‘Geen illusie Hotz helemaal te leren kennen’

F.B. Hotz (1922-2000) is de schrijver van een klein oeuvre. Zijn plaats in de Nederlandse literatuur zal wel altijd marginaal zijn. Toch wordt er al hard gewerkt aan een biografie. Aleid Truijens nam in januari een jaar verlof van haar werk bij de Volkskrant en brengt sindsdien het teruggetrokken bestaan van een groot schrijver in kaart. ‘Het moet het verhaal worden van een lang sluimerend schrijverschap, dat laat tot bloei kwam. Het verhaal van iemand met vele talenten die, door de tijd en zijn persoonlijke omstandigheden, moeizaam tot uitdrukking kwamen.’

Hoe zult u te werk gaan met het schrijven van de biografie? Een grote bron van informatie zullen Hotz’ autobiografische verhalen zijn, waar hij – paradoxaal genoeg – juist zoveel mogelijk biografie uit wilde ‘schrappen’. Verder heeft hij weinig interviews gegeven; hij hield zich afzijdig van het literaire leven in Leiden. Is er genoeg materiaal voor een biografie?
‘Nee, ik denk niet dat autobiografische verhalen op zichzelf als goede bron te beschouwen zijn. Ik ben er zo langzamerhand wel achter dat zulke verhalen – bij hem, maar dat is zo bij de meeste schrijvers – een onontwarbare mengeling van herinnering en verbeelding zijn. Je kunt ze wel náást de feiten leggen, als je die eenmaal achterhaald hebt. Dan is het interessant om te zien hoe hij de werkelijkheid heeft vervormd en wanneer, en wellicht waarom hij dat deed.
Het werk is wel de reden en de enige rechtvaardiging voor de biografie, de grootheid ervan, de magistrale stijl, het bijzondere vermogen om over het verleden te schrijven als over een levend heden. Ook al is een leven nog zo ‘boeiend’ op zichzelf, Hotz is voor mij een groot en uniek schrijver. Ik zou willen dat dat werk de komende eeuw in gaat, nieuwe lezers vindt, herdrukt wordt, en ik hoop dat mijn biografie daartoe iets bijdraagt.
Mijn bronnen zijn in de eerste plaats gesprekken, en schriftelijke bronnen, zoals brieven. Ik hoop dat vrienden en familie mij zulk materiaal ter inzage willen geven. Er zijn wel wat interviews – ikzelf heb hem uitgebreid gesproken voor de Volkskrant – en daaruit zal ik uiteraard citeren, maar ik wil zo veel mogelijk uit de eerste hand hebben. Dat wil zeggen: uit gesprekken met mensen die hem goed gekend hebben, in de eerste plaats zijn zus Atie Fransen-Hotz, met wie hij in zijn volwassen leven veertig jaar heeft samengeleefd, maar ook (jeugd)vrienden, vriendinnen, medemuzikanten, literaire kennissen, zijn uitgevers, enzovoort.’

Heeft u al een titel in het hoofd? De duistere jaren van F.B. Hotz?
‘Nee, ik heb geen titel, echt niet. Maar die rijst ongetwijfeld op uit mijn materiaal, uit het verhaal dat zich vormt.’

Beoogt u met deze biografie een compleet feitenrelaas te geven of gebruikt u alleen de feiten die relevant zijn voor het verhaal dat u wilt vertellen?
‘Tja, wat is compleet. Je bent nooit compleet. Je weet nooit wat er in iemand is omgegaan op al die momenten waarop hij niet schreef of met anderen sprak. Ik heb niet de illusie Hotz helemaal te leren kennen. Maar voorzover je de feiten die ertoe doen kunt achterhalen moet je die weergeven. Onbenulligheden en trivialiteiten: of hij ’s ochtends een eitje at of een boterham met pindakaas – nee. Tenzij details nodig zijn om iets bijzonders, iets eigens te schetsen.
Maar het moet wel een leesbaar, goed lopend verhaal worden, ik wil het vertellen als een verhaal. Niet idioot dik, Hotz’ eigen eis tot beknoptheid indachtig – ik denk aan maximaal 300 pagina’s – want daar doe je lezers geen plezier mee. Ik zie niets in een biografie à la Harry Prick over Lodewijk van Deyssel, al heb ik grote bewondering voor zo’n titanenklus.
Het moet het verhaal worden van een lang sluimerend schrijverschap, dat laat tot bloei kwam. Het verhaal van iemand met vele talenten die, door de tijd, en zijn persoonlijke omstandigheden, moeizaam tot uitdrukking kwamen. Maar toen zijn talent eenmaal ontdekt was, beleefde het werk een korte, heftige bloei. Zijn jeugd in de jaren ’20 en ’30, de oorlog, het muzikantenbestaan, zijn bewondering voor kunst, architectuur en literatuur uit bepaalde perioden, het is allemaal in dat werk terechtgekomen. Alles in zijn leven werkte naar het schrijverschap toe. Maar ja, dat kun je achteraf natuurlijk altijd zeggen.’

In 1997 verscheen Het werk, een bundeling van Hotz’ vorige boeken. Helaas ontbreken daarin een paar verhalen, misschien omdat ze nooit in een reguliere verhalenbundel gestaan hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan ‘Joop, Jan en Meneer Ginsberg’, een verhaal over drie Leidse boekhandelaren, in 1984 verspreid als nieuwjaarswens. Of de tekst die Hotz in 1987 speciaal schreef voor het Academisch Ziekenhuis Leiden. Verdient Hotz niet alsnog een complete uitgave van zijn verzameld werk?
‘Ik ben al dolbij dat Het werk er is. “Denk je niet dat het tegenstaat, twee van die dikke bundels dundruk?” vroeg Hotz mij eens. Toch was hij er wel blij mee, vooral omdat de cassette er mooi uitzag, en hij besteedde er een deel van de P.C. Hooftprijs aan. Ja, natuurlijk zou een herdruk waaraan de ontbrekende verhalen zijn toegevoegd mooi zijn. Maar om nieuwe lezers te bereiken, wat ik belangrijker vind, zou je om te beginnen een keuze uit zijn verhalen (weer) in een betaalbare herdruk moeten brengen.’

Familie van Hotz kwam in het bezit van de complete briefwisseling tussen F.B. Hotz en zijn oom Herman Kunst en bundelde hem voor eigen gebruik. Die bundel, de voorloper van Een beetje levensbestemming, was in eerste instantie niet voor publicatie bedoeld; met Hotz’ wens werd rekening gehouden. Wat heeft de erven doen besluiten toch in te stemmen met Een beetje levensbestemming? Is dit geen heiligschennis?
‘Ja, lastig. Dat hebben wij ons natuurlijk ook afgevraagd. Wij, dat zijn Henri E. Schütte (de schoonzoon van Hotz’ oom Herman Kunst), de redacteuren van De Arbeiderspers en ik. We hebben besloten dat het literair-historische belang van die brieven groot is. Zijn zuster Atie, heel belangrijk, stemde ermee in. Als zij niets in de biografie had gezien, had ik dit plan niet willen doorzetten. Ook zij denkt dat haar broer het goed had gevonden dat bewonderaars van zijn werk dat werk levend willen houden.’

Naast de grote briefwisseling tussen Hotz en Kunst is er ook een flinke stapel brieven en manuscripten – bij het Letterkundig Museum, bij verzamelaars en antiquariaten – aan zijn uitgever en vaste redacteur Theo Sontrop. Zijn de brieven aan zijn uitgever niet de moeite van een uitgave waard? Zeker gezien de rol die Sontrop heeft gespeeld in de loopbaan van de schrijver, die veel waarde hechtte aan diens (literaire) oordeel.
‘Brieven zijn toch van een heel andere orde dan manuscripten en typoscripten. Hoe prachtig het ook is om die in handen te houden en Hotz’ gelijkmatige handschrift te zien, en die zorgvuldige doorhalingen en verbeteringen, ze bevatten geen nieuwe, onbekende informatie. Ik ben nu vooral benieuwd naar brieven die in het bezit zijn van correspondenten. Uit de brieven aan Martin Ros en Theo Sontrop zal ik uiteraard uitgebreid citeren in de biografie.’

In 1977 schreef Frits Hotz aan zijn oom: ‘Büch heeft bovendien een plan (voor later) om een korte briefwisseling met mij te publiceren – waarschijnlijk Hollands Diep. Ik wacht maar af!’ Deze brief heeft in de brievenuitgave Een beetje levensbestemming geen voetnoot gekregen: weet u of er ooit iets is terechtgekomen van de korte briefwisseling met wijlen Boudewijn Büch?
‘Bij mijn weten niet, maar ik hoop dat er brieven opduiken. Ik ben nog maar net begonnen met mijn research.’

In Nederland zijn er twee bloemlezingen uit Hotz’ werk verschenen. Eén tijdens zijn leven (De tramrace en andere verhalen, als Salamander, 1982) en één na zijn dood. Gaat dat gelijk op met de aandacht die Hotz toebedeeld krijgt in de literatuurgeschiedenis? En komt de bundel die collega-schrijver en vriend Maarten ’t Hart samenstelde (De mooiste verhalen van F.B. Hotz, 2000) bijvoorbeeld wel overeen met wat Hotz zelf het mooiste vond?
‘”De” literatuurgeschiedenis, tja, waarover hebben we het dan? Ik hoop dat er nog eens iemand opstaat die de moed heeft om de Nederlandse literatuur na de Tweede Wereldoorlog compleet in kaart te brengen, met beschrijvingen van alle oeuvres – ik meen dat Ton Anbeek daar nog steeds mee bezig is. Hotz is een schrijver met een klein oeuvre, die niet makkelijk is onder te brengen bij een stroming. Zijn plaats in welk standaardwerk dan ook zal altijd marginaal zijn. Maar de waardering voor dat kleine oeuvre is groot geweest en is nog steeds groot. Veel mensen kennen hem niet, ook mensen die behoorlijk veel lezen en de Nederlandse literatuur zeggen ‘bij te houden’, maar áls mensen hem lezen vinden ze dat werk vaak zeer goed. Tussen alle kritieken die er in de loop der jaren op zijn werk verschenen zijn, zitten maar enkele negatieve. Niet voor niets kreeg deze betrekkelijk onbekende auteur de P.C. Hooftprijs. Elke bloemlezing is arbitrair. Dat geeft niet, als er maar bijgezegd wordt wiens keuze het is en als die keuze wordt verantwoord. Maarten ’t Hart wist volgens mij vrij goed welke verhalen Hotz het mooist vond.’

Hotz heeft wel eens gezegd dat vrouwen zijn werk vaak beter begrijpen dan mannen. Desondanks wordt Hotz’ werk wel eens vrouwonvriendelijk genoemd. Hoe kijkt u daar tegen aan? Voelt u zich aangesproken?
‘In de jaren zeventig, toen Hotz debuteerde, vierde het feminisme hoogtij. Zelf zat ik ook in allerlei feministische leesgroepjes. Vrouwen of meisjes die het werk nauwelijks gelezen hadden, wisten mij te vertellen dat Hotz een vrouwenhater was. Ik was het daar toen al volslagen mee oneens. In de verhalen van Hotz – toch iets anders dan in Hotz’ opvattingen in het leven van alledag – zitten mannen en vrouwen elkaar vaak in de weg, vooral als ze zijn samengedreven in het huwelijk. Ze willen verschillende dingen, stellen elkaar onmogelijke eisen en begrijpen elkaar vaak slecht. Eigenlijk gaat het erom dat mensen elkaars eigenaardigheden niet wensen te accepteren, elkaars passies en voorkeuren niet respecteren; ze zouden – zeggen die verhalen – elkaar wat meer met rust moeten laten. Vrouwen zijn bij Hotz vaak praktisch, slim en doortastend; mannen kinderlijk, bang en een beetje sukkelig. Ik kan het daar tot op zekere hoogte mee eens zijn, maar ja, als je je blik op een bepaalde manier richt, zíe je het ook.
Grappig is dat Hotz ‘erkende’ slechteriken, zoals vreemdgangers, oplichters en klaplopers, met sympathie beschrijft. Misschien uit bewondering: zelf ging dat soort zwier hem niet gemakkelijk af, en hij had een groot schuldbesef.
Overigens zei Hotz tegen mij in 1999, toen ik hem interviewde, dat hij vond dat het samengaan van man en vrouw er de laatste tijd flink op vooruit was gegaan. Alleen al het feit dat je niet meer onvrijwillig in een huwelijk opgesloten hoeft te zitten vond hij pure winst. Dat vrouwen zich nu kunnen ontplooien vond hij ook een vooruitgang. Misschien zat ‘m daarin wel een groot deel van het chagrijn bij veel vrouwen, zei hij. In zekere zin was hij dus een feminist.’

Nop Maas, die werkt aan een biografie van Gerard Reve, heeft van de schrijver en zijn levensgezel Joop Schafthuizen honderden brieven en documenten gekregen, waar hij mee doen mag wat hij wil. Hebt u dergelijke voordeeltjes kunnen boeken?
‘Nogmaals, ik ben nog maar net begonnen met mijn research. Er zijn mensen die mij willen helpen en die mij inzage in materiaal hebben beloofd, dus ik heb goede hoop dat er het één en ander op mijn pad komt.’

Tot slot: wanneer ligt het boek in de winkel?
‘Oei, daar durf ik geen uitspraak over te doen. Ik heb het komende jaar onbetaald verlof van mijn werk bij de Volkskrant, en in dat ene jaar hoop ik ver te komen. Met de research en gesprekken moet ik in elk geval klaar zijn. Of het boek ook binnen het jaar afkomt, dat betwijfel ik. Maar het mag geen jaren duren.’

(januari 2004)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s