‘Compleet is de mythe’

Op deze plek kwamen achtereenvolgens Frans Mouws, Jos Wuijts en Boris Rousseeuw aan het woord over hun werkzaamheden als bibliograaf, iets wat zij alle parttime en uit eigener beweging deden. Daaruit had afgeleid kunnen worden dat het maken en onderhouden van een bibliografie geen serieuze bezigheid is. Dat die gedachte meteen moet worden losgelaten, bewijst Frans A. Janssen, bibliograaf van W.F. Hermans. Als hekkensluiter belicht de hoogleraar Boekwetenschap aan de UvA meer de wetenschappelijke en historische kant van de bibliografie. Het wetenschappelijk verantwoorde van zijn werk betekent geenszins een breuk met zijn voorgangers: ‘Ik kijk niet neer op bibliografen die het anders doen.’

In 2000 verscheen het lijvige, fraai geïllustreerde boek Het bibliografische universum van Willem Frederik Hermans, dat u samenstelde met Sonja van Stek. Hebt u, met uitzondering van de herdrukken die na de bibliografie verschenen zijn, nog hiaten ontdekt?
‘Natuurlijk, want een bibliografie is nooit compleet. Compleet is de mythe van de onervarenen, van mensen die niet goed weten wat boeken zijn, hoe ze worden gemaakt, hoe ze worden overgeleverd en hoe ze worden opgenomen in een bibliografie. Deze mensen gaan dan ook tekeer als ze in een bibliografie een hiaat of een fout vinden, terwijl er in feite alleen maar reden tot vreugde is als iemand onze kennis van boeken heeft verrijkt door een aanvulling op een bibliografie. Bij bibliografieën van Engelse of Amerikaanse schrijvers is het heel gewoon dat correcties en aanvullingen in de tweede druk de omvang van de eerste druk overtreffen. In de vakliteratuur zien we regelmatig dat bibliografische overzichten na een aantal jaren opnieuw, herzien en uitgebreid, worden gepubliceerd. En dan: het is beter om een bibliografisch overzicht te publiceren met fouten en hiaten, dan helemaal niks.’

In de verantwoording schrijft u: ‘Het enige criterium voor opname was dat er tenminste vijf exemplaren geproduceerd zijn. De beschrijvingen zijn gebaseerd op autopsie; elk nummer in de bibliografie is beschreven met een exemplaar van de betreffende druk in de hand.’ Haast geen enkele bibliograaf hanteert zulke strikte voorwaarden: Frans Mouws neemt ongezien beschrijvingen over uit antiquariaatscatalogi, Boris Rousseeuw vermeldt ook unieke luxe-edities. Moet er een standaard ontwikkeld worden? En: op basis waarvan heeft u uw criteria vastgesteld?
‘Die standaard is er al: bibliografie is een vak, met een theorie, met vakboeken (bv. Esdaile, Stokes, Bowers), met vaktijdschriften (bv. Studies in Bibliography), met een rijke praktijk (in het bijzonder bibliografieën van Angelsaksische auteurs). Daar hebben Van der Stek en ik onze criteria vandaan. Aan de basis liggen inzichten betreffende de technieken van zetten en drukken: daarin liggen onderscheidingen als druk, uitgave, variant. Ik kijk niet neer op bibliografen die het anders doen: elke bibliografie moet je beoordelen naar zijn eigen doelstellingen. Je mag best zonder controle beschrijvingen uit antiquariaatscatalogi of uit andere bronnen overnemen, alleen heb je dan geen bibliografie maar een basislijst, die evenzeer nuttig is. Luxe-edities mogen in een bibliografie beschreven worden, als ze maar onderscheiden worden van luxe-exemplaren (privé-exemplaren van een druk, die niet als een bijzondere uitgave gepresenteerd worden). Een bibliografie beschrijft edities (drukken) en varianten daarbinnen, alleen een catalogus beschrijft exemplaren. In de WFH-bibliografie zijn dus exemplaar-gebonden gegevens niet vermeld.’

Uw bibliografie is grotendeels gebaseerd op uw eigen collectie, die zich thans in de Koninklijke Bibliotheek bevindt. Hoe is die verzameling ontstaan? En: is het de bedoeling dat die uiteindelijk helemaal compleet is?
‘Inmiddels is mijn collectie weer terug bij mij. De verzameling is ontstaan uit drie vragen. Wat zijn de werken van Hermans en in welke drukken en uitgaven zijn ze verspreid? Zijn er tekstuele varianten en hoe kunnen ze verklaard worden uit het productieproces? En ten slotte geeft een dergelijke collectie een beeld van het boekenmaken in Nederland vanaf de Oorlog, zowel in technisch opzicht als gezien vanuit de typografische vormgeving. Helemaal compleet kan een verzameling nooit zijn, en dat hoeft voor mij ook niet: ik heb ook nog andere belangstellingen waaraan ik tijd en geld besteed.’

De meeste bibliografen krijgen volledige medewerking van de auteur. Zo heeft Arnon Grunberg zijn bibliograaf actief geholpen met het achterhalen van publicaties. Tom Lanoye vulde het knipselarchief van zijn bibliograaf aan met kopieën – hoewel hijzelf geen échte bibliofiel is. Was W.F. Hermans erg behulpzaam?
‘Ja, toen ik goed op weg was heeft Hermans mij zeer geholpen. Maar ook aan de opeenvolgende directeuren van De Bezige Bij (en hun productiechefs) heb ik veel te danken. Dit geldt ook voor Thomas Rap en voor De Harmonie, maar jammer genoeg niet voor Van Oorschot: zelfs op een heel eenvoudig, zakelijk vraagje weigerde de uitgever een antwoord te geven. Wat hij overigens wel netjes in een brief meedeelde.’

Wie wil u in eerste instantie dienen? De wetenschappers of de verzamelaars?
‘Ik zie in dit verband geen tegenstelling tussen wetenschappers en verzamelaars: beiden willen toch weten welke teksten er in welke drukken zijn en wat de waarde (de ‘status’) van iedere druk is in de reeks drukken van een werk. Omdat ikzelf zowel wetenschapper als verzamelaar ben, heb ik natuurlijk vooral mijzelf gediend.’

Initiatieven tot een schrijversbibliografie worden meestal genomen door particuliere verzamelaars. Van de geïnterviewde bibliografen bent u de enige met een wetenschappelijke achtergrond. Is er geen echte bibliografische traditie binnen het Nederlands taalgebied?
‘Er is wel degelijk een bibliografische traditie in Nederland. Ik hoef alleen maar te wijzen op het werk van Piet Verkruijsse, op de discussies in het vaktijdschrift Dokumentaal, op de bibliografieën van de Stichting Drukwerk in de Marge. Of op de bibliografische kaarten van het Nederlands Letterkundig Museum, waaraan Kees Lekkerkerker heeft meegewerkt – de kenner van de slordige Slauerhoff was zelf allesbehalve slordig. Bij dit alles staat zowat altijd de al genoemde Angelsaksische traditie op de achtergrond. Overigens zijn bibliografen juist vaak geen verzamelaars van het terrein dat ze beschrijven.’

‘Men zegt wel dat de bibliografie de ware biografie van de schrijver is.’ Bent u tijdens het werk nog gestuit op interessante biografische informatie?
‘Dat citaat is natuurlijk een understatement. Wij bedoelden te zeggen dat het werk van een schrijver belangrijker is dan zijn biografie. Het is vreemd dat mensen grote belangstelling aan de dag leggen voor het (vaak saaie) leven van een schrijver, terwijl zij voor het leven van de mevrouw achter de kassa in hun supermarkt, dat in vele gevallen veel boeiender is, geen enkele interesse tonen.’

Wordt de complete bibliografie nog eens op internet gezet?
‘Daar is inderdaad wel eens over gesproken. Ik zal er niet tegen zijn.’

februari 2004

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s