Het verbinden van high en low culture deed hij moeiteloos.’

Op college maakte Gillis Dorleijn onlangs een voorlopig overzicht van richtingen in de na-oorlogse ‘lees’-poëzie. Daarin komen ook ‘Neo-traditionalisten’ voor, waarbij dichters als Komrij, Rawie en Wigman horen. Büch ook? ‘Misschien wel. Wat hij in ieder geval gemeen heeft met iemand als Gerrit Komrij is de romantiek. Veel van zijn gedichten zijn zonder twijfel romantisch te noemen. Maar – heel onpostmodern om dit te zeggen – de authenticiteit ontbreekt voor mijn gevoel. Büchs poëzie lees ik toch met argwaan.’

In het najaar verschijnt bij De Arbeiderspers de bundel Boudewijn in gedichten, een herdruk van de verzamelde gedichten, maar zonder de uitvoerige aantekeningen en bronvermeldingen van Ernst Braches. De colleges Literaire Actualiteiten en Moderne Letterkunde vangen dan ook weer aan. Belandt Büch, na lang literair omreizen, eindelijk op de leeslijst? ‘Nee, ik denk het niet. Een belangrijk criterium voor opname is dat het werk van een auteur karakteristiek is voor een stroming of voor zijn tijd. Om dezelfde reden ontbreekt Maarten Biesheuvel, een schrijver met een heel eigen geluid, op de lijst.’ Zal er iemand dan ooit een scriptie schrijven over Boudewijn Büch? Over de echo’s van Gerrit Achterberg in zijn ongepubliceerde jeugdwerk? Dorleijn aarzelt. ‘Jij misschien?’

‘Alleen de dood nog / kan mij dichter maken’, staat in Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs, Büchs debuut uit 1976. De dood heeft hem mooi in de steek gelaten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s