Een uitermate slecht interviewer

‘Ik geef het geheel nu maar uit handen en hoop van harte, dat ik niet al te zeer buiten mijn boekje ben gegaan!’ Aldus eindigt de dichter A. Marja (1917-1964) zijn ‘Vooraf’ bij Buiten het boekje (1954), een bundel ‘gesprekken met, herinneringen aan, en anecdotes over vrienden en vakgenoten’. De titels die Marja zijn teksten heeft meegegeven zijn minstens zo opmerkelijk als de beschouwingen en interviews zelf. Ik noem: ‘Simon en de aardappelen’ (over Simon Vestdijk), ‘Kom, we gaan naar ’t kerkhof’ (Hendrik de Vries) of ‘De faculteit meubelmaken’ (Ab Visser).

Schrijver Alfred Kossmann, destijds als kunstredacteur werkzaam bij Het Vrije Volk in Rotterdam, heeft in het boek ook een plek gekregen. Zijn geschreven portret (‘Noem mij gerust nihilist’) is in feite een ‘in een klein Rotterdams cafeetje’ afspelend gesprek, dat afgewisseld wordt met overdenkingen en waarnemingen van reporter Marja. Die schaart al in de eerste alinea’s zijn collega Kossmann onder de jongeren van wie enkele romans verschenen zijn, ‘die ver uitsteken boven de, op zichzelf vaak sympathieke, pogingen der poëten.’ Eer Marja inhoudelijk op Kossmanns werk ingaat, memoreert hij nog even een belangrijk feit uit diens biografie. Kossmann werd namelijk in 1943 gearresteerd voor de Arbeidseinsatz en was tot het eind van de oorlog dwangarbeider in Duitsland.

Maar dan komt de ironie in het werk van Kossmann aan bod, in het bijzonder in de roman De moord op Arend Zwigt (1951). ‘Ik heb,’ zegt de jonge Kossmann, ‘daarin eigenlijk de loodzware ernst waarmee de puber allerlei problemen te lijf gaat, een beetje met speelse ironie willen behandelen. Maar ik vraag me af of dat wel gelukt is.’ Hij heeft zich geërgerd aan critici die de ernst zélf ‘volkomen in het middelpunt’ plaatsen. Bij Marja rijst dan de vraag of Kossmann eigenlijk iets tegen ernst heeft. Hij antwoordt:

‘Helemaal niet. Mijn werk neem ik ernstig. Ik doe het met ambitie en serieus. Maar voor al die religieuze, ethische, morele problemen, waarmee onze generatie blijkbaar zit opgescheept, heb ik ergens geen zintuig. Iedereen zwaait tegenwoordig met het woord nihilisme als een soort knots waar je bang voor moet zijn. Je mag mij gerust nihilist noemen, ik voel me daar niets minder lekker om!’

Een stevige uitspraak. En dan plaatste Marja ‘m ook nog als kop boven het stuk.

Alfred Kossmann overleed in 1998 aan de gevolgen van een longontsteking. Zijn correspondenties en manuscripten gingen naar het Letterkundig Museum, zijn bibliotheek belandde bij een Leids antiquariaat. Eind 2002 kocht ik daar een licht vergeeld, stofomslag ontberend exemplaar van Buiten het boekje. Dat Marja, wat Kossmann betreft, daadwerkelijk buiten zijn boekje is gegaan, blijkt wel uit het commentaar dat de geïnterviewde ooit eens in de witruimte onder zijn portret schreef. In een moeilijk te ontcijferen handschrift staat er:

‘Hoewel het er weinig toedoet, wil ik in dit exemplaar van dit werkje vastleggen dat Marja’s interview in hoofdzaak op vrije fantasie berust, ik de zinnen, door hem vastgelegd, niet heb uitgesproken en alleen, verleid door hem, in protest, mezelf als “nihilist” heb aangekondigd. Ik wijs erop dat Marja op z’n 21ste (toen ik naar Duitsland ging) geen stereosommen had [onleesbaar] te maken en dat hij, om “actueel” te blijven het hier in A’dam afspelende gesprek na mijn verplaatsing naar R’dam mede heeft overgeplaatst. Dit is typerend voor zijn betrouwbaarheid als verslaggever.’

In de ‘vraagcauserie’ (de term voor Marja’s mix van interview en essay komt van Jan Greshoff) over Simon Carmiggelt (‘Journalist met hart en ziel’), luttele pagina’s voor de handgeschreven notitie van Kossmann, beweert Marja zelf dat het euvel ergens anders zit. Als Carmiggelt hem uitnodigt om op een terrasje iets te gaan drinken, vraagt Marja, ‘door de een of andere oncontroleerbare impuls gedreven’, of hij hem mag interviewen. Hij voegt daar doodeerlijk aan toe: ‘Dit moet zelfkwelling zijn! In de eerste plaats ben ik al een uitermate slecht interviewer, doordat ik niets van de bescheidenheid bezit, die Eckermann gemeen heeft met iedere willekeurige beroepsverslaggever, en die het iemand mogelijk maakt de eigen persoonlijke mening buiten het geding te houden.’

Kossmann was overigens niet als enige ontevreden met zijn geschreven portret. De Groninger dichter Hendrik de Vries uitte zijn ongenoegen alsvolgt:

‘Ik, HENDRIK DE VRIES, verbolgen
Wegens lang hinderlijk volgen
Door MARJA, met rariteiten
Die hij verkondigt als feiten,
verzoek BERT BAKKER van Maatstaf:
– Sta mij thans een weinig plaats af,
Dat ik hem plechtig ontvlooi
Als naar gewoonte: in een vers –

Deze A. MARJA (Theo Mooij),
Schuldig aan mijn zot portret,
Gezet op de Arbeiderspers,
Geborgen in ’t kabinet
‘Buiten het boekje’ (’t mocht heten:
‘Tegen eigen beter weten’).’

Voor Kossmann was het boek echter gesloten. Totdat iemand het vijftig jaar later zou openslaan.

2 Comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.