Boekenoverschot

In Het verzamelen van boeken (1992) zette Piet J. Buijnsters de basisprincipes uiteen van het aanleggen en onderhouden van een boekencollectie. In opdracht van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen schreef Paul van Capelleveen het ultieme anti-boek, de langverwachte pendant: De complete verzameling. Notities over het einde van boekencollecties (2016). Het zevende hoofdstuk van deze verkapte handleiding heet ‘De kunst van het wegdoen van boeken’.

Schrijvers, bij wie het boek over het algemeen in hoog aanzien staat, ruimen hun boekenkast geregeld op. Weggeven, weggooien. Van Capelleveen nam de interviewreeks ‘De boekencollectie van’ op Boekensalon door en ging turven: van de 73 schrijvers en boekenvaklui deden er 46 ‘vaak’ boeken weg, 7 ‘soms’ en 18 ‘nooit’. Als boeken wegdoen inderdaad een kunst is, dan gaf Kees van Kooten het kunstzinnigste antwoord op de vraag hoe en waar je boekenoverschot te dumpen.

Wanneer ik ergens in het land mag komen voorlezen uit eigen werk, neem ik een grote tas overbodige boeken mee, die ik na de voorstelling in het geniep door de brievenbussen van de huizen in de buurt van het theater duw. Eén boek per adres. Want één boek kan iedereen er toch nog wel bij hebben?

In zijn column ‘De Boel’, opgenomen in de bundel Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (1998), beschrijft Remco Campert heel mooi hoe een poging tot het wegdoen van boeken eruitziet.

De dag dat je hebt besloten je boekenbezit te decimeren, regent het. Dat hoort zo. […] In het begin tast je kordaat toe, een man die gewend is beslissingen te nemen. Al snel vormt zich een stapel boeken die je nooit meer hoeft te zien. Maar niet lang daarna ontstaat hiernaast een steeds aangroeiende stapel van twijfelgevallen. Die kan wel weg, denk je het ene moment, nee toch niet, het volgende. En nog wat later – buiten is het gaan plenzen, je hebt het licht aangedaan – zit je te lezen en ben je vergeten waar het ook alweer om begonnen was.

Enkele geïnterviewden op Boekensalon gaven toe bang te zijn gezichtsverlies te lijden door bepaalde boeken af te danken. Het moeilijkst, aldus Campert in 1998, is het wegdoen van boeken die je cadeau hebt gekregen. Het allermoeilijkst zijn de boeken

die je met een welgemeende opdracht van de auteur zelf kreeg. Soms zijn dat helemaal geen goede boeken. De kans dat zo’n auteur op een rommelmarkt zijn eigen boek met opdracht aantreft, is niet denkbeeldig. Ik spreek uit ervaring, want ik heb weleens een van mijn boeken op zo’n plek aangetroffen, voorzien van mijn handtekening en een betuiging van vriendschap aan de ontvanger gericht. De vriendschap gaat sindsdien niet echt meer van harte, hoewel het mijn eer te na is om iets te laten merken.

Campert verzandt in twijfels en afwegingen.

Voor je alles weer terugzet, duurt even. Nog geruime tijd staan de stapels op de vloer, als stil bewijs van je poging tot trouweloosheid.

Intussen kan Remco Campert zich makkelijker van zijn boeken losmaken. De oude schrijver is aan het onthechten. Op diverse plekken zijn de laatste jaren boeken uit Camperts bibliotheek opgedoken. De mooiste boeken, veelal voorzien van vriendschappelijke opdrachten aan Campert, belanden tegenwoordig in Antwerpen, waar René Franken zich erover ontfermt.

In ‘De boekencollectie van’ is het vergeefs zoeken naar Wiel Kusters, maar vorige week werd duidelijk dat hij zijn boekenverzameling aan het uitdunnen is. Via boekwinkeltje Pim Pleisters uit Maastricht, genoemd naar de hoofdpersoon van Kusters’ jongste uitgave, biedt de schrijver momenteel tien boeken te koop aan. Enkele auteursexemplaren (op verzoek gesigneerd), evenals opdrachtexemplaren van Gerard Walschap, Albert Helman, Adriaan van Dis en Tomas Tranströmer.

De bibliofiel is een kleine zelfstandige geworden.

concludeert Paul van Capelleveen aan het slot van De complete verzameling. De schrijver ook.

De oorlog doorkomen

Grote roem verwierf Jan Bons met zijn affiches, ontworpen voor de toneelgroepen De Appel (Amsterdam) en Studio (Den Haag) en voor het IDFA. Minder bekend is het feit dat Bons, nog geen dertig jaar oud, in de oorlogsjaren illegale uitgaven drukte en illustreerde. In de zomer van 1944 maakte hij zelfs een boekje in een oplage van twee exemplaren.

Dit ontdekte historicus Bart de Cort, die aan een biografie van de schoonvader van Jan Bons werkt. Bons was getrouwd met Noor Dekker, een dochter van de socialistische schrijver Maurits Dekker. Vanuit Canada mailt De Cort me zijn verhaal.

Aan het begin van de oorlog woonde Jan Bons op Keizersgracht 522 met de fotograaf Carel Blazer, de journalist Maarten (‘Mik’) van Gilse en de fotograaf Violette Cornelius. Alle vier zouden ze op hun eigen manier een belangrijke rol gaan spelen in het verzet tegen de bezetter. Bons maakte zich zeer verdienstelijk, eerst bij het laten wegkomen van joodse vrienden via IJmuiden, de verspreiding van illegale krantjes, het onderbrengen van onderduikers, en aansluitend als bewerker van persoonsbewijzen. Bij deze vervalsingen werkte hij samen met Gi en Janka Boissevain van de verzetsgroep CS6.

Geheime vergaderingen met kunstenaars als L.P.J. Braat en Henk Henriët, die net als Bons weigerden voor de Kultuurkamer te tekenen, vonden weleens plaats in de woning van Bons op Prinsengracht 256. Daar organiseerde Bons ook een clandestiene tentoonstelling die ongeveer vijftig bezoekers kende, meest vrienden en bekenden.

De drukker Frans Duwaer kende Bons al uit de tijd van zijn vroege ontwerpen. Bons mocht in 1943 in diens Drukkerij J.F. Duwaer & Zonen zelf met de hand teksten van Kafka zetten in de 12-punts Mediaeval. Das Stadtwappen, verluchtigd met zeven litho’s van Bons, was vanwege de ‘heersende cultuurhonger’ (Bons) meteen uitverkocht. Een jaar later verscheen bij De Vijf Ponden Pers van A.A. Balkema Kafka’s Ein Landarzt met illustraties van Bons.

Over Duwaer heeft Bart de Cort nog een mooi verhaal. Want eenmaal ondergedoken in Landsmeer besprak Bons met Duwaer de mogelijkheid door middel van publicaties ‘de culturele banden met Frankrijk wat aan te halen’ (Bons), tijdens of anders na de oorlog. Bons vroeg aan zijn vriend Jaap Penraat om op zijn pendels naar Frankrijk foto’s van werk van Parijse schilders te verzamelen. Ook moest hij bij Kandinsky langs gaan. ‘Die gaf foto’s, gedichten en zelfs een origineel werk mee. […] Duwaer wilde meteen een clandestiene uitgave maken van 200 ex.’ (Bons in een terugblik). Dat werd 11 tableaux et 7 poèmes (1945), dat in vredestijd verscheen.

Uit het bibliofiele contact met Duwaer kwam meer verzetswerk voort. Duwaer begon stempels te leveren en regelmatig zat Bons bij hem op kantoor voor besprekingen. Daar liep hij een keer Gerrit Jan van der Veen tegen het lijf, die hij ondanks zijn ‘snor-bril-vermomming’ herkende. In dezelfde ruimte waar Duwaer alle weekends persoonsbewijzen stond te drukken maakte Bons samen met Duwaer Verzen voor een vriend drukklaar. De ‘vriend’ uit de titel is Bons’ boezemvriend Tom Koreman, die werd geëxecuteerd. Koremans zwangere vriendin Iara Wainschtok pleegde daarna zelfmoord. Het boek is daarom opgedragen ‘aan Tom en Yara’.

Door de arrestatie en executie van Frans Duwaer in juni 1944 verscheen Verzen voor een vriend pas in 1945 onder Bons’ pseudoniem Vernal. Maar het werd nog wel gedrukt op de persen van Duwaer, op papier van Barcham Green.

Voor de achtenveertigste verjaardag van zijn schoonvader Maurits Dekker, op 16 juli 1944, vervaardigde Jan Bons tekst en tekeningen voor een boekje in een oplage van precies twee exemplaren. Er staan een heleboel referenties – in woord en beeld – in naar het onderduikersbestaan van de commune ten huize van het artsenechtpaar Joop en Lies Odinot-Pruis in Landsmeer. Zangen van Mald’rdoor; Occupathologica heet het boekje en de titel heeft meerdere betekenissen. Allereerst is de satirische titel natuurlijk een verwijzing naar het vroeg-surrealistische De zangen van Maldoror (1868) van Comte de Lautréamont. In de tweede plaats refereert het naar een jeugdwerk van Dekker, de door De Lautréamont geïnspireerde roman Homo Cantat (1924). En in de derde plaats is het ‘rdoor’ uit de titel te lezen als ‘door de oorlog’. ‘Mal’ kan natuurlijk in de betekenis van ‘gek’ of ‘matrijs’. Dus: als een gek de oorlog door komen, of de oorlog doorkomen als in een matrijs gegoten. Het familie-exemplaar van Zangen van Mald’rdoor is zoek, maar het overgebleven exemplaar bevindt zich in de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam.

Na de oorlog zou Jan Bons nog twee boeken van zijn schoonvader illustreren: de verhalenbundel De knopenman (1947) en het in de A.P. jeugdserie verschenen boek De nieuwe toverdoos met tien sprookjes (1952).

Het zou een understatement zijn om te stellen dat Bons en zijn vrouw beschadigd uit de oorlog kwamen, aldus De Cort. In de hongerwinter zijn ze eens gaan tellen: van die vijftig bezoekers aan de clandestiene tentoonstelling bijvoorbeeld waren er zeker al dertig gefusilleerd of op een andere manier omgekomen. Bons kreeg al snel last van depressies en angsten, apathie, rug-, knie- en maagklachten, slapeloosheid òf leed juist aan overmatige slaap, eczeem, een spijsverteringsstoornis en reumatische pijnen. In zekere zin was het maar goed dat hij eigen baas was, want áls hij in staat was om te werken, dan kon hij tenminste zijn eigen werktijden bepalen. Soms kon hij hele perioden niet werken, dan weer werkte hij bij voorkeur ’s nachts.

Het mag een wonder heten dat Jan Bons, in al die jaren die volgden, nog zoveel moois heeft kunnen produceren.

Paars washandje

Driemaal is Jan Hanlo een interview afgenomen voor de schoolkrant. Camille Oostwegel deed verslag van zijn bezoek aan Hanlo in Helmgras, Hans Krol en een klasgenootje spraken met de schrijver voor het internaatsblad De Klaroen, en de drie meisjes Marja Pinckaers, Marianne van der Kleij en Geneviève Bastiaans bezochten Hanlo op maandagmiddag 17 mei 1965 voor hun schoolkrant De Springplank.

De laatste twee interviews nam Hanlo op achter in zijn prozabundel In een gewoon rijtuig (1966), vanwege ‘hun lichte en toch wel nuchtere informatieve toon’.

Een halve eeuw later herinnert Marja Pinckaers, die voor De Springplank het verslag van de ontmoeting met Hanlo maakte, zich niet dat Hanlo haar om toestemming heeft gevraagd de tekst van haar interview in zijn boek op te nemen. Of ze van de uitgever een presentexemplaar van In een gewoon rijtuig ontving, waar Hanlo Van Oorschot tweemaal per brief aan herinnerde, weet ze ook niet zeker. Het gesprek dat zij als derdeklasser met de schrijver voerde is haar wel altijd bijgebleven.

Ze omschrijft zichzelf als ‘een blaag van 15’, nog ‘groen achter de oren’ toen. Haar leraar Nederlands Lou Spronck had een gesprek met Hanlo gearrangeerd en Pinckaers mocht met twee meiden uit de hoogste klassen mee naar Valkenburg. Onvoorbereid. Op het Jeanne d’Arc-lyceum te Maastricht was in de Nederlandse les vooral aandacht voor ‘de (verspreiding en de klankverschillen) van de dialecten in het Limburgse’. Van moderne literatuur wist ze niets.

Over de schoolkrant van de katholieke meisjesschool, waarvoor Pinckaers ook Pierre Kemp interviewde, hoef ik me geen illusies te maken. De Springplank was ‘zeer braaf’, mailt ze me. De inhoud bestond uit

dromerige meisjes-gedichten, verslagen van sportieve school-bijeenkomsten, en soms een interview met een (lokale) beroemdheid.

Het verslag van Pinckaers is nog altijd lezenswaard, omdat het interieur van Hanlo’s poorthuisje er zo secuur in wordt beschreven. Ze vat het samen met ‘zalige rommel’: een stellage met gekleurde kleerhangers en jasjes, etenswaar op een plank (‘cetchup, spagetti, peper en sambal’), kindertekeningen boven het bed, ‘Amerikaanse kindertijdschriften’ op een bijzettafeltje en een knijpfles afwasmiddel op een paars washandje naast de wasbak. Een vreemd universum, waarin de meisjes ook nog thee in een glas aangeboden krijgen.

Marja Pinckaers benadrukt nu dat er tijdens het gesprek geen foto’s werden gemaakt. Ze maakte gewoon veel aantekeningen.

Ik ben, denk ik, van nature een observator. Ik onthou wat ik zie en schrijf graag in beelden. Vooral het detail boeit me. Dingen zien die niemand opvallen. Ogenschijnlijk onbetekenend. Ik weet nog dat ik dat paarse washandje zag en dacht: ik schrijf het op. Dat vind ik belangrijk. Voor de sfeer en voor het leven van Hanlo in dit huisje. En ik vond het ook interessant voor mezelf dat op te schrijven. Zo dicht op iemands huid te zitten. Via zijn washandje.

Kijkbuispubliek

In zijn essaybundel over zelfmoord en zelfmoordenaars in de Nederlandse letteren somt Brouwers ook nog levende schrijvers op, die zich nadrukkelijk over zelfmoord hebben uitgelaten. Na Komrij, Kars, Weemoedt, Hofland en Moonen komt Büch. Over hem schrijft Brouwers:

Dood en zelfmoord zijn overheersende thema’s in het werk van de dichter-romancier-journalist-criticus Boudewijn Büch, die dezelfde thema’s steevast ook vervlecht in interviews die hem worden afgenomen.

Hier komt de ‘autobiografictie’ weer om de hoek kijken. Vrienden en journalisten schotelde Büch ‘alternatieve feiten’ voor: zo zou zijn vader zichzelf van kant hebben gemaakt. In Büchs zogenaamd autobiografische boeken – ook die na De laatste deur (1983) zouden verschijnen: De kleine blonde dood (1985), Het Dolhuis (1987), Geestgrond (1995) – is er dus een vaderfiguur die zelfmoord heeft gepleegd.

Hun eerste kennismaking was een vluchtige. Brouwers en Büch spraken elkaar op 8 februari 1984 in de Pieterskerk te Leiden, kort voordat Rob Nieuwenhuys een eredoctoraat in de Letteren kreeg.

Bij de tweede ontmoeting tussen beide schrijvers, te huize Louwhoek in Exel, op 9 maart 1984, werd er voor de duur van één cassettebandje over zelfmoord gesproken. Klaas Koppe was erbij en maakte foto’s. De weerslag van het gesprek verscheen als interview in Het Parool. In het radioprogramma Het zout in de pap droeg Büch op de avond van 9 maart ‘een of ander pop-muziekstuk’ (Brouwers) over zelfmoord op aan Brouwers. Koppe meent zich te herinneren dat dat ‘Suicide is Painless’ was.

In hun nauwelijks ontsloten correspondentie is zelfmoord amper een onderwerp. Dat is althans mijn voorzichtige conclusie na lezing van Eva Rovers’ Boud (2016) en Yannick Dangres artikel voor het Literatuurmuseum. De schaarse citaten uit maar enkele van de achttien brieven die Büch tussen 1983 en 1986 van Brouwers mocht ontvangen, gaan vooral over Büchs veelvuldige verschijning in de media.

Houd op met dat gedoe op radio en televisie, ge-interview en stukjes-schrijverij. […] Als ik je zo zie, zie ik: de verdweiling van een authentiek en groot talent. Zak! Ga op je onrustige aars zitten en schrijf je meesterwerk!

schrijft Brouwers aan Büch op Valentijnsdag 1985. Een tweede vriendschappelijke aansporing uit de Achterhoek komt op 6 mei 1986. Büch moest zich aan schrijven wijden in plaats van

zo rond te rossen en je te laten kussen en pijpen door het laffe kijkbuispubliek

Intussen zat óók Brouwers elke vrijdagavond naar de ‘fietsiefietsie’ te loeren. Hij was een stille fan van Büchs boekenrubriek in het tv-programma De Verbeelding, in het bijzonder van het quizonderdeel. Büch beeldde dan drie boektitels uit, die de kijker moest raden. Aan Büchs boezemvriend Harry G.M. Prick stuurde Brouwers per brief steevast een samenvatting van de ‘pantomime-rebus’ en voegde daar zijn oplossing aan toe.

Boudewijn had een grote zak friet in zijn hand en schreide

beschreef Brouwers op 2 november 1983. Dat kon inderdaad alleen maar Het verdriet van België zijn.

Brouwers’ beschrijvingen van Büchs sketches zijn ontzettend grappig – nog grappiger dan Büchs verbeeldingen. Uit zijn brieven aan Prick, opgenomen in de magistrale brievenbundel Kroniek van een karakter (1987), blijkt bovendien dat Brouwers de wekelijkse quiz heel serieus nam. In een brief van 16 december 1983:

Daarna diepte Bo uit dat ‘bundeltje’ de briefkaarten op van ‘de prijswinnaars van de vorige keer’. Ik was er wéér niet bij, al had ik tachtig briefkaarten ingestuurd, alle ingevuld in van elkaar afwijkende handschriften en met verschillende pennen, kleuren inkt, balpennen, viltstiften, typemachines, enzovoort, en ook voorzien van tachtig verschillende afzenderadressen, door het gehele land heen, ontleend aan het postcodeboek.

Piekeraartje

Hier volgt de letterlijke weergave van een gesprek dat Hans van Straten op 8 februari 1967 had met zijn collega-journalist Piet Heil. Het typoscript van deze tekst werd aangetroffen in de literaire nalatenschap van Van Straten. Dit korte interview wordt hier voor het eerst gepubliceerd.

Je bent voor Het Vrije Volk redacteur geweest in het Gooi?

Jazeker, dat waren mijn eerste stappen op het journalistieke pad, mag ik wel zeggen. Dat is geweest van 1945 tot 1947.

In die tijd heb je ook Marja meegemaakt?

Marja is zelfs enige malen van mijn motorfiets gedonderd. Hij was namelijk nogal groot en zwaar en mijn motorfiets startte nogal snel, door een fout aan de koppeling, en schoot zogezegd als een snoek vooruit. En Marja viel dan achteruit.

Ik zie het haarscherp voor mij.

Hij woonde toen met zijn Puckje in het koetshuis van Kroonder, in Bussum.

Hij is je toneelmedewerker geweest.

Ja, ik heb hem een poosje aangehaakt. Het heeft niet zo lang geduurd. Wat hij toen voor beroep had, zo hij het al had, weet ik niet meer.

Hij zat toen bij Kroonder.

Ja, hij zat bij Kroonder, maar hij deed wat? Hij deed zelden iets.

Wat voor indruk heb jij van hem?

Mmm… moeilijk mens. Piekeraartje. Zwaar door de calvinistische wol geverfd.

Ja, zijn vader was wel dominee, maar toch geen calvinist! Die man stond bij de Vrije Evangelische Gemeente.

Ja, calvinisme gebruik ik dan ook niet in de strikte zin, meer als Nederlands verschijnsel. Theologisch gepieker, aangelengd met vele filosofieën. Maar het was wel gezellig. Je kon lekker ouwehoeren. Hij is tot in lengte van jaren wel de eeuwige puber gebleven. Poepgrapjes en zo. Een wat jongehondachtige jongen. Een ouwe jongen. Ach, ik mocht hem wel, ik had ook niet zo’n last van zijn practical jokes. Maar mensen die dat wel hebben gehad, vonden hem niet zo aardig.

Deed hij daar in het Gooi ook aan?

In het Gooi heb ik er nooit zoveel van gemerkt. Toen was hij ook nog niet zo bitter, ik weet het niet. Daar peinsde hij alleen nog maar. Later uitte het zich meer. Je kent toch het verhaal van dat briefje, dat hij aan Ferdinand Langen stuurde?

Ja, wat stond daar nou precies in?

Ze hadden hem gezegd dat ze een sociëteit wilden oprichten. Ab Visser was daarmee bezig.

Drieluik.

Ja, dat kan wel. Maar Marja schreef terug dat hij daar niet aan wenste deel te nemen, want het werd toch alleen maar een clubje voor ouwehoeren en beschaafd neuken. Dat had hij geschreven als ‘nöken’. En dat viel toen in handen van Ferdinands vader.

Ja, omdat hij het opzettelijk had geadresseerd ‘aan de heer Pannekoek’, zonder voorletters!

De clou van het verhaal is de wijze waarop Ferdinand zich eruit redde. Toen zijn vader vroeg wat ‘nöken’ betekende, zei hij: ‘Een Fins balspel.’ Waarom is het toch uit gegaan met Puckje? In die tijd ging het allemaal wel leuk. Ze was bezig een detective te schrijven. ’t Was wel een taaie actieve meid.

Hij kreeg op een gegeven moment een baan bij de reclassering in Den Haag en toen heeft hij zich tijdelijk, omdat hij niet voortdurend op en neer kon reizen van Bussum, op de Pauwhof neergelaten. Daar zat Louise Gaastra, een meisje dat in een leeszaal werkte. Daar heeft hij toen mee aangepapt en dat viel bij Puckje helemaal verkeerd. Die kon dat volstrekt niet plaatsen. Dat werd rottigheid over en weer en dat leidde vrij snel tot een breuk en echtscheiding.

Ben je daar wel eens geweest, bij Kroonder? Het was wel een mooi optrekje. Een schuur, een oud koetshuis. Beneden een grote open ruimte, waar vroeger de koetsen stonden. Dat was een stal geworden. Dan moest je met een kippetrapje naar boven en dan kwam je in één groot vertrek, waar het gezin Marja huisde.

Met een snel groeiend kindertal.

Het was wat men aanduidt als een artistieke bende. Wel leuk, moet ik zeggen.

Dus ze woonden daar met die vier kinderen in één kamer?

Ik kan me niet eens meer herinneren dat het er vier waren.

Op het laatst wel, ja. Hermans had in De Baanbreker geschreven, dat het portret van Marja hem deed denken aan de beschrijving die Faulkner geeft van de impotente gangster Popeye, in Sanctuary. Een wassen pop die te lang bij de kachel heeft gestaan. Dat heeft hem zó de dampen aan gedaan, dat hij als de bliksem vier kinderen op de wereld heeft geschopt.

Dat soort dingen trok hij zich inderdaad aan.