Groene giro-envelop

Van de duizenden brieven die A. Marja in zijn korte leven moet hebben geschreven zijn er naar schatting nog driehonderd overgeleverd. Het gros ligt in de geklimatiseerde kelders van het Literatuurmuseum, maar er zijn er ook nog wel bij particulieren te vinden. Mijn eerste, door een jonge A. Marja ondertekende brief schafte ik aan op 27 november 2007 bij het Utrechtse antiquariaat Hinderickx & Winderickx. Nummer 77 uit catalogus 32.

Inmiddels ben ik tientallen originele brieven rijker. Handgeschreven kattebelletjes en lange, op rijm gestelde epistels uit de schrijfmachine. Enkele brieven kon ik na lang speuren traceren bij correspondent of nabestaande, maar voor de meeste was ik aangewezen op het antiquariaat.

De handel in handschriften van Nederlandse literatoren kwam tot bloei in de ‘roaring eighties’ (Buijnsters). Antiquaren als Willem Huijer, Max en Wilma Schuhmacher en Piet van Winden specialiseerden zich (ook) in manuscripten. Zaken als Demian, Fokas Holthuis en Hinderickx & Winderickx kwamen er in de negentiger jaren bij, met in het aanbod altijd wel een manuscript en ook volledig aan handschriften gewijde catalogi. Soms was daar een door Marja aangeraakt velletje papier bij.

De dichter zelf heeft ook in handschriften gehandeld, blijkt nu uit J.B.W.P. Het leven van Johan Polak (2017) van Koen Hilberdink. Polak en Marja kenden elkaar van het tijdschrift Cartons voor Letterkunde (1959-1962), waaraan de een als redacteur verbonden was en de ander poëzie en proza afstond. (Polak & Van Gennep zou in 1963 de elfde en laatste uitgeverij zijn die nieuw werk van A. Marja uitbracht: de dichtbundel Van de wieg tot het graf.)

Arme dichters wisten Johan Polak, de miljonair met een manuscriptenmanie, wel te vinden. Simon Vinkenoog en Gerard Reve verkochten delen van hun inkomende en uitgaande correspondentie voor harde guldens aan verzamelaar Polak. De immer in geldnood verkerende A. Marja vulde Polaks ‘bibliofiele archief’ aan met aan hem gerichte brieven van Nel Noordzij, Koos Schuur en Hendrik de Vries. Hilberdink citeert in zijn Polak-biografie Marja’s dankbrief van 4 augustus 1960:

Vanmorgen werd mij een groene giro-envelop nagezonden, waaruit ik jouw waarlijk christelijke (d.w.z. in wezen joodse) naastenliefde kon konkluderen.

De handel in aan A. Marja geadresseerde brieven is echter eerder op gang gekomen. De eerste verkoopcatalogus waarin aan Marja gelieerde manuscripten werden aangeboden dateert van 1954. Het Arnhemse antiquariaat Gijsbers & Van Loon bood in Lilliput 31, hun bekende gestencilde catalogus, een ‘verzameling brieven en gedichten van Nederlandse letterkundigen, gericht aan de schrijver A. Marja’ aan. Twaalf in getal, uit de periode 1936-1944, waaronder brieven van Blaman, De Mérode, Nijhoff en Vestdijk.

De Koninklijke Bibliotheek kocht de collectie, waardoor deze brieven voorgoed buiten het bereik liggen van de kooplustige particuliere verzamelaar. ‘Ter inzage’: aanraken, lezen en besnuffelen kan wel, maar de brieven moeten voor sluitingstijd worden afgegeven bij de baliemedewerker.

De ezelsoren van Joost Zwagerman

In april mocht ik mij beroepshalve een paar dagen opsluiten in de boekenkast van Joost Zwagerman. Na zijn dood waren de zesduizend boeken in zijn Haarlemse woning onverhoopt verweesd geraakt: enkele tientallen belandden daarna bij Zwagermans beste vrienden, maar het leeuwendeel ging naar het antiquariaat. Het was mijn taak om ruim honderd boeken met eigendomskenmerken van Zwagerman bibliografisch te beschrijven voor een kleine verkoopcatalogus (.pdf).

Joost Zwagerman was, zo werd mij snel duidelijk, geen bibliofiel. In zijn ogen was een boek een gebruiksvoorwerp: hij maakte ezelsoren, knakte ruggen en schreef veelvuldig in de kantlijn. Zwagerman was een heavy user. Ieder ander zou ik deze barbaarse omgang met boeken ernstig kwalijk hebben genomen. Nu het een bekende schrijver betrof waren de gebruikssporen en leestekens ineens interessant.

De aangestreepte passages en omgevouwen hoeken in de boeken van Douglas Coupland zie ik als de eerste bouwstenen van Zwagermans belangrijke essay ‘Net zo verloren als alle anderen. De generatieromans van Douglas Coupland’, opgenomen in In het wild (1996). De ezelsoren in David Vanns Caribou Island (2010) en in Dit is water (2011) van David Foster Wallace verhullen niets: op de betreffende bladzijden gaat het over zelfmoord.

Hoe zit het eigenlijk met de leeswoede van Zwagermans personages, vroeg ik me af toen de klus geklaard was.

Dat er wordt gelezen in de boeken van Joost Zwagerman, staat buiten kijf. In zijn debuutroman De houdgreep (1986) voert de schrijver een personage op dat boeken zelfs ‘verslindt’. De keuze van precies dat werkwoord licht Zwagerman tussen haakjes toe: ‘nee, er is geen ander woord dan het doorkookte ‘verslinden’ voor haar leesgedrag’.

In Vals licht (1991) dwaalt middelmatig student Nederlands Simon Prins door de rosse buurt, als zijn interesse wordt gewekt door een exemplaar van de Volkskrant in de vensterbank van prostituee Lizzie Rosenfeld. ‘Zo er achter het raam al werd gelezen, dan was het de PrivéDe Telegraaf of deeltje zoveel uit een damesromannetjesreeks’. De hoer is nogal in trek, Simon staat te dralen voor haar raam, is de derde wachtende in de rij. Na nog een rondje over de Wallen heeft er een rangschikking plaatsgevonden: nu ligt er een Nooit meer slapen in de vensterbank, ‘opengeslagen, met de rug omhoog, het omslag verfomfaaid, een aantal bladzijden voorzien van ezelsoren’.

In een van zijn aangrijpende vader-gedichten in de bundel Voor alles (2014) beschrijft Joost Zwagerman de zelfmoordpoging van zijn vader. De dichter verplaatst zich in de man die een overdosis pillen nam. Hij blijft echter in leven en wordt wakker op wat zijn sterfbed had moeten zijn. Zijn ‘versufte blik’ richt zich op ‘nachtkastje,/ een pocketboek met ezelsoor,/ twee wattenstaafjes,/ handvol lege pillenstrips’.

Meerdere voorbeelden van onbesuisd lezen vond ik in de humoristische roman Chaos en rumoer (1997). Daar is het radiopresentator Stan die in de marge van het draaiboek af en toe een trefwoord noteert. Riekje, redactrice van het radioprogramma, verschijnt op de redactie met een spraakmakende roman. Haar exemplaar is ‘vergeven van de ezelsoren’, hier en daar steken stroken papier tussen de bladzijden uit. Omroepbaas Berend maakt tijdens een vergadering ‘energiek’ een ezelsoor in zijn agenda.

Wat mag ik uit deze steekproef concluderen? Dat Joost Zwagerman echte werelden met echte lezers schiep. Een scheefgelezen boek maakt van een uit letters op papier bestaande constructie een mens van vlees en bloed. De personages van Zwagerman volgden trouw het voorbeeld van hun schepper. Exemplarisch is het woord dat hier perfect past.

Deze column verscheen eerder op de website van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (11 mei 2017).

 

Escobars dummy

In de eerste twee seizoenen van de Netflix-serie Narcos, over de opkomst en ondergang van drugsbaron Pablo Escobar, speelt het boek hoegenaamd geen rol. Alleen Gustavo de Greiff, de procureur-generaal van Colombia, laat in een enkele aflevering zijn goed gevulde, antieke boekenkasten zien, zodat de kijker zich realiseert dat hij hier met een intellectueel te maken heeft.

Eenmaal slechts overstijgt het boek de functie van dode rekwisiet. Wanneer Escobar op 19 juni 1991 zijn intrek neemt in de door hemzelf gebouwde, idioot luxe privé-gevangenis La Catedral, neemt hij een boek mee. Het is een foliant van zwart leder, met op het voorplat, in goud uiteraard, de beeltenis van Escobar en diens naam in kapitalen.

Het glimmende boek blijkt een dummy te zijn: in de negende aflevering van Narcos vult de drugsbaron het boek met herinneringen. Foto’s uit zijn jeugd, krantenknipsels, zelfs zijn vroegste mug shot belandt in het boek. Escobar is druk in de weer met een tube bloedroodgekleurde lijm. Op de eerste lege bladzijde plakt hij een foto in van zichzelf met zijn geliefde ‘Tata’. Dat inplakken doet Escobar uiterst zorgvuldig. Hij strijkt elk knipsel vanuit het midden naar de randen toe glad, zodat er geen bobbels of vouwen kunnen ontstaan. Met een fineliner zet hij er bijschriften bij.

Als het Colombiaanse leger een jaar later La Catedral bestormt, weet Escobar wonderwel uit zijn vijfsterrennor te ontsnappen. Pas nadat het leger de gevangenis heeft schoongeveegd, kunnen DEA-agenten Murphy en Peña kijkje nemen. De hoofdpersonen van Narcos wandelen Escobars kantoor in La Catedral binnen. Daar vinden ze opnameapparatuur, pornoblaadjes en de zwarte pil met Pablo’s gouden kop voorop. Peña houdt het boek omhoog en zegt tegen zijn collega:

This and Mein Kampf. Two classics of 20th century literature.

Het sjieke plakboek van Escobar is geen vondst van de scenarioschrijver. Ten tijde van zijn gesloten verblijf is de drugsbaron daadwerkelijk met een boek bezig geweest. Maar aan de werkelijkheid is, zoals wel vaker bij Netflix-producties, ‘for dramatic purposes‘ een draai gegeven.

In 1992 gaf Escobar, vermoedelijk in een oplage van enkele honderden stuks, in eigen beheer Pablo Escobar Gaviria en Caricaturas 1983-1991 uit. Op de band van stug donkerbruin kalfsleer staat Escobars handtekening in 18-karaats goud, naast een duimafdruk. Het binnenwerk bevat foto’s van de familie Escobar, evenals een reeks spotprenten van Pablo en documenten in facsimile. Op 2 juni 1992 was het drukwerk gereed, meldt het colofon – alsof het een incunabel betreft. Voor incunabelprijzen wordt het megalomane boek nu en dan aangeboden. James Cummins, een betrouwbaar adres voor bijzonderheden, kan momenteel een exemplaar leveren voor negenenhalfduizend dollar.

Het lekkere verhaal

Van Jagtlust (1998), de meeslepende geschiedenis van de roemruchte kunstenaarskolonie in een Blaricums landhuis, zijn intussen veertien drukken verschenen. Geen slechte score voor ‘verhalende non-fictie’; ‘hardnekkig’ noemt schrijver Annejet van der Zijl haar boek zelf, in het voorwoord bij de tiende druk.

Ik was verkocht, toen ik het de eerste keer las. Jagtlust is knap werk: de informatie wordt precies goed gedoseerd. Het verhaal van de vele schrijvers en schilders is charmant. De vrijheid-blijheid-sfeer wordt jaloersmakend getekend. De hoofdpersoon van Jagtlust, de fenomenale Fritzi, was voortaan mijn heldin.

Maar toen ik Jagtlust eens ter sprake bracht bij Ferdinand Langen, keurde hij het resoluut af. Ik had een gevoelige snaar geraakt. Het was een populair boek, maar veel was bezijden de waarheid. Of het was een tikkeltje respectloos tegenover de betrokkenen. Ferdinand kon zich opwinden over hoe bijvoorbeeld Gilles de Marechal, de enige zoon van Fritzi, erin werd afgeschilderd. Ook Paula zat hoofdschuddend op de bank.

Wat ik niet wist: de hoofdpersoon van Jagtlust vond Jagtlust ook afschuwelijk. In een recent interview met Maaike Meijer, die aan de biografie van F. Harmsen van Beek werkt, zegt zij dat de dichter na het verschijnen van het boek de straat niet meer op durfde.

Ze kreeg een acute depressie en voelde zich door het slijk gehaald.

Meijer hoopt de mythevorming rond Harmsen van Beek te verklaren, zo niet te weerleggen. Ze beschouwt Jagtlust als ‘het lekkere verhaal, dat iedereen wilde lezen’. Meijer wil het ‘sensationele beeld’ van de dichter ontmantelen.

De biograaf worstelt nog wel met een paar zaken, vertelt ze op de website van HP/De Tijd. Ten tijde van het grote feest op Jagtlust is Harmsen van Beek door een man uit het dorp verkracht. In Jagtlust geen woord daarover, en Harmsen van Beek heeft die traumatische gebeurtenis meteen onder het tapijt geveegd.

De stencilmachinerevolutie

Op het omslag van zijn tijdschrift Van proefschrift tot communiqué zette Esteban López trots voor zijn naam:

samenstelling, vermenigvuldiging, verspreiding, inning.

In de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw had je helemaal niemand nodig om een literair tijdschrift te maken, behalve een pak papier, een schrijfmachine en een stencilmachine. En misschien toch ook: abonnees.

Barbarber (1958-1972), waarschijnlijk het bekendste stenciltijdschrift, werd al snel ingelijfd door Querido, omdat uitgeverijdirecteur Reinold Kuipers wel iets geks aan zijn fonds wilde toevoegen. Zonder de druk- en afzetmogelijkheden van een grote uitgeverij had Barbarber het, denk ik, nooit zo lang volgehouden.

Tijdschriften als Kadans (1961) en Spaak (1964) maakten hun eerste jaargang niet eens af. Andere tijdschriften die de stencilmachine amper draaiende konden houden, lukte het een doorstart te maken: Bouke Jagts periodiek Scripta Manent (1959-1960) ging op in Reprimande (1959-1960). López begon in 1955 met Proefschrift, maakte vier overgangsnummers onder de titel Van proefschrift tot communiqué, om in 1957 te vervolgen met Vertoning. De meeste van zijn vaste medewerkers, onder wie Heere Heeresma en Jan Arends, nam hij mee.

Officiële verkoopkanalen (anders dan verspreiding op het middelbare schoolplein, de mensa en in het café) hadden deze literaire tijdschriften niet. Het ondergrondse karakter komt ook tot uitdrukking in het nogal losjes omspringen met het fenomeen copyright: bekende gedichten van Campert en Lucebert werden herdrukt zonder toestemming van dichter of uitgever. Als poëzie je op het lijf geschreven is, trek je je niets aan van juridische kwesties.

En net zo makkelijk werden bijdragen gerecycled: beginnende schrijvers stuurden hun kopij naar verschillende tijdschriften, blij met alles wat geplaatst werd. Ook al ging het soms om hetzelfde stuk. In 1959 zag Frans Pointl (die zelfs Hugo Neirinckx te Merelbeke (België) ten behoeve van diens obscure Argo-Cahiers met nieuw werk bestookte) zijn gedicht ‘kinderverdriet’ zowel in het ‘algemeen niutanistisch periodie’ Dim Dom staan als in literair maandblad Debutant. Honorarium was er overigens niet; twee keer niks is niks.

Een publicatie in een stenciltijdschrift is vergelijkbaar met een optreden in een achterafzaaltje voor het grote podium binnen bereik komt. Iedereen begint onderaan de ladder.

De met Het Plein, Dwars, Muza en Spaak vergelijkbare tijdschriften uit de Verenigde Staten worden heftig verzameld. Men spreekt daar van de Mimeo Revolution, naar het gelijknamige apparaat waarmee de tijdschriften goedkoop en gemakkelijk gedrukt werden. Particuliere en institutionele verzamelaars gebruiken het ‘ground-breaking source book’ A Secret Location on the Lower East Side (1998) als checklist. Bloggers proberen elkaar met zeldzame aanwinsten af te troeven. Een losse aflevering van Ed Sanders’ Fuck you. A magazine of the arts (1962-1965) is onvindbaar – en anders wel onbetaalbaar.

In Nederland begint de aandacht voor stenciltijdschriften langzaam toe te nemen. Bibliofilie van de twintigste eeuw was altijd verbonden met hoge heren en hun trapdegels, voor wie eeuwigheid altijd voor ogenblik ging. Het begint nu te kantelen, heb ik gemerkt. De makers van stenciltijdschriften hadden geen typografische achtergrond. De kracht van dit functionele, hyperactuele drukwerk zit in de roestige nietjes en de rafelranden, niet in de scheprand. Steeds meer mensen zien dat.

Omdat stenciltijdschriften van hand tot hand gingen, verkeren ze nooit in nieuwstaat. Een Mimeo-verzamelaar looft koffievlekken en prijst vliegenpoep. Handgeschreven adressen en scheefgeplakte postzegels op het omslag: alles ter verhoging van de rauwe, ruige en aanraakbare esthetiek.

Deze column verscheen eerder op de website van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (23 maart 2016).