Achterflap (1)

Coen Peppelenbos filosofeert op zijn log over een foto op de achterflap van zijn nog te verschijnen roman Victorie. Herman Pieter Schönfeld Wichers, die de mooiste verhalen schreef onder het pseudoniem Belcampo, heb ik nooit in full colour op een achterflap zien staan. De achterflap van bijvoorbeeld De filosofie van het belcampisme (1972) is, op twee regels tekst na, maagdelijk wit.

Belcampo moest niets hebben van een achterflap. Hij heeft altijd z’n uiterste best gedaan om onbekend te blijven. Toen de redactie van de vooroorlogse Haagse krant Het Vaderland bij de enthousiaste recensie van Menno ter Braak een foto van de jonge schrijver wilde plaatsen, stuurde Belcampo hen met een kluitje in het riet. De lezer die op 2 oktober 1938 zijn ‘ochtendblad’ opsloeg, zag:

Wim G.J. van Dijk schrijft in De eerste Nederlandse tiftie (1983) dat uitgeverij Kosmos in 1939 een reclamefolder wilde maken voor Belcampo’s tweede boek. Weer verzocht men om een foto, weer stuurde Belcampo zijn achterhoofd in. Een goede grap maak je twee keer.

Of drie keer. In mijn boekenkast staat het dichtbundeltje Luxe (1966) van Louis Th. Lehmann. Dezelfde grap op de achterflap: geen artistieke zwartwitfoto, geen charmante-maar-toch-diepzinnige oogopslag in een dichterskop, maar de achterkant van die kop: een rommelige haardos boven een opgeschoren nek, daaronder nog net de rand van een tweedjasje.

Zou Lehmann het idee gestolen hebben? Kun je ideeën eigenlijk stelen? Gek genoeg lijken Belcampo en Lehmann als twee druppels water op elkaar. Hun achterhoofden althans.

2 gedachtes over “Achterflap (1)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s