Hans Lodeizen (1924-1950)

De tijd was amper rijp voor zijn poëzie. Toen Hans Lodeizen in april 1948 de redactie van het literaire tijdschrift Het woord negen vrije verzen ter publicatie aanbood, weigerde die bij monde van Koos Schuur opname. Traditionele dichters als Ed. Hoornik, Jacques van Hattum, Gerrit Achterberg, J.C. Bloem en M. Vasalis hadden het voor het zeggen. De Vijftigers stonden experimenteel te trappelen van ongeduld. Gerrit Kouwenaar schreef zijn gedichten nog net met hoofdletters en punten. Uitgever Geert van Oorschot liet zich echter door Adriaan Morriën overtuigen van Lodeizens talent. In oktober 1949 verscheen in de reeks ‘De Vrije Bladen’ de dichtbundel Het innerlijk behang. En de rest is literatuurgeschiedenis.

Die geschiedenis vangt aan in 1924 als Johannes August Frederik Lodeizen op 20 juli te Naarden wordt geboren. Vader Lodeizen is directeur van een multinational, waardoor het gezin via Arnhem naar Italië moet verhuizen. Jaren later keert het echtpaar Lodeizen met vier kinderen terug naar het land van herkomst. Een villa in Wassenaar wordt betrokken. Hans gaat naar het sjieke Haags Lyceum. Een chauffeur van de zaak zorgt voor vervoer. Geen populaire jongen, zegt de overlevering, Hans trok liever op met zijn leraren dan medeleerlingen. Hij is even intelligent als lui. Zijn astma speelt hem ook parten.

De rechtenstudie komt daarna niet van de grond. Lodeizens fascinatie lag van kindsaf bij de flora en fauna. Achterin de tuin had hij een mierenkolonie opgezet, waarover hij als allerjongste medewerker ooit een artikel bijdroeg aan het tijdschrift Entomologische berichten. Zijn speelse ambities: het ontsluieren van het intieme leven van mieren, het samenstellen van een lexicom der mierentaal (hij had al zestien lemma’s), het ontdekken van de bacil van Mond en Klauwzeer en – in het verlengde hiervan – bewijzen dat de maan uit de aarde is ontstaan.

Een foto uit die tijd laat een veertienjarige Lodeizen zien, zittend naast zijn moeder in de achtertuin, in iets wat geen stoel heet maar een fauteuil. Moeder Lodeizen kijkt bezorgd in de lens, zoon Hans leest stoïcijns in het boek op zijn schoot. Een wijsneus met wijduitstaande oren. Zijn pak is onberispelijk, tot de geruite sokken toe. Zijn moeder moet zijn haren net voor de foto achterovergekamd hebben. Alle jeunesse ten spijt oogt hij oud en ouwelijk. Vriend en pleitbezorger Morriën herinnerde zich later hoe grijs en schilferig zijn handen waren, “als een hand van Carmiggelt”.

Een bevriende professor krijgt in 1946 voor elkaar dat Lodeizen zonder bèta-diploma wordt toegelaten op Amherst College in de Verenigde Staten. De jonge student leert vrolijke, decadente jongens kennen, met wie hij fancy cocktailpartys afloopt. In New York residerende Nederlanders typeren hem als een “bleke dandy met flaporen”. Overdag gaan de studenten verkleed als Proust en Apollinaire over straat, ’s nachts op avontuur om in het plaatselijke museum de zakagenda van Emily Dickinson te jatten. Het eerste jaar verliest hij zich nog helemaal in zijn studie biologie, daarna belandt hij in een impasse. Hij raakt van streek door het lezen over de miljoenen jaren oude aarde. Vermoeidheid overmant hem soms. Het leven is voor hem ondoorgrondelijk. “I show certain characteristics of the manic depressive insanity-type”, noteert hij droogjes in het dagboek dat hij tot enkele dagen voor zijn dood zou bijhouden. De poëzieschriften blijven zo goed als leeg.

Vanaf maart 1948 produceert Lodeizen, de Verenigde Staten doorkruisend, een onafgebroken stroom gedichten. Hij stort zich in de literatuur, vertaalt García Lorca en maakt zelfs een niet onverdienstelijk portret van zijn idool. Hij stort zich ook in de liefde. In New Orleans geeft hij zich over aan zijn stoutste fantasieën en seksuele escapades. Een vliegenier, Young, kust de dichter van Het innerlijk behang in hem wakker. Terug in Nederland ontdekken artsen in 1949 dat zijn bloed niet in orde is. Enkele maanden na het verschijnen van zijn debuut sterft hij in een kliniek in Lausanne.

De bundel opent met een titelloos gedicht, gedrukt op het midden van de pagina:

de moeheid in een bootje
roeit langs geweldige steden
die drijven ieder een eiland
langs de kust van het
gefantazeerde intellect.

Deze vijf regels staan gebeiteld in marmer. Liefhebbers zijn er onder homoseksuelen, wielrenners, leraren, huisvrouwen en scholieren. Dichter Hans van de Waarsenburg schreef het versje in zijn jonge jaren over in de marge van een saai lesboek en “zeilde vervolgens het klaslokaal uit”. In de jaren zestig schijnen schoolkranten volgeschreven te zijn met ongedwongen versjes à la Hans. Pubers hunkerden naar liefde, erotiek en vreesden een vroege dood. Herdrukken van de debuutbundel werden verkoopsuccessen.

Willem Wilmink analyseerde de syntaxis en semantiek van het gedicht in een wetenschappelijk artikel. Daarin noemt hij het openingsgedicht exemplarisch voor Lodeizens werk, van de terugkerende notie ‘eiland’ tot het precieus gespelde ‘gefantazeerde’ aan toe. De ik is, met de moeheid onder zijn huid, losgeraakt van het intellect en neemt fantasieën waar, die hij niet langer als waanvoorstellingen kan bestempelen. Lodeizen doet hier mededelingen over een psychische toestand, waarin droom en werkelijkheid verwisselen en samenvallen. Toen Van Oorschot zijn poëzie wilde drukken, bracht Lodeizen in allerijl op eigen kosten een belangrijke wijziging door in de typografie. De zetters hadden alle gedichten op gelijke hoogte geplaatst, terwijl Lodeizen sommige juist verticaal gecentreerd op de pagina wilde hebben. Het vers als eiland van letters in een zee van wit.

Het artikel van Wilmink staat in een lange lijst secundaire literatuur over Lodeizens poëzie. Het innerlijk behang is zo vaak ter hand genomen dat het zich inmiddels schuil houdt achter lagen plamuur en gips. Elke regel uit de bundel is hineininterpretiert, een keer of vijf. Nieuwe generaties literatuurwetenschappers kunnen opgelucht ademhalen, sinds in 1996 Lodeizens Verzamelde gedichten over niet minder dan 684 bladzijden zijn uitgesmeerd. Onbegrijpelijk dat de bezorgers, die overigens een verantwoorde keuze maakten uit nagelaten werk, ‘de moeheid in een bootje’ bovenaan de pagina laten beginnen. Lodeizen had bedoelingen met zijn bladspiegel.

Hoor de uitgever, na mijn sterven knap
Ordenend mijn nalatenschap;
‘Ik vond een pakketje meest compromitterende
Gedichten over de liefde, bewerende
Dat plezier het enigste is op aarde,
Naar verhouding gesproken, met waarde’

Met het leven van Lodeizen is het nog beroerder gesteld. De feiten zijn genoegzaam bekend: ook hier staat niets nieuws. Aan een oorspronkelijke visie op werk en leven van Lodeizen ontbreekt het nog altijd. Koen Hilberdink werkt met medewerking van de familie aan een biografie. In 2002 ontdekte hij twintig brieven van Gerard Reve aan vader Lodeizen. Misschien komt het agendaatje van Dickinson ook wel weer boven water. Aan deze biograaf de moeilijke taak de geschiedenis van Hans Lodeizen te herschrijven en mij van een zekere moeheid te genezen.

Een gedachte over “Hans Lodeizen (1924-1950)

  1. ik speel met het droevig touw van de tijd…. dit gedicht van lodeizen gewoon in panorama geplaatst….(1960) zelf werkte ik toen nog als bouwvakker. het innerlijk behang van hans werd mijn levens kammeraad. kocht het boek vele malen om zijn werk als kaadoo door te geven. 1980 was ik nog steeds zo stapel…gaf een thema nummer uit over onze te vroeg gestorven pooweet 'inktkoelie' no 3. en bezocht daartoe zelfs zijn graf en sterfhuis te lausanne om er op het balkon te staan van toen zijn laatste dagen (1950). de verzamelaar mag alles gratis komen halen. emoele@hotmail.com

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s