Journaal

Nergens worden zoveel deadlines gemist als in de boekenwereld. Uitgevers zweren bij een strakke planning: achterin hun prospectussen leggen ze lijsten met boektitels en verschijningsdata aan. Wat eenmaal gedrukt is, is waar. Toch wordt het verschijnen van een boek, om uiteenlopende redenen, vaak uitgesteld. Valt het mee, dan ligt het boek enkele weken te laat in de winkel; boekhandelaren halen er hun schouders over op. Valt het tegen, dan gaan er maanden overheen.

Twee maanden kunnen de geschiedenis ingaan als een jaar. De kunst is mijn slagveld werd in de aanbiedingsfolder van Atlas Contact aangekondigd voor november 2015. Maar in november was de selectie maar net afgerond, lag de inleiding in de kreukels, begon het naamregister bij ‘Alberti, Willeke’ en moest een rechtszaak nog afgewend worden. De brieven van Tepper verschenen pas halverwege de eerste maand van het volgende jaar in druk. Achter het copyrightteken staat voorgoed ‘2016’.

In juli 2012 stond er in The New Yorker een voorpublicatie uit de te verschijnen dagboeken van de Canadese schrijfster Mavis Gallant. Prachtige, zeer persoonlijke notities van een intelligente vrouw, straatarm, in een vreemde stad. Het eerste deel van The Journals of Mavis Gallant zou, las ik toen in een Canadese krant, eind 2013 of – waarschijnlijker – begin 2014 verschijnen.

De verschijning van het eerste deel werd ingehaald door het overlijden van de auteur, op 18 februari 2014. In een herdenkingsstuk in The New Yorker werd terloops gemeld dat de eerste selectie uit haar dagboeken volgend jaar zou verschijnen bij Alfred A. Knopf.

Toen 2015 op zijn einde liep, stuurde ik een wanhopige tweet de wereld in. Waar bleef dat mooie boek? Geen reactie van Knopf. Het dikke mannetje van Bertelsmann On-Line geeft heden als verschijningsdatum 3 november 2016. Uitgever: Bloomsbury.

Allen & Unwin (mirror), de uitgeverij die Bloomsbury in Australië vertegenwoordigt, gooit er in de officiële aanbieding een half jaar bij op. Het ISBN van The Journals of Mavis Gallant: 1952-1968 is nu ook bekend. Dit 13-cijferige getal koester ik in de tussentijd als een lot, waarvan ik weet dat de hoofdprijs erop zal vallen. In mei 2017 – of later, nog later.

Mavis Gallant was vorige week even trending topic, dankzij de lovende recensies van The Collected Stories, uitgebracht in de prestigieuze Everyman’s Library. Dit duizend bladzijden dikke boek staat in Amazons ‘Hot New Releases’ (mirror) momenteel op nummer 1 (hardcover) én nummer 2 (Kindle).

Niettemin vrees ik dat Gallants autobiografische proza, wanneer het ook verschijnt, hier te lande onopgemerkt zal blijven. Hoewel twee van haar verhalenbundels in een Nederlandse vertaling zijn verschenen – Zwevend in een luchtballon in 1992, Verloren stemmen een jaar later – is de belangstelling voor haar werk tot dusver minimaal. Hollandse critici zaten te slapen wanneer een nieuwe Gallant verscheen. Haar tweede roman A Fairly Good Time werd vriendelijk gesignaleerd in De Tijd.

Dat was in 1970.

Bezwaarschrift

In de eerste twee afleveringen van zijn feuilleton was Eric J. Schneyderberg buitengemeen kritisch over de werkwijze en de publicaties van Eva Rovers. Daaruit kon worden afgeleid dat de oprichter van de Actiegroep Stop De Biografie niets te maken wilde hebben met de officiële biograaf van Boudewijn Büch. Het tegendeel is waar, blijkt uit de derde aflevering van wat nu ‘Wisselgeld’ (mirror) heet.

Eerder had Schneyderberg uitgebreid contact gehad met Rovers over de vriendschap tussen Büch en Gerrit Komrij, beiden goede bekenden van de antiquaar. Onlangs heeft Schneyderberg delen van de tekst van Rovers’ biografie toegestuurd gekregen. Over de neerslag van wat hij Rovers had verteld over allerlei kwesties tussen Büch, Komrij en hemzelf was hij niet tevreden.

Sinds een week of wat circuleert op de burelen van de Actiegroep Stop de Biografie een serie ter goedkeuring ontvangen teksten. […] Zoveel onzin en zoveel geknoei, alleen al op déze vier blaadjes

Schneyderberg zegt nu de ‘bevredigende reactie’ van Eva Rovers op zijn bezwaarschrift af te wachten.

Ferdinand Langen (1918-2016)

Ferdinand Langen was de telefoontjes een beetje beu. Overleed er een Nederlandse schrijver, dan werd hij meteen gebeld om voor de zoveelste keer die ene anekdote op te hoesten. HP/De Tijd, meende hij, was het ergst: dat tijdschrift had hem bovenaan de bellijst staan. Nu Ferdinand Langen zelf dood is, is er niemand meer om te bellen.

In 2008 stelde ik met Coen Peppelenbos een themanummer van Tzum samen over A. Marja. Daarvoor benaderde ik drie oude vrienden van de in 1964 gestorven dichter. Van Langen kreeg ik per kerende post een grote envelop waarin vijf getikte vellen met zijn levendige herinneringen aan Marja. Ze vertoefden in vooroorlogs Groningen in kringen van veelbelovende schrijvers en schilders. Langen wist Marja mooi te typeren: ‘meester in het mengen van hartelijkheden en hatelijkheden’. In de begeleidende brief leverde hij een korte autobiografie aan, omdat hij veronderstelde dat ‘niet alle lezers van uw tijdschrift literatuurgeschiedenis hebben gestudeerd’. (Ferdinand Langen behoorde tot de ‘vergeten schrijvers’, een tegenwoordig populair genre.)

Sindsdien hadden we geregeld contact. Hij schreef me brieven, gericht aan ‘Waarde directeur’. Ik stuurde hem nu en dan een pakket met uitgeprinte stukjes voor Artistiek Bureau. Vaak maakte dat weer iets los bij hem. Kwam hij in een tekst van mij de naam ‘H. Drijvers Jr.’ tegen, dan dook hij zijn archief in om interessante brieffragmenten over te tikken. Hij had Henk en Dini Drijvers uiteraard persoonlijk gekend.

Mijn stukjes vond hij het leukst wanneer ze niet zo braaf waren. Of een tikje vilein eindigden. Hij had ‘heel erg gelachen’ om ‘De dikste maatjes’ (over Connie Palmen en Hans Warren).

Het mogen dan details zijn die je opspoort, maar ze zijn wel waardevol en voegen vaak iets peperachtigs toe aan de auteurs die je noemt.

In zijn brieven bleef hij me voeren met details over literaire figuren. Er kwam een stroom aan particuliere herinneringen op gang.

Aan Hendrik de Vries, zijn overbuurman in Groningen, met wie hij ‘s avonds ‘rondjes Bernoulliplein’ liep (‘daarbij wriemelde hij zijn beweeglijke vingers in elkaar, soms kon hij ze als we afscheid namen moeilijk weer uit elkaar krijgen’). Aan Reinold Kuipers, met wie hij eens per week een kop koffie in De Poort van Cleef ging drinken (‘bij die koffie bestelde Reinold altijd een portie leverworst’). Aan Lucebert, die op bankjes in het Vondelpark sliep en door hem weleens op een maaltijd bij de Chinees werd getrakteerd (‘veel voor weinig’). Aan Johan van der Zant, buurjongen op de Stadhouderskade in Amsterdam, die wilde weten wat Ferdinand van zijn liefdespoëzie vond (‘niks dus, maar wat mij opviel was de naam die hij eronder had gezet: Hans Andreus’). Aan de ex van Andreus, die lesbisch werd, een verhouding kreeg met omroepmanager Marijke Rawie, wier broertje nogal eens in geldnood verkeerde (‘een beginnend dichter, die soms geen brood op de plank en geen drank in het glas had’). Aan Max Dendermonde, die strontlazarus zijn auto in de heg parkeerde. Aan de logeerpartij van Reve en aan de handdruk van Claus.

Voor iemand die zei dat hij eigenlijk niet van terugblikken hield, keek hij opvallend vaak terug.

Een enkele keer kon ik iets terugdoen. Halverwege de jaren ’50 had hij de literatuur verruild voor een baan in de marketing (‘daar leerde ik wat een liquid lunch was’). Zijn uitgever Kuipers had hem gescout vanwege zijn kraakheldere stijl. Heel wat jaren had Ferdinand zijn creativiteit in zijn baan gestopt. Pas in 1981 verscheen er van zijn hand weer een verhaal, in een bundel ter ere van Geert Lubberhuizen, die afscheid nam van De Bezige Bij. (Bij dezelfde uitgeverij was Ferdinand gedebuteerd, had hij een tijdschrift opgericht en een boekenreeks geredigeerd.) Ook wilde hij zijn eigen werk weer compleet in de boekenkast hebben staan. In 2009 maakte ik hem blij met twee exemplaren van zijn enige in Duitsland verschenen boek. Zijn eigen exemplaren van Rot mit weissen streifchen, vermoedde hij, waren in 1957 meteen bij zijn ‘voormalige vijanden’ beland. (In dezelfde reeks van Langen Müller uit München verschenen vertalingen van Annie M.G. Schmidt en S. Carmiggelt.)

Van zijn belangstelling voor marketing had hij al blijk gegeven in een interview met Willem Elsschot. Voor de Haagse Post had hij – in een dag op en neer naar Antwerpen – in februari 1952, ter gelegenheid van de Boekenweek, de Vlaamse schrijver thuis opgezocht. Aan het eind van het artikel spreken beide schrijvers over de beste manier om voor een boek reclame te maken. Overigens was Ferdinand achteraf ontevreden over zijn interview.

Elsschot beantwoorde plichtmatig mijn vragen. Toen hij op de klok keek en mij vroeg mee te gaan naar zijn stamkroeg, heb ik beleefd geweigerd. Stom! Natuurlijk had die man met een slok op veel meer te vertellen.

Vier, vijf keer ben ik bij Ferdinand en zijn vrouw op bezoek geweest. Het waren vrolijke gesprekken die we voerden, zelden over de literatuur van vroeger. Op de grote hoekbank in de woonkamer lag meestal een stapel boeken uit de plaatselijke bibliotheek. De nieuwe Van Dis, de nieuwe Wieringa. Over Het boek Ont van Anton Valens was hij laaiend enthousiast. Om stipt vijf uur verplaatsten we ons dan naar het barretje in de keuken. Daar gingen we iets sterkers drinken dan thee. (Wie anders dan Ferdinand Langen publiceerde in 1945 het verhaal ‘Het recht op een borrel’.) Als ik ‘s vrijdags kwam, kreeg ik een gebakken visje van de markt, alvorens ik op de Brink in Laren op de bus naar station Hilversum stapte.

Altijd waren zijn brieven in rood en zwart op een elektrische schrijfmachine getikt. Toen een winkeltje voor schrijfwaren in de Oude Kijk in ‘t Jatstraat opheffingsuitverkoop hield, kocht Ferdinand de hele voorraad machinelint op.

En altijd stonden er spitsvondigheden in zijn brieven. Net als in zijn romans, in de dialogen met name, kon hij je listig op het verkeerde been zetten. Hij stond tamelijk zorgeloos in het leven. Bij de dood van Ton Lutz:

Mijn kapper die altijd heel goed geïnformeerd is, zegt: dood gaan we allemaal.

De laatste post uit Laren kwam naar aanleiding van de geboorte van mijn zoon: ‘Dag moeder Dag vader En hallo klein knuffeljoch’. Een lieve brief, ondertekend door ‘2 oude ervaringsdeskundigen’.

Zure opmerkingen

Aan zijn feuilleton ‘Gatenkaas met billenkoek’ – voorheen getiteld ‘Hoepeltjes springen bij groeizaam weer’, nu omgedoopt tot ‘De hoedjes van Rimbaud’ – heeft antiquaar en Büch-intimus Eric Schneyderberg een nieuwe aflevering (mirror) toegevoegd.

Ik wil een mysterie!
Waar is dat mysterie?
Het motief van de biograaf, dat is een mysterie!

In ‘Boudewijn Büch, Gerard Reve en een vreemd artikel’ uit hij kritiek op een stuk dat Eva Rovers in 2015 voor het Tijdschrift voor Biografie schreef. Schneyderberg verwijt haar een mysterie omtrent het beruchte Parool-interview van Büch met Reve te scheppen door niet van het haar ter beschikking gestelde materiaal gebruik te maken. Ook zou zij in haar artikel niet de werkelijke reden van de breuk tussen Büch en Reve hebben weergegeven.

Tegenover de ‘zure opmerkingen’ van een oude vriend staat het nieuws dat Eva Rovers’ dikke boek officieel is aangekondigd. De door Schneyderberg gevreesde biografie zal Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch heten. Uitgeverij Prometheus brengt de eerste druk gebonden op de markt.

Opdracht van Gerrit Komrij

Ivan Wadiemovitch Sitniakowsky schreef een paar duizend boekbesprekingen, nam honderden schrijversinterviews af en publiceerde één boek. In het 32 bladzijden tellende Opdracht van W.F. Hermans (1999) verzamelde hij anekdotes over zijn ontmoetingen met de schrijver en somde hij op welke boeken hij van Hermans cadeau kreeg, al dan niet van opdrachten voorzien.

Behalve van het werk van Hermans was Sitniakowsky een liefhebber van dat van Gerrit Komrij, met name van diens poëzie en essayistiek. Op 6 januari 1973 besprak de 28-jarige recensent, freelancer nog voor De Telegraaf, de vierde dichtbundel van de 28-jarige dichter:

Ik heb aan die bundel een plezierig uurtje beleefd, niet in het minst omdat alles er anders verloopt dan in de hooggestemde “officiële” wereld der Nederlandse dichtkunst. Er zitten in deze bundel naar mijn smaak geen clichés, niet in de manier waarop hij regels laat rijmen of bijna net niet rijmen, noch in de beelden en gedachten zelf.

Niet door Sitniakowsky ondertekend maar ongetwijfeld ook door hem geschreven was het bericht van 26 januari 1974 dat er de laatste tijd een ‘kleine opleving’ in de belangstelling voor ‘bibliofiele boeken’ te bespeuren viel. Als enig voorbeeld werd genoemd de door C.J. Aarts uitgegeven bundel Op de planken (1973) van Komrij. Toen later dat jaar Daar is het gat van de deur (1974) verscheen, stelde Sitniakowsky Komrij’s kritieken en essays op het niveau van Mandarijnen op zwavelzuur.

En hij bleef Komrij loven en prijzen. In Fabeldieren (1975) stonden, volgens Sitniakowsky, ‘geen mislukte gedichten’. Horen, Zien en Zwijgen (1977) was ‘weergaloos’ en moest verplichte lectuur worden voor iedereen in Hilversum, ‘van omroepbons tot programmamaker’. Dood aan de grutters (1978) noemde hij een charmant pamflet. De vette kop boven de door ‘I.S.’ geschreven recensie van Papieren tijgers (1978) luidde ‘Vorstelijke essays van Komrij’. De gelukkige schizo (1985): ‘een schitterend boek vol venijnige uitvallen’. Intimiteiten (1993): ‘uitzonderlijk’ (‘zoals het gehele oeuvre van Komrij’). In zijn boekbesprekingen wees Sitniakowsky de lezers van De Telegraaf bovendien op het bestaan van genummerde en gesigneerde luxe-edities.

Op 19 januari 1979 vroeg Sitniakowsky zich op de pagina ‘Uit de kunst’ hardop af waarom Komrij, na ‘een waanzinnig produktief jaar’, nog steeds geen literaire prijs had gewonnen. Aan het slot van zijn betoog signaleerde hij een verzamelwoede bij Komrij-lezers:

Zijn nog maar kort geleden in beperkte oplage verschenen dichtbundels zijn al gezochte verzamelobjecten geworden, die voor gepeperde bedragen van de hand gaan.

En als het niet zo was, dan was het nu wel zo. Het stond immers zwart op wit in De Telegraaf.

Uit zoveel waardering moet haast wel een vriendschap ontstaan. Dat gebeurde. Sindsdien werd Sitniakowsky’s eigen verzameldrift bevredigd door de schrijver zelf. Als een van de weinigen hoefde de recensent niet te betalen voor Capriccio (1979), de zo fraai door Sub Signo Libelli gedrukte homo-erotische gedichtencyclus. Hij kreeg een luxe-exemplaar hors commerce, waarvan er slechts vijf waren gedrukt.

Het neusje van de zalm van de laaglandse boekdrukkunst en de krant van wakker Nederland was overigens een wonderlijke combinatie. De enige keer dat meesterdrukker Ger Kleis tot het herdrukken van een SSL-uitgave besloot was nadat daarover op 27 februari 1981 in De Telegraaf had gestaan: ‘fraai uitgegeven voor weinig geld’. Het betrof twee gelegenheidssonnetten van Willem Kloos, voor wie geen enkele reguliere uitgever op dat moment belangstelling had. Sitniakowsky zou nog een paar keer over Sub Signo Libelli-uitgaven schrijven, altijd enthousiasmerend.

In een zojuist verschenen Komrij-catalogus staan twaalf titels met een handgeschreven opdracht van Gerrit Komrij aan Ivan Sitniakowsky. De inscripties variëren van het beknopte ‘Voor I.’ tot ‘voor Ivan,/ als herinnering aan een/ paar heerlijke/ februari-dagen!’. Deze laatste opdracht staat in De pagode (1990), een souvenir dat Sitniakowsky overhield aan een verblijf in Vila Bouca da Beira. Op 2 maart 1990 vulde Sitniakowsky de pagina ‘Uit de kunst’ met een groot interview met Komrij, waarbij ‘exclusieve foto’s’ werden afgedrukt, en een voorpublicatie van Komrij’s nog te verschijnen roman Over de bergen (1990).

Van een enkel boek kreeg Sitniakowsky, blijkens de opdracht, zelfs het allereerste exemplaar.

In deze verkoopcatalogus zit een boek verstopt. Het tweede boek van Ivan Sitniakowsky, dat ongeschreven bleef.