Bastaard

In Nocturne, de tweede aflevering van het tweede seizoen Endeavour, lost rechercheur Endeavour Morse in de jacht op een loslopende moordenaar ook een seriemoord van een eeuw geleden op. De moord op de genealogisch onderzoeker in 1966 en die op de familie Blaise-Hamilton in 1866 zijn met elkaar verbonden. Pas aan het eind van de anderhalf uur durende detective wordt duidelijk hoe.

Het boek is in detectiveseries nogal eens de sleutel tot de oplossing van de moord. In Law and Order was het een vingerafdruk op de kaft. In Lewis bood een wanordelijke boekenkast uitkomst.

De jonge Morse vindt op de bespookte zolder van de Blaise-Hamiltons een negentiende-eeuwse Bijbel. Marginalia wijzen hem in de richting van motief en dader. De inhoudsopgave blijkt te zijn beklad. Met ferme potloodstrepen heeft de vorige eigenaar Deuteronomium 23.2 omkaderd:

Geen bastaard zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen.

In 1866 kon de onechte zoon van Blaise-Hamilton, door zijn vader nooit erkend, het geluk en het fortuin van zijn familie niet langer dulden. De bastaard legde ze om, reconstrueert Morse.

Een nakomeling van de bastaard rook geld. De stamboomonderzoeker zou roet in het eten gooien. Die moest ook dood. De afstammeling blijkt erfelijk belast.

Nummers van Grunberg

Het ligt voor de hand om het bibliofiele avontuur van Arnon Grunberg te laten beginnen in New York, wanneer de schrijver kennismaakt met de kunsthandelaar en uitgever Pablo van Dijk. Van Dijk is weliswaar de motor van een steeds hoger opgevoerde productie bibliofiele uitgaven geweest, maar het nummeren en signeren bij Grunberg nam eerder een aanvang. Thuis in Amsterdam.

In juni 1990 stuurde Stichting Casimir een persbericht rond waarin De Machiavellist (1990) werd aangekondigd, te verschijnen ‘in een beperkte oplage van genummerde exemplaren’. Dat was Grunbergs debuut als auteur en als uitgever. De 500 exemplaren kregen echter geen nummer. Een jaar later, in de zomer van 1991, verscheen bij Kasimir uitgeverij Het boek Johanna, in een oplage van 27 daadwerkelijk door Grunberg genummerde exemplaren.

Hij ging verder. Op 1 februari 1993 deelde Grunberg in Felix Meritis 49 genummerde exemplaren uit van Stilte s.v.p. Justine leest mij (1993), dat hij zelf had uitgetikt en gefotokopieerd.

Op 22 februari van dat jaar maakte Grunberg op het kopieerapparaat van International Theatre and Film Books een bloemlezing voor Hanne Lijesen in een oplage van één uniek exemplaar. Hij was jarig en mocht trakteren. Grunberg bond Bloemlezing voor Hanne L. met een schoenveter. Büchiaanse praktijken zijn het.

Tussen het bibliofiele boek Ushi en Septembrius (1994) en het relatiegeschenk Kisselgoff (1995) – 65 respectievelijk 250 genummerde exemplaren – zit nog een genummerde en gesigneerde uitgave, al is daarover in de gedetailleerde Bibliografie van het werk van Arnon Grunberg tot 2008 (2008) niets te vinden. Het is nu geen tiksel of druksel in eigen beheer, maar de eerste luxe-editie van een handelsuitgave van Arnon Grunberg.

Van de 1000 exemplaren van een door boekhandel Lankamp & Brinkman uitgegeven verhaal werden er namelijk 50 door de auteur genummerd en gesigneerd. De advocaat, de leerlooier en de forellen (1994) mist een colofon, maar in mijn exemplaar zit een los kaartje. De oplage wordt hierop verantwoord. Achter in mijn exemplaar staat in groene inkt ‘nummer 32’ en op de Franse titel zette Grunberg zijn handtekening.

(In Andelst, Leeuwarden en Den Haag sprinten drie mannen nu naar hun boekenkast.)

Het antwoord

Op 14 januari jongstleden zette A.L. Snijders, gezeten aan zijn oudroze inmiddels blauwgroene eettafel in Klein Dochteren, drieëndertig keer zijn handtekening.

Daarmee werd een belofte in het colofon van Het antwoord ingelost en was de derde door Boris Rousseeuw verzorgde Snijders-uitgave van Artistiek Bureau een feit. Voor de twee eerdere uitgaven was een ongebundeld zkv het uitgangspunt. Nu had ik een passage gekozen uit een ongepubliceerde brief van Snijders aan Hans Broer, de vorig jaar overleden bibliotheekdirecteur en uitgever van De Geiten Pers. Die had de schrijver om een autobiografie gevraagd.

In het postscriptum van de brief van 26 oktober 1995 schrijft A.L. Snijders over zijn werkloze jaren, de bijbehorende uitkering en de verplichte sollicitaties. Bij een van zijn sollicitatiebrieven had Snijders een curriculum vitae gevoegd waarin een bepalende jeugdherinnering was opgenomen.

Het was 1946, zomer, de zon scheen. De Roompotstraat was zo stil en warm als in Het Uur U. Ik was alleen op straat. Misschien wist ik dat er iets zou gebeuren, misschien ook niet.

Wat er kort daarvoor gebeurd was, laat de houtsnede van Isabelle Vandenabeele tegenover de titelpagina van Het antwoord zien. Het meisje op de houtsnede is Greetje R. De jongen met het antwoord is Sjors Olsen.

Deze geschiedenis is meermaals in een tekst van A.L. Snijders opgedoken. In de column ‘Kut’, op 1 juni 1987 gepubliceerd in Het Parool, heet het meisje Truusje Nielsen en de jongen Otto Dunnebier. In het korte verhaal ‘De sprong’, dat in 1998 in het tweede nummer van het literaire periodiek Bunker Hill stond, gaat het om Roosje R. en Oskar Moholy-Nagy.

Verschillende versies van hetzelfde verhaal. Die in de brief aan Broer vind ik het mooist.

Drie recorders

Een maand nadat Gerard Reve de bandjes van Boudewijn Büch had volgepraat, publiceerde Büch in het weekblad De Tijd zijn ‘Afscheid van Gerard Reve’. Daarin beschrijft hij zijn eerste kennismaking met Reve en reconstrueert hij de totstandkoming van het beruchte interview. Wie Büchs artikel na al die jaren integraal leest, blijft wat vertwijfeld achter. Büch, terugblikkend:

Reve is het eerste uur onrustig. Het geklungel met drie recorders (het gesprek werd opgenomen op twee professionele recorders en één pocketrecorder; dit vanwege eventuele rampen en het vermijden van gemiste passages bij het verwisselen van de banden) duurt een tijdje.

Eén gesprek, twee microfoons, drie recorders. De bandopnamen voor het KRO-radioprogramma Spektakel overhandigde Büch aan Ernst Braches – in plaats van ze terug te geven aan regisseur Louis Houët. De cassettebandjes hield hij een tijdje zelf, om ze vervolgens aan een antiquaar te schenken. Waar is dan de derde set opnamen?

De [KRO-]banden en het integrale typoscript van het interview – zo heb ik besloten – schenk ik aan de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Ze mogen voor het eerst één uur na Reve’s overlijden worden geraadpleegd. Misschien dat geleerden deze affaire dàn kunnen ontraadselen.

In de loop van 8 april 2006, verordonneerde Büch in 1983, had het rode zegel op het blauwe pak al gebroken mogen worden. Bij de overhandiging van de inmiddels verzegelde KRO-banden aan Braches in 1984 werd, herinnert Klaas Koppe zich, gesproken over een termijn van dertig jaar. Maar in 1985 schreef iemand op de verpakking van de opnamen:

Niet te openen zonder toestemming Büch.

Ik zoek nog een paar geleerden om deze affaire te ontraadselen.

Twee microfoons

Eén gesprek, twee interviews. Voor Het Parool zou Boudewijn Büch Gerard Reve op 5 januari 1983 over politiek bevragen en voor de Katholieke Radio Omroep zou hij de schrijver over literatuur en religie aan de tand voelen. Daar kwam gedoe van.

In de inleiding van de gisteren uitgezonden radiodocumentaire ‘Schrijft U dat maar gerust in Uw krant’ is sprake van ‘de verzegelde banden [cursivering van mij]’ waarop Büch zijn ontmoeting met Reve vastlegde. Eerder, elders ging het vaak over ‘de Reve-tapes’ – alsof het hier geheime opnamen betrof.

In de heisa over de uit de kluis van Bijzondere Collecties geviste opnamen, na vierendertig jaar vrijgegeven, is geen ruimte voor het droge feit dat er naast de verzegelde bandopnamen ook andere opnamen van het gesprek bestaan. Ik wist het, het staat allemaal in Boud (2016), maar ik liet me meeslepen.

Bij deze foto van Büchs lijffotograaf Klaas Koppe, die de ontmoeting tussen Büch en Reve vastlegde, begon het me weer te dagen. Er staan twee microfoons op tafel. Büch had, aldus Koppe in het bijschrift (mirror), naar Schiedam zowel zijn Nagra als zijn gewone cassetterecorder meegenomen. De verzegelde banden schonk Büch, getuige deze foto, op 13 juni 1984 aan bibliothecaris Ernst Braches. De andere bandjes nam hij mee naar huis.

Erratumvelletjes (2)

Een uitgever stuurde me de nieuwsbrief van antiquariaat Fokas Holthuis, die geheel gewijd was aan een fascinerende collectie: boeken met errata. U weet wel, van die blaadjes waarop drukfouten rechtgezet worden van het soort: ‘Pagina 20, 6de regel v.b.: praat moet zijn paart’. Een gedicht op zichzelf – en een adequate weergave van de tragiek van tienduizenden onbeholpen jongenslevens. Deze hoort bij de bundel Winterkoren van Joh. C.P. Alberts.

Lees de column ‘Literatuur is een erratumvelletje bij de werkelijkheid’ van Arjen Fortuin op de website van NRC Handelsblad.

Erratumvelletjes

Zes jaar geleden begon ik structureel erratumvelletjes te hamsteren. Dit besluit was ingegeven door alarmerende berichten over het foutloze boek. Maar nu de blanco envelop nog slechts negen specimina bevat, moet ik concluderen dat de verzameling nooit echt van de grond is gekomen.

Gelukkig heb ik ruimdenkende werkgevers. Die lieten me afgelopen week een halve dag voor- en achterin willekeurig van de plank gepakte boeken kijken of er een erratum aanwezig was. Losse velletjes, ingeplakte strookjes of onder de inhoudsopgave gedrukte verbeteringen.

Van deze digitale verzameling is nu een verkooplijst gemaakt. Niet de omslagen en banden van de fouten bevattende boeken zijn afgebeeld, maar de erratumvelletjes. Er zit slapstick tussen, en hier en daar een onbedoelde dichtregel.